Oude en vergeten beroepen van vroeger (P)

Henk van Hal

Expert in oude beroepen

Oude en vergeten beroepen van vroeger (P)

Een overzicht van alle oude vergeten beroepen van vroeger, op alfabet met de letter P.

Bediende van de paalmeter, die in het paalhuisje de door schippers meegebrachte brieven in ontvangst neemt en naar de koopmansbeurs brengt of, tegen betaling, bij de geadresseerden aan huis bezorgt. Hij was voor de inning van het paalgeld. De palen werden meestal aangebracht in verband met tolheffing/havengeld, maar op sommige plaatsen boden ze ook een, in zekere mate, veilige ligplaats tegen storm en ijs.

In de geschiedschrijving heb ik er nog niet veel over kunnen vinden maar in een land waar bijna alles over water ging, moet zoetwater-roverij toch ook aan de orde van de dag geweest zijn. Natuurlijk niet in zo'n massale en soms wrede vorm als op zee, maar toch zal men niet overal veilig geweest zijn voor de hebberige medemens.

Zo kwam men er al spoedig toe van alle schepen op de Zuiderzee een vergoeding te vragen voor de onderhoudskosten van tonnen, bakens en kapen, het z.g. „paalgeld". Ter Gouw brengt dit woord in verband met een paal, waarop een lantaarn, die als baken diende. Het paalgeld werd gestort in de „paalkist", beheerd door het college van „paalmeesteren", benoemd door de stadsregering. Het paalgeld diende o.a. voor de aanschaf en het onderhoud van tonnen en bakens langs de scheepvaartroute, vuurbaken en kapen, houten stellages als landmerken op uitspringende punten aan de kust of op eilanden langs de route. Een vuurbaak markeerde 's nachts door brandende takkenbossen, later door een kolenvuur de vaarweg.

Een paardenpostmeester was het hoofd van een paardenposterij, een postdienst, waarbij van paarden gebruikgemaakt werd. Vanaf het ontstaan van het postwezen in 1490 binnen de paardenposterij een pleisterplaats aan een postweg waar de wisseling van paarden en postrijders plaatsvond en waar de gesloten en verzegelde postzakken en andere poststukken in ontvangst werden aangenomen en zo nodig werden doorgezonden in een soort van estafettedienst.

Een andere taak van de poststations was om voor daartoe gemachtigde koeriers en postreizigers paarden en een escorte te regelen naar het volgende relais, hetgeen door de reizigers "posteren" werd genoemd. Hij verhuurde paarden en of koeriers en verbleef zelf in het gebouw dat zelf ook de naam poststation droeg. In de buurt van poststations bevonden zich vaak eetgelegenheden en onderhoudsdiensten zoals een smid en een wagenmaker. Tegen het door de overheid vastgestelde tarief dat berekend werd per paard en per post (een post was een afstand van twee uur gaans), leverde hij de paarden aan de brievenpost en aan regeringskoeriers.

Ook particulieren konden bij hem tegen een vastgesteld tarief paarden en koetsen huren, terwijl dilligence-ondernemers, huurkoetsiers e.d. de keus hadden om òf bij de paardenpost van paarden te wisselen, òf de postmeester een schadevergoeding te betalen van 25 cent per paard en per post, een verplichting die overigens in de praktijk veel werd ontdoken.

Een paartsenaar was lid van de perche (paertse), een college van toezicht op de bewerking van lakens. Een laken werd driemaal naar de paartse gebracht, waar er (als het goed was) achtereenvolgens een weef-,wied- en vollood aan gehecht worden.

Uit de Geschiedenis van de Leidsche lakenindustrie in de middeleeuwen:
en de meesters van der paertse, die her laken op de paertse, opteekenden, driemalen keurden en van hunne bevinding kond deden wederom door aanhechting van een lood.

Een pachter is iemand die een boerderij, land, visserij, veerpont enz. in gebruik en exploitatie neemt van de eigenaar in diens rol als verpachter. Veel grote boerderijen waren vroeger in handen van edellieden, kloosters en kooplui die het feitelijke boerenwerk lieten doen door de pachter. Deze werd ook wel halfman, halfer of halfenaar genoemd.

