Ziekenzalving in de Leidse DTB-boeken gevonden
Bij stamboomonderzoek vóór 1811 krijg je altijd te maken met de DTB-boeken: Doop-, Trouw- en Begraafboeken. Recent deden experts van Erfgoed Leiden en Omstreken echter een opmerkelijke ontdekking in de archieven van de parochie St. Jans’ Onthoofding in Zoeterwoude, namelijk de registratie van de ziekenzalving.
De ziekenzalving, in de volksmond ook wel het heilig oliesel genoemd, is één van de zeven officiële sacramenten van de Katholieke Kerk. Het ritueel is specifiek bedoeld voor gelovigen die ernstig ziek zijn en waarbij het risico op overlijden aanwezig is. Tijdens de ceremonie zalft een pastoor het voorhoofd van de zieke met gezegende olie en spreekt hij een gebed uit.
De handeling: Een pastoor zalft de zieke door een kleine hoeveelheid olie op het voorhoofd te smeren.
Het gebed: Tijdens de zalving spreekt de pastoor een gebed uit.
De vergeving: Door dit sacrament ontvangt de zieke vergeving van zijn of haar zonden. Het ritueel vindt daarom vaak plaats in combinatie met een (laatste) biecht.
Dit gebruik vindt zijn oorsprong in de Bijbel, specifiek in het boek Jacobus 5:14-15, waarin staat dat het gebed en de zalving de zieke zullen redden en diens zonden zullen worden vergeven. Vaak vindt dit ritueel plaats in combinatie met een laatste biecht.
De ontdekking van de ‘Numerus et Noia Inunctorum’
In het betreffende archiefstuk uit Zoeterwoude begint het derde deel niet met begrafenissen, maar met de Latijnse tekst ‘Numerus et Noia Inunctorum’, wat staat voor het ‘getal en de namen van de gezalfden’ (zie afbeelding onder). De pastoor hield hier nauwkeurig bij wie de zalving ontving en op welke datum dit gebeurde. Hoewel een vergelijkbaar register ook in Ter Aar is gevonden, blijft het een bijzondere bron die verder inzicht geeft in de laatste levensfase van parochianen.
‘Ik ben niet bang voor de dood, ik wil er alleen niet bij zijn als het gebeurt.‘
Gezalfd maar niet altijd overleden
Een misverstand is dat de ziekenzalving altijd direct voorafgaat aan de dood, want de registers laten een ander beeld zien: veel mensen werden gezalfd, maar genazen daarna weer. Zo staat Marijtie Leenders Vermeulen in 1733 genoteerd voor een zalving, maar bleef zij nog jaren in leven tot ze in 1741 opnieuw – en ditmaal fataal – gezalfd werd.
Wanneer iemand echter plotseling stierf voordat de pastoor aanwezig kon zijn, werd dit genoteerd als ‘subito obijt’ (plotseling overleden), zoals bij Maartie Claas in 1741. Iemand kon dus de ziekenzalving meerdere keren in zijn of haar leven ontvangen.
Correctie van de database
Door deze vondst heeft Erfgoed Leiden de gegevens in hun personendatabase gecorrigeerd; waar voorheen enkel ‘overleden’ stond, wordt nu ook de specifieke datum van de ziekenzalving als bijzonderheid vermeld. Dit biedt onderzoekers een nog completer beeld van het leven en de gezondheid van voorouders.
Heb jij katholieke voorouders in de regio van Leiden? Onderzoek dan of zij ooit een ziekenzalving hebben gekregen.

Bronnen voor onderzoek
Lees ook
Met dank aan Erfgoed Leiden e/o
Ziekenzalving in de Leidse DTB-boeken gevonden





























