De schoolmeesterrapporten van Groningen uit 1828
Omdat Yory niet alleen schrijft over bronnen voor stamboomonderzoek, maar (juist) ook voor familiegeschiedenis, wil ik je graag de bron van de Groningse schoolmeesterrapporten uit 1828 aanreiken. Nee, dit zijn geen schoolrapporten van leerlingen, maar rapporten van schoolmeesters over hun leef- en woonomgeving – en nog veel meer dan dat.
Deze bron is niet alleen boeiend als je voorouders hebt uit de provincie Groningen, maar geeft ook historisch gezien veel interessante informatie over hoe het leven er daar begin 19e eeuw uitzag. De rapporten zijn volledig uitgetypt door de archiefmedewerkers en zijn daardoor goed leesbaar.
Vragenlijst voor de schoolmeester
Omdat de ‘Provinciale Commissie van Onderwijs’ informatie over de provincie Groningen in kaart wilde brengen, stuurde zij een enquête naar alle schoolmeesters met vragen over hun eigen dorp. Van de totaal 200 schoolmeesters stuurden maar liefst 175 de vragenlijst terug (dus over 175 gehuchten, dorpen en plaatsen), vaak met uitgebreide en gedetailleerde antwoorden.
‘Vertel je kinderen nooit hoe goed je was op school. Mams heeft je rapporten nog.‘
Met deze gegevens kon schoolopziener Nicolaus Westendorp een – voor die tijd – gedetailleerde geologische en topografische kaart van de provincie samenstellen. Want de vragen gingen niet alleen over topografie, maar ook over de bodem, de natuurlijke gesteldheid, de gevoerde taal, zeden en gewoonten. Een goed inkijkje in het leven van de Groningers van begin 19e eeuw!
De gestelde vragen in de schoolmeesterrapporten
De vragenlijst bevatte deze 17 vragen (deels ingekort en in modern Nederlands):
- Wat is de naam van uw woonplaats?
- Welke gehuchten en buurtschappen liggen nabij, en hoever van de kerk, en weet u de oorsprong van de namen?
- Zit er ook dufsteen (duifsteen) aan uw kerk, zo ja, hoe groot? Is er ook een opschrift(en) op uw torenklok? Zo ja, hoe luiden(en) die?
- Welke rivieren, stromen, maren, kolken of diepen liggen er in uw kerkelijke gemeente?
- Welke meren in de omtrek van uw dorp, hetzij nog aanwezig of drooggemalen?
- Welke gasten, wierden, warven, essen, heuvels, hoogtes of dijken zijn er in de buurt? Hoe hoog zijn ze en wat is hun uitgestrektheid?
- Welke bossen zijn er?
- Welke komen voort uit de drie natuurrijken: dierenrijk, plantenrijk, delvenrijk?
- Wat is de grondgesteldheid en de uitgestrektheid van uw kerspel (gebied)? Hoogte en diepte?
- Welke kunsten of wetenschappen worden daarin beoefend?
- Welke fabrieken, trafieken (grondstofbedrijven) en handwerken worden daarin gedreven?
- Hoe is de luchtgesteldheid in uw stad, dorp of gehucht?
- Hoe veel kerken, scholen, leesgezelschappen en zanggezelschappen bestaan er?
- Welke middelen van bestaan hebben de inwoners van uw woonplaats?
- Hoe is hun platte taal? Geef verheldering door duidelijke voorbeelden.
- Wat is hun algemene karakter, levenswijze, zeden en gewoonten? Hoe meer dit in kleine huiselijke en maatschappelijke details hoe liever. Zoals wat is de tijd van opstaan, ontbijten, middageten, avondeten, naar bed gaan, vermaken, ontspanning, wijze van bezoeken, tafelgebruiken bij een huwelijk en begrafenisplechtigheden, en gewoonten van allerlei aard, inborst, denkwijze enz.
- Welke plaatselijke bijzonderheden zijn u bekend, die onder de vorige vragen niet beantwoord kunnen worden? Zoals de burchten, spookverschijningen en bijgelovigheden van oude tijd of uit heidense tijd afkomstig zijn, overleveringen, bijzondere kinderliedjes of oude gezangen die algemeen bekend zijn, oudheden, merkwaardigheden, geboorten van geleerden, kundigen, dappere en verdienstelijke mannen van allerlei standen enz.
Enkele antwoorden
Over het karakter van de mensen in Vierhuizen:
'De menschen zyn over het algemeen nederig en eenvoudig, zonder veel gemaaktheid, arbeidzaam en opregt.'
Over de luchtgesteldheid in Winschoten:
'De luchtgesteldheid is gematigd en zeer gezond, zoo dat er zelden of nooit heerschende ziekten zyn.'
Over het taalgebruik in Bellingwolde:
'De taal is hier vooral niet minder goed dan te Groningen, behalven eenige woorden die naar het Oostvriesche klinken. Over het algemeen is men hier minder plat, dan op vele andere plaatsen, echter worden onder de geringste en ook nog wel onder de hoogere klasse, klanken gebruikt, die zich niet door Nederduitsche letteren laten uitdrukken, b.v.
“Dag Jan hoe gait het die, en hoe gait in joen hoes?”
“Ja Harm, dat kan nog wel, doch onze Pyter is yn bitje kapöt.”
De oe geeft men hier meest den klank zoo als de landman dezelve gebruikt in het woord koe.'
Over de levenswijze in Oude Pekela:
'Men eet hier dat gene, wat aan de orde van het jaargetyde is: peulen, boonen, knollen, wortels,veel aardappelen. De vrouwen te dezer plaats zyn by andere gewenschte hoedanigheden, zeer zindelyk en knap en zeer geschikt voor de keuken.'
Over spookverschijningen in Garsthuizen:
'Tusschen Eppinghuizen en Garsthuizen ligt eene Til over het Startenhuistermaar. Volgens volksgevoelen zit bij deze til des nachts soms ene Juffer te Thee drinken. Sommige spreken ook wel van Twee juffers.'
Goed beeld van het leven toen
Omdat meer dan 87 procent van de schoolmeesters de vragenlijst heeft ingevuld, en veelal zeer uitgebreid, zijn deze rapporten een prachtige bron van informatie.
Voor zover ik weet of kan vinden (is er iemand die meer weet?) bestaan deze schoolmeesterrapporten alleen in Groningen. Dat is jammer, want het mag duidelijk zijn dat deze informatie een hoop prijsgeeft over het leven van onze voorouders in die tijd.
Met dank aan alle medewerkers die deze schoolmeesterrapporten online toegankelijk hebben gemaakt, valt mie nait of’! (‘Dat is echt geweldig!’)
Nieuwsgierig naar de antwoorden van de schoolmeesters?
Vooral de antwoorden op de vragen over denkwijze, tafelgebruiken en vooral de spookverschijningen zouden zomaar een script voor een film kunnen zijn. Nieuwsgierig geworden? Ga dan op onderzoek uit in de Groninger archieven.
Lees ook
De schoolmeesterrapporten van Groningen uit 1828
