Om duidelijke werkafspraken te maken was natuurlijk een pachtcontract of pachtovereenkomst nodig. Afhankelijk van de manier waarop de landerijen bewerkt en gebruikt werden, is de looptijd van de contracten gewoonlijk een veelvoud van drie of vier jaar. De benaming halfman suggereert dat de opbrengst gelijk werd gedeeld door pachter en verpachter, maar dat was niet altijd zo. Alleen een pachtcedule (pachtcontract of pachtovereenkomst) kan uitsluitsel geven over deze verdeling.

De pacht van met name boerderijen ging vaak over van generatie op generatie. Ook zien we veel huwelijken tussen de pachtersfamilies onderling. De geschiedenis van pachtersfamilies is gewoonlijk nauw verweven met die van de boerderijen waarop ze boerden.

Pachters van (grote) boerderijen hoorden vaak bij de sociale bovenlaag. We zien hen dan ook vaak in bestuurlijke functies zoals schepen. Ook de eigenaren van de boerderijen waren vaak als geërfde bestuurlijk actief.

In Nederland was pacht tot september 2007 nog geregeld in een eigen wet, de Pachtwet. Deze wet regelde o.a. dat de pacht schriftelijk moet worden aangegaan, en goedkeuring van de grondkamer behoeft. Indien door buitengewone omstandigheden de opbrengst aanzienlijk minder is geweest dan bij het aangaan van de overeenkomst te verwachten was, heeft de pachter recht op een vermindering van de pachtprijs over de betrokken periode. Verbeteringen aan het gepachte in de loop van 20 jaar geven de pachter recht op een billijke vergoeding.

Pachtovereenkomsten van boerderijen gelden voor ten minste 12 jaar, voor los land 6 jaar, en worden beide van rechtswege telkens voor 6 jaar verlengd, tenzij een van de partijen uiterlijk één jaar voor het einde van de lopende overeenkomst heeft opgezegd. Hiertegen is voor de pachter beroep mogelijk bij de pachtkamer.

Een palfrenier was een stalknecht, paardenknecht, hulpkoetsier en koetsbediende.

Een pannenboeter vervaardigt ijzeren pannen/ketels voor de zoutziederijen. De pannenboeter woonde bij de zoutkeet en was in dienst van de keetbaas. Hij was vrij van huur en kreeg turf en biergeld.

Van alleen pannen boeten kon de pannenboeter niet leven en hij deed het werk als zoutmeter erbij. Hij was smid en had een speciale opleiding gehad in het repareren van de ziedpannen en het maken nieuwe ziedpannen. Om de 6 weken moest hij de ziedpannen ontdoen van KETELSPEK een kalklaag dat in de ziedpan achterbleef na het koken en de ziedpannen controleren op lekkage en eventueel repareren, hij mocht het schroot van kapotte ziedpannen behouden.

In 1612 had Elias Trip Jacobz als eigenaar van een zoutkeet in Zwijndrecht een pannenboeter in dienst voor f 60 per jaar.

Een pannenknecht werkte in een suikerraffinaderij. Hij is degeen die voor de zied (kook)pannen zorgt. Hem is het reinigen der Suikeren toevertrouwd. De pannenknecht is altoos de eerste op wanneer er gekookt wordt; hij moet de ziedpannen stoken.

Uit: De suikerraffinadeur 1793

Na de meesterknecht volgt de pannenknecht. De pannenknecht is altoos de eerste op wanneer er gekookt wordt. Te middernacht en dikwijls vroeger moet hij aan het werk. Hij reinigt de suiker, hij moet de zeden afdragen, de ziedpannen stoken. En zo vele kennis hebben van de proef, dat hij ingevalle de meesterknegt  niet tegenwoordig is, de zede altoos kan ophouden en bij tijds het vuur uitdoen. Hij heeft in zijn werk zijnde weinig tijd overig, maar wanneer het koken beëindigt is, dat somstijds tot den middag en somtijds langer duurt, wascht hij zijne pannen af en maakt zijne fornuizen schoon.

