Register van lijkschouwingen in Delft (1701-1819)
De kans is klein dat je voorouders in dit register staan, maar toch is het een interessante bron om te bekijken. Deze bron met lijkschouwingen in de 18e eeuw geeft namelijk een goed beeld van hoe men vroeger omging met lijken waarvan de doodsoorzaak onbekend was.
Overleden onder verdachte omstandigheden
In het register vind je beschrijvingen van lijkschouwingen van personen die onder verdachte omstandigheden overleden zijn. Bij de lijken die uit het water waren gevist, hadden de stadsdokter en stadschirurgijn de taak om ter plekke te onderzoeken of de persoon gewoon was verdronken, het een ongeval betrof (en hij in het water was gevallen), of was vermoord en in het water was gegooid. De oorzaak kon ook zelfmoord zijn, maar om dat vast te stellen was – bij de verdenking van moord – de taak van de rechter.
De dood van Pieter Blijswijk
Een goed voorbeeld van een lijk bij verdachte omstandigheden, is de dood van Pieter Blijswijk. De beschrijving van de lijkschouwer luidt (vertaald naar modern Nederlands):
Op bevel en in aanwezigheid van haar Edelachtbare, de Heren van de Wet (het stadsbestuur) van de stad Delft, hebben wij ondergetekende stadsdoctoren en stadschirurgijns op 12 oktober 1776 het lijk geschouwd van Pieter Blijswijk, 58 jaar oud, hangend in zijn huis, staande en gelegen in het Achterom, op de hoek van de Haarsteeg, aan zijn das, die vastgemaakt was aan de deurpost. Het lijk door ons ondertekenden beschouwd en geëxamineerd zijnde, hebben wij het volgende bevonden:
Een diepe insnijding aan de linkerkant van de hals (halverwege), waardoor de bloedcirculatie gestuit en de ademhaling verhinderd is. Vervolgens de tong tussen de tanden alsmede lichte bloeduitstortingen (blauwe plekken) over het gehele lichaam.
Waaruit wij ondergetekenden eenparig hebben geoordeeld dat bovengenoemde Pieter Blijswijk door de genoemde das is gestikt/gewurgd.
Gedaan te Delft op 12 oktober 1776
(was getekend) Fr. Boogert, Theodorus Hoogeveen, Dirk Scholl, Corn. van der Winckel
De stadsdoctoren en chirurgijns concluderen dat Pieter Blijswijk is gestorven door verstikking (“suffocatie”) als gevolg van ophanging aan een das. Of hij is vermoord of zelfmoord heeft gepleegd, is niet duidelijk.
Een duidelijk geval van moord
In het geval van het overlijden van Henderijntje Storm lijkt de doodsoorzaak wel duidelijk moord:
Op last en in tegenwoordigheid van de edele grootachtbare heren, de Heren van de Wet van de stad Delft, hebben wij, ondergetekende stadsdoctoren en stadschirurgijns, op 15 juli 1757 het dode lichaam geschouwd van Henderijntje Storm, huisvrouw (echtgenote) van Nicolaas Teunisse Krijgsman, ongeveer 37 jaar oud, wonende te Delfshaven, en liggende in een achtervertrek van een huis, staande aan de Achterhaven nabij de stadswerf. Aan dat dode lichaam hebben de ondergetekenden het volgende gevonden:
aan de hals een dwars doorsneden wond, drie duimen lang en ongeveer twee duimen breed, vlak boven het strottenhoofd, doorgaand tot in het grootste deel van de slokdarm (oesofagus), met beschadiging van de rechter uitwendige halsader (vena jugularis externa), maar verder was het gehele lichaam ongeschonden.
Zodat wij eenparig hebben geoordeeld dat bovengenoemde Henderijntje Storm aan die wond moet zijn gestorven.
Gedaan te Delfshaven, 15 juli 1757
(was getekend) Nicol. Schuijt, D. Swallius, Marcus de Ferro, Dirk Scholl.
Misschien toch niet dood
Al met al was de medische wetenschap in de 18e eeuw nog lang niet zover om met überhaupt met volledige zekerheid de dood bij iemand vast te stellen. Omdat het regelmatig voorkwam dat mensen onterecht dood werden verklaard, ontstonden er diverse methoden om dat soort fouten te voorkomen. Sommige mensen namen het zekere voor het onzekere en lieten in hun wilsbeschikking opnemen dat ‘hun hart na overlijden doorboord moest worden’.
Vanaf 1825 werden kerkhoven verplicht om over een speciaal verblijf voor schijndoden te beschikken. Hier werden lichamen voor anderhalve dag geobserveerd voordat de begrafenis plaatsvond. Om ieder risico uit te sluiten, verbond men vaak belletjes aan de vingers van de overledene; zodra er beweging was, kon er direct hulp worden geboden. Uiteindelijk zorgde nieuwe wetgeving in 1869 voor meer structuur: voortaan was een officiële registratie van de overlijdensoorzaak verplicht en diende de begrafenis binnen 6 werkdagen te worden voltooid.

Bronnen voor onderzoek
Lees ook
Register van lijkschouwingen in Delft (1701-1819)























































