Hoe betrouwbaar is een historische doodsoorzaak?
Foto: doodsbriefje uit 1903 uit Best. Het betreft Maria Catharina Vogels, mijn oudmoeder in vrouwelijke lijn. Marasmus Senilis (verval door ouderdom) is tegenwoordig geen doodsoorzaak meer. Nu zou een concrete onderliggende ziekte als doodsoorzaak geregistreerd worden.
Geregistreerde doodsoorzaken lijken harde medische feiten. Toch vertellen deze vermeldingen lang niet altijd waaraan iemand werkelijk is overleden.
Ook ik dook de archieven in, toen ik via Yory.nl de bewaard gebleven “doodsbriefjes” tegenkwam. Deze werden in 1865 landelijk verplicht. De overheid wilde hiermee niet alleen sterftecijfers verzamelen, maar ook epidemieën beter bestrijden en de geneeskunde verder professionaliseren.
Bij het bestuderen van grote aantallen doodbriefjes van verschillende gemeenten viel mij op dat ik zelden de vermelding ‘onbekend’ als doodsoorzaak tegenkwam. Dat staat in contrast met moderne CBS statistieken, waarin onbekende doodsoorzaken bij circa 2% van de gevallen voorkomen.
Beroepseer en medische cultuur
Artsen beschikten in de tijd dat de eerste doodsbriefjes geschreven werden over veel minder diagnostische mogelijkheden dan tegenwoordig. Toch werd bijna altijd een concrete doodsoorzaak vermeld. Dat had niet alleen met medische kennis te maken, maar ook met professionele cultuur. Een arts hoorde een verklaring te kunnen geven. Het invullen van een doodsoorzaak bevestigde deskundigheid.
Ook binnen mijn eigen familiegeschiedenis kwam ik verschillende voorbeelden tegen die laten zien hoe medische inzichten en registraties door de tijd veranderden.
De prostaatpatiënt (1912)
Op het doodsbriefje van een voorouder uit 1912 staat als doodsoorzaak ‘ziekte der prostatan’. Volgens de familieoverlevering loste de huisarts een acuut plasprobleem op door met een breinaald zijn blaas door te prikken. In werkelijkheid zal de arts een metalen katheter hebben gebruikt om de blaas te legen. Het risico op infectie was groot. Antibiotica bestonden toen nog niet. Daarna kreeg hij vier dagen hoge koorts met delirium, waarna hij overleed. Op basis van de beschreven verschijnselen zou tegenwoordig mogelijk aan sepsis als doodsoorzaak worden gedacht.
Tweedeling verklaringen
In 1927 werd de huidige tweedeling in verklaringen ingevoerd om de medische geheimhouding te verbeteren. In een A-verklaring stonden de administratieve gegevens en een verkorte doodsoorzaak. Feitelijk was dit het oude doodsbriefje. In een B-verklaring in een gesloten envelop wordt de uitgebreide medische doodsoorzaak beschreven. Deze is uitsluitend bedoeld voor het CBS voor de doodsoorzakenstatistiek.
De behoefte aan een verklaring
Een onbekende doodsoorzaak heeft grote psychologische gevolgen voor nabestaanden. Een verklaring biedt houvast, maakt rouw beter hanteerbaar en voorkomt speculaties. Het is voorstelbaar dat artsen daarom eerder een beredeneerde doodsoorzaak noteerden dan onzekerheid lieten bestaan.
De “hartzwakte” van de hongerwinter (1945)
Op het doodsbriefje van een voorvader uit eind april 1945 staat als doodsoorzaak ‘hartzwakte’. Volgens de familieoverlevering stierf hij door honger, zes dagen voor de bevrijding. Naar schatting 20.000 Nederlanders ondergingen tijdens de hongerwinter hetzelfde lot. In de doodsbriefjes van Den Haag uit bovenstaande maand, leken artsen terughoudend te zijn in het expliciet noemen van honger als doodsoorzaak. Vaak kozen artsen voor de directe medische oorzaak. Het is niet bekend of politieke factoren (bezet Nederland) invloed hadden op de officiële statistieken.