De pannenknecht ontstak rond middernacht een getemperd vuur onder de ziedpannen. Hij en twee helpers hadden tot taak om gedurende de nacht al roerend een suikeroplossing te maken zonder dat het mengsel aanbrandde. Als de suiker gesmolten was, kwam deze uit de pannen omhoog en zou samen met het gevormde schuim over het fornuis gelopen zijn als er intussen geen opzetstukken op de pannen geplaatst waren.

Een papiermolenaar werkte met de grondstoffen, zoals vodden, om papier te maken. Deze werden gesorteerd op gebruik, kleur en vezelsoort. Afhankelijk van de kwaliteit van de lompen verkreeg men het fijne, witte papier of het donkere grauwe papier. Daarna werd de lompen in stukjes gescheurd en vervolgens fijngehakt en gebleekt.

In houten bakken werden de lompen met water gemengd en door zware eikenhouten hamers tot een brei geklopt, waarbij de weefselstructuur werd vernietigd. Daarna werd de 'halfstof in een maalbak met een rol nog fijner gemalen en daarna enige tijd gebroeid. In de maalbak werd de stof gelijkmatig verdeeld wat de kwaliteit van het papier ten goede kwam.

De nu verkregen 'heelstof kwam in kleine hoeveelheden terecht in de schep- of werkkuip. Daarbij werd veel water gemengd dat zuiver moest zijn en ijzervrij, omdat daar de kwaliteit van het papier vanaf hing. Het water in de schepkuip werd voortdurend geroerd om klonteren te voorkomen.

Naar de Zaanstreek

Veel papiermolens kwamen reeds in de zestiende eeuw voor op de Veluwe vanwege het stromende en ook schone, heldere water. Daarom waren veel papiermolens aanvankelijk waterradmolens. Na 1700 deden de papiermolens ook in de Zaanstreek hun intrede. Na 1673 liep door de inval van het Frans leger de productie snel terug, doordat de papiermakers naar de Zaanstreek vluchtten, waar ook al een papierindustrie aanwezig was, zij het dat daar alleen grauw en blauw papier werd vervaardigd. De Veluwse papiermakers zorgden ervoor dat de Zaanstreek overging in het maken van wit papier. Het papier van de Zaanstreek werd wereldberoemd.

Het scheppen van het papier was het moeilijkste onderdeel van het papier maken en vereiste grote handigheid en ervaring. Met een vorm die was bespannen met fijn kopergaas, werd het papier geschept uit de op melk lijkende vloeistof. Op de zeef van de schepvorm was een figuur genaaid, het bekende watermerk, dat het meesterteken van de papiermaker was. Op de vorm paste een opstaande houten rand (het deksel) dat moest voorkomen dat de papierstof van de vorm zou aflopen.

Sterk papier door vezels

De papierschepper dompelde de schepvorm een aantal malen door de schepkuip en door licht te schudden werd een regelmatig dun laagje papierstof op de zeef verkregen. Door dit bewegen werden de vezels door elkaar geschud wat de sterkte van het papier ten goede kwam. Het natte papiervel werd voorzichtig op een wollen vilt (de koetsstoel) gelegd om het water eruit te laten trekken.

Wanneer er een stapel was gevormd, werd die onder een schroefpers gelegd om al het water eruit te persen. De papieren vellen werden vervolgens over touwen gehangen om te drogen. Daarna werden ze in de lijmketel gedompeld waardoor het papier beter beschrijfbaar werd doordat te sterke absorptie van de inkt door de papiervezels werd voorkomen. De vellen werden nogmaals geperst en gedroogd, en zo nodig glad gemaakt.

Een paraplumaker maakte paraplu’s. In de tweede helft van de negentiende eeuw kwamen er veel Italianen naar Nederland om hier een nieuw bestaan op te bouwen. Van de vijfhonderd Italianen die zich in de periode 1860 tot 1880 in Amsterdam en Rotterdam vestigden waren er zo’n 200 schoorsteenveger.

Vaak waren zij als jongen van een jaar of 13 door andere Italiaanse schoorsteenvegers naar Nederland gehaald om hier als hun knechtje aan de slag te gaan. Antonio Ferrari zou uiteindelijk zijn beroep verruilen voor een ander ambacht dat in genoemd gebied al vanaf 1700 veel uitgeoefend werd, namelijk dat van paraplumaker.

Lange geschiedenis

De paraplu heeft een lange geschiedenis. Ze ontstond uit de parasol die al vele eeuwen langer gebruikt werd. Pas in later tijden werd er officieel onderscheid gemaakt tussen de parasol en de paraplu. Het regenscherm bestond uit verschillende componenten zoals het handvat, de baleinen en het doek. Het handvat was veelal van hout. Hiervoor werden houtsoorten als mahonie gebruikt.

De spaken van de paraplu, baleinen genaamd, waren in vroeger tijden daadwerkelijk van walvisbalein gemaakt. In heet water was dit materiaal makkelijk bewerkbaar en vervormbaar. Hoewel de spaken van de paraplu tegenwoordig van ander materiaal gemaakt worden heten ze nog steeds baleinen. De stof die over de baleinen gespannen werd moest natuurlijk waterafstotend zijn.

Aanvankelijk was de paraplu een luxe product waarmee voornamelijk de rijken konden pronken. Ze werden met de hand gemaakt en de gebruikte materialen zoals zijde waren kostbaar. Pas nadat goedkopere materialen werden toegepast en de fabricage door machines werd overgenomen, kon ook de gewone burger zich zo’n regenscherm veroorloven.

Een parelgater (peerlegater) boorde gaten in parels voor kettingen en sieraden.

Een parfummaker maakte parfum. Het gebruik van parfum kent een lange, kleur- en geurrijke geschiedenis, die begint in het Oude Egypte.

De Grieken waren de eerste die naast het ritegebruik, parfum gebruikten voor de dagelijkse verzorging. Zo gebruikten ze de parfum in bad of om hun lichaam mee in te smeren. De Grieken begonnen ook met het verhandelen van parfum. De Romeinen gebruikten parfum weer voor andere doeleinden. Zij geloofden dat parfum geneeskrachtig was. In deze tijd ontstond de drogist, kwakzalver. Deze drogisten hadden namelijk niet altijd een goede reputatie. Ze werden vaak beschuldigd van het verkopen van ‘verdorven waar’.

De gedachte dat parfum geneeskrachtig was bleef in de Middeleeuwen van toepassing. Zo werd parfum gebruikt om ziekten als de pest te bestrijden en ontstond de pomander. Dit was een klein metalen bolletje aan een ketting, waar kruiden en parfum in werden gedaan. Men geloofde dat dit ziekte tegenging.

Eau de Cologne - Water van Keulen

Pas in de veertiende eeuw ontstond parfum in een glazen flesje. De inhoud bestond vaak uit een combinatie van olie en alcohol. Rond 1750 werd eau de cologne uitgevonden. Dit wordt ook wel het Water van Keulen genoemd, omdat het daar voor het eerst geïntroduceerd werd. Het Water van Keulen is vandaag de dag bekend onder de naam ‘4711’.

De westerse parfumcultuur beleefde pas aan het hof van Lodewijk de XIV een grote opleving en werd hierna snel onderdeel van de Europese hofcultuur. De productie van parfums bereikte onder Lodewijk de XV pas echt een hoogtepunt. Het hof van Lodewijk XV kreeg zelfs de bijnaam ‘het geparfumeerde hof’ te zijn, vanwege de geuren die elke dag op de huid, de kleren en meubels werden gesprenkeld. De legende gaat dat hij zich nooit in zijn leven heeft gewassen. Ook na de Franse Revolutie bleef het gebruik van parfum zeer populair. Zo was keizer Napoleon Bonaparte een grootgebruiker. Er ging geen dag voorbij zonder dat hij, door zijn kamerbediende, van top tot teen werd ingesmeerd met eau de cologne.

Een parlevinker is een ondernemer die vanaf zijn boot goederen, meestal levensmiddelen verkoopt. De naam parlevinker of zoetelaar werd op de rivier gebruikt, terwijl in havengebieden gesproken werd over kadraaier of kaaidraaier.