Wijziging A-verklaring
De overlijdensregistratie veranderde niet alleen door betere medische kennis, maar ook door nieuwe wetgeving. Vanaf 1956 verdween de doodsoorzaak van de A-verklaring. Sindsdien vermeldt deze alleen nog dat de arts heeft vastgesteld dat er sprake is van een natuurlijke of niet-natuurlijke dood. Familieverhalen zijn vaak nog de enige overgebleven bron als het over doodsoorzaken gaat.
De operatie uit 1966 die tegenwoordig anders zou verlopen
In 1966 overleed een familielid plotseling aan trombose na een grote buikoperatie. Ook met de kennis van toen had het overlijden waarschijnlijk voorkomen kunnen worden door tijdige toediening van antistolling. Niet iedere chirurg deed dat echter. Enkele jaren later werd deze medicatie standaard bij de behandeling. Hierdoor kon het gebeuren dat het overlijden in 1966 nog als medische complicatie (= natuurlijke dood) werd gezien en enkele jaren later als medisch incident (= mogelijk niet-natuurlijke dood) beschouwd werd.
Moderne regelgeving rond lijkschouwing
De moderne praktijk is anders ingericht. Nog altijd mag alleen een arts beoordelen en vaststellen of er sprake is van een natuurlijke dood. In circa 95% van de gevallen is daarvan sprake. Bij twijfel of een onverklaard overlijden volgt verplichte melding aan de gemeentelijk lijkschouwer. Er kan in dergelijke gevallen nader onderzoek volgen door een forensisch arts.
Een sinds 1972 onverklaard gebleven overlijden
Het overlijden van een jongvolwassen persoon binnen mijn familie bleef na onderzoek een mysterie. Na een breed onderzoek van twee jaar kwam ik in 2025 tot de hypothese, dat de dood tegenwoordig waarschijnlijk nauwkeurig gediagnosticeerd zou zijn. Bij toetsing van deze hypothese kwamen bij een gezinslid bij toeval symptomen uit 2014 aan het licht, die op een genetische afwijking wijzen. Deze sinds 1979 bekende afwijking paste volledig bij het klinisch beeld dat vooraf ging aan het overlijden uit 1972.
Richtlijn lijkschouw voor behandelend artsen
De kwaliteit van de lijkschouw in Nederland was voor het Nederlandse Huisartsen Genootschap aanleiding om een richtlijn op te stellen. Artsen hadden soms onvoldoende kennis op het terrein van lijkschouw. Hierdoor kwam het voor dat niet-natuurlijke doodsoorzaken werden gemist.
Toen de arts in 2008 geen overlijdensverklaring af wilde geven
Een naaste werd een dag na het overlijden gevonden. De opgeroepen arts wilde geen overlijdensverklaring afgeven, omdat hij niet overtuigd was van een natuurlijk overlijden. Hij kende bovendien de medische voorgeschiedenis niet. Nadat de arts van mij de nodige informatie ontving voerde hij alsnog de lijkschouwing uit. De vermoedelijke doodsoorzaak volgde uit de onderliggende aandoening. Er werd bloed afgenomen om vergiftiging als niet-natuurlijke doodsoorzaak uit te sluiten.
Waar moet een genealoog op letten bij een genoteerde doodsoorzaak?
- Gebruik oude medische termen niet letterlijk. Veelvoorkomende historische termen kunnen misleidend zijn. Aan dat onderwerp kan nog een lang artikel worden gewijd.
- Houd rekening met de medische kennis en wet- en regelgeving van die tijd.
- Houd rekening met rollenconflicten waar artsen soms mee te maken hebben.
- Bekijk ook leeftijd, beroep en epidemieën.
- Vergelijk familieverhalen met officiële documenten.
- Besef dat een geregistreerde doodsoorzaak niet altijd de werkelijke doodsoorzaak hoeft te zijn. Dat is vandaag de dag nog steeds van toepassing.
Voor genealogen zijn historische doodsoorzaken waardevolle bronnen, maar geen onfeilbare waarheden. Ze weerspiegelen niet alleen het overlijden zelf, maar ook de medische kennis, maatschappelijke omstandigheden en wettelijke kaders van hun tijd. Wie familiegeschiedenis onderzoekt, doet er daarom goed aan een geregistreerde doodsoorzaak altijd in haar historische context te plaatsen.
Lees ook
Hoe betrouwbaar is een historische doodsoorzaak?




