Parlevinkers waren zowel op de grote rivieren, zoals op de Rijn bij de plaats Tolkamer, op de (Friese) meren als in de havens in Nederland te vinden. In Friesland was het beroep vooral in de zomer lucratief vanwege de toeristen. Het beroep is praktisch uitgestorven.

Ondanks mindere verkopen konden veel parlevinkers hun varende winkel nog laten voortbestaan door een aparte fiscale positie die zij lange tijd hadden. De parlevinkers konden namelijk belastingvrij accijnsgoederen als rookwaren en alcohol op de rivieren verkopen. Deze accijnsvrijstelling dreigde in 1998 al door het Ministerie van Financiën ingetrokken te worden, daar de vrijstelling fraude in de hand zou werken (hetgeen overigens nooit is aangetoond) en in verband met de Europese eenwording moeilijk te verdedigen zou zijn.

Per 1 januari 2007 werd door Staatssecretaris Van Eijck de fiscale vrijstelling uiteindelijk afgeschaft. Dit was in feite het einde voor de parlevinkers, de 'langsvarende verkoop' in Nederland. Er waren toen nog 15 ondernemingen in Nederland in deze branche actief met zo'n 150 werknemers in totaal.

Een particulier was iemand die niet in dienst was bij de overheid. De term verwijst naar een gewone burger of consument die handelt op persoonlijke titel, en dus niet namens een overheid, bedrijf of organisatie. Het benadrukt het privékarakter van de persoon of zijn activiteiten.

De term wordt vooral gebruikt om onderscheid te maken tussen:

Personen die niet bij de overheid werken of geen overheidstaken uitvoeren.
Personen die producten of diensten voor privégebruik afnemen, dus als consument, en niet namens een onderneming.

Kort gezegd: een particulier is een individu dat optreedt in zijn of haar persoonlijke hoedanigheid.

Daarnaast wordt met de aanduiding ‘particulier’ ook een persoon zonder beroep bedoeld. Dit kon zowel mannen als vrouwen betreffen — hun beroep werd dan niet vermeld, of men had er geen.

Verder benadrukt de term het onderscheid met personen die onder het ambtenarenrecht vallen, zoals militairen of politieagenten, voor wie vaak andere regels gelden dan voor werknemers in de particuliere sector.

Een passantenmeester was een persoon (diaken) die aan behoeftige, doorreizende vreemdelingen een klein bedrag (passantengeld) verstrekte.

Een reglement voor het Sint-Catharine Gasthuis, uit 1590, stelde twee nachten als maximum, en in de Leidse baaierd mocht zelfs maar één nacht gelogeerd worden. Bedelaars moesten zich hier inschrijven bij de ‘passantmeester’, een diaken die voor de baaierdgasten (eufemistisch ook wel ‘passanten’ genoemd) zorgde. Nadat zij hun ‘naam en toenaam’ hadden opgegeven kregen ze een loodje als bewijs van inschrijving.

Reizigers die met behulp van een ‘behoorlyke Attestatie’ konden aantonen dat ze lid van de Gereformeerde Kerk waren, hadden in Amsterdam een streepje voor. Zij kregen van de passantmeester een bedrag van maximaal zes gulden mee. Voorwaarde was wel dat ze vanaf dat moment minstens een jaar wegbleven.

Een passementwerker bewerkte kleding. Vele ambachtslieden waren gespecialiseerd in het maken van een enkel kledingstuk (ook vrouwen). Zo waren er de handschoenmaker, de huikmaker, de kousenmaker en de hoedenmaker. Sommigen waren zelfs nog verder gespecialiseerd zoals de hoedenstoffeerder, die versierselen op hoeden aanbracht en de passementwerker, die versierselen op kleding aanbracht.

Passement is een vorm van decoratief borduurwerk of kantkloswerk, dat vervaardigd wordt door een gespecialiseerd kleermaker, de passementwerker, die belegsels, borduurwerk, tressen, of garnering van goud- of zilverdraad vervaardigt, voor op kleding. In passement kunnen ter decoratie kwastjes, gaas, pompons, franje en rozetten verwerkt worden, en materialen als kant, zijde, kralen.

Passementen werden veel op kostuums van bijvoorbeeld hoogwaardigheidsbekleders toegepast, en vergen veel handwerk om ze te maken. Ook vindt men dikwijls passement aan lampekappen, theatergordijnen, kleedjes en als ruches. De passementwerker weefde doorgaans op een recht scheerraam.

Passementen worden onderscheiden in:

a. gouden en zilveren boordsels of galons en anderzijds
b. in wollen en zijden boordsels of passementen.

Ad a. De hoofdgrondstof hier was goud- en zilverspinsel, dat verkregen werd wanneer men een draad, bijv. van zijde, schroef- dan wel spiraalvormig omwond (omspon) met goud- of zilverplatsel. Men onderscheidde echt of vals platsel. Ook gebruikte men als gronddraad wel dun ijzer- en koperdraad, bijv. ten behoeve van dameshoeden.

Ad b. De wollen of zijden boordsels of passementen onderscheidde men in militaire passementen, zelen of singels en leidsels (waartoe ook broekdraagbanden oftewel galgen of bretels gerekend werden, met als grondstof o.a. hennep- of werkgaren en vlas), meubelpassementen voor het bezetten van zijden behangsels, opgevulde meubels enz., naadbelegsels (zeer smalle zijden of wollen passementen voor het bezetten van de naden van de binnenbekleding van rijtuigen), rijtuig en livreipassementen (van onversneden fluweel en waarvan de oppervlakte met kleine noppen bedekt is).

Een pasteibakker leverde pasteien, maar veelal ook ander gebak als taarten en koekjes. Hij bakte zowel het pasteibrood, de korst voor een pastei als de inhoud, die overigens zeer variabel was: duiven, aal, garnalen, ham, hart, haas, hert, hoender, kalfsnier, kalfstong, kreeft, lever, limoen, pauwe, prommel- schildpad en Venesoen Pastei om er enkele te noemen.

Een pastei is een mengsel van vlees, vis, groenten of andere hartige ingrediënten in een omhulsel van korstdeeg of brooddeeg, gegaard in de oven of boven open vuur.

Het woord pastei is ontleend uit het Oud Frans. Een pasté was een ‘deeggerecht met een vleesvulling’. Het woord is voor het eerst aangetroffen in 1240.

Engelse pie

Vaak zijn pasteien rond en worden deze warm geserveerd. De Engelse pie lijkt nog het meest op een pastei. Een kleinere vorm, die omhuld is met bladerdeeg wordt een pasteitje genoemd. Een open pastei heeft geen deksel, waardoor de vulling zichtbaar is. Bij een gesloten pastei is er van het deeg ook een deksel gemaakt (met één of meerdere gaten om de stoom tijdens het bakken te laten ontsnappen).

In vroeger tijden werden pasteien gemaakt voor onderweg, reizigers konden deze dan koud eten. Aan het Franse en Engelse hof werden uitgebreide pasteien bereid voor luxe diners. Hierbij werd niet alleen aandacht besteed aan de smakelijkheid van de vulling, maar ook aan het uiterlijk van de hartige taart. Pasteien werden versierd met (van deeg gemaakte) kroontjes, torens.

Een paswerker is wat men nu een bankwerker zou noemen, namelijk een technicus die zich heeft gespecialiseerd in het draaien en frezen. Hij is in staat om nauwkeurig passende werkstukken af te leveren, maatwerk dus. Een matrijzenmaker is bijvoorbeeld zo’n bankwerker.

Vroeger lag het ambacht bankwerker vaak in het verlengde van dat van een smid. Door beide ambachten te beheersen was men dus een zeer kundig specialist.

Een pegelaar controleerde pegels. Een pegel of peil werd gebruikt:

  • in maten voor drinkwaren
  • hoogtemerk van de waterstand
  • als teken ter aanduiding van de diepte waarop een vaartuig geladen mag zijn
  • graad van sterkte bij het brouwen.

Degenen die dit controleerden werden pegelaars (pegelaers) genoemd en waren ze in dienst van een stad stadspegelaars. Ze konden dus verschillende functies hebben. Pegelaars of wijnroeiers waren functionarissen die zich bezighielden met de controle op de hoeveelheden wijn in de vaten bij slijters en verbruikers met het doel de hoogte van de accijnzen vast te stellen.

In de 18e eeuw moesten 21 stuivers belasting per ton bier betaald worden. Het ontduiken werd bestraft met 20 schellingen per ton met inbeslagname van het bier, dat dan ten voordele van de accijnspachter werd verkocht.

Particulieren die bier in de kelder hadden voor eigen gebruik moesten een briefje hebben van de accijnsbediende of van de koster, waarbij bevestigd werd dat het bier niet zou verkocht worden. Dit briefje of bewijs kostte één stuiver. Gewoonlijk hielp de brouwer ervoor te zorgen dat de accijns betaald werd om moeilijkheden te voorkomen.

De inhoud van een ton bier of wijn werd gemeten door een gezworen pegelaar. Deze gebruikte hier de berekening van de Brugse pegel. Pegelen   was een wiskundige zaak, waarvoor de waardeschalen berekend werden volgens de afmetingen van de ton en de hoogte van het vloeistofpeil.

Een pekjongen (pikjongen) was een leerling (leergast) op een scheepstimmerwerf, belast met het bereiden van pek pluis- en kalfaatwerk. Kalfaat of kalefateren is het dichtstoppen van reten, naden, spleten en voegen tussen de planken van de buitenhuid of van het dek van schepen. Dit dichtstoppen ging met behulp van een kalfaathamer en -ijzer, waarna er kokend pik op werd gegoten totdat de naden dicht waren.

De scheepshuid werd gemaakt van planken, die niet geheel aansloten. Er ontstonden allerlei spleten; deze openingen dienden te worden afgesloten. Dit gebeurde door er met een breeuwijzer of kalfaatijzer en kalfaathamer hennep of touw tussen te doen, en dit af te dekken met pek, het zogenaamde ‘breeuwen’, ook op kalefaten’ of opkalefateren’ genoemd.

Breeuwen, kalfaten of kalefateren is een techniek waarbij de kieren tussen de gangen van de huid of tussen de planken van het bovendek van een schip worden dichtgemaakt met behulp van werk (uitgeplozen touw van een natuurlijke vezel, meestal hennep) en pek of teer dat gewonnen werd uit harshoudende bomen, zoals de grove den.

De waterdichte afdichting berust op de eigenschap van natuurlijke vezels dat ze opzwellen als ze vocht opnemen. Hierdoor wordt een eventueel lek gedicht door het water dat erdoor binnen sijpelt.

Voor het beroep peldersknecht zijn deze benamingen:

1. Een knecht die tijdens de begrafenisceremonie de baar, kist of lijkwagen bedekt met een baarkleed/lijkkleed. Verder weinig verdere gegevens bekend.

2.. Een peldersknecht in een rijstpellerij (ook peller of pelder genoemd). In een rijstpellerij worden de korrels van de doppen bevrijd (van de buitenste laag ontdaan). Uit de verslagen is te lezen dat er meerdere personen werkte in de pellerij. Soms had een fabrikant er wel 34 in dienst. Een peldersknecht verdiende Fl. 10,- per week in een rijstpellerij maar kon met nachtwerk Fl. 2,75 per week bijverdienen.

Er was geen fabrieksreglement en geen boetestelsel. De leiding van de rijstpellerij verklaarde geen last te hebben van alcoholmisbruik van personeel of van veel wisselingen in het personeel. Wat betreft de veiligheid in de fabriek verklaarde hij dat er weinig stof overlast was en er waren geen onbeschermde assen. Bij ziekte werd het loon doorbetaald. De meesterknecht fungeerde als ziektecontroleur. Er was een weduwen en gepensioneerdenfonds maar dat betaalde uit naar behoefte. Verder bleek dat er 150 dagen per jaar 's nachts gemalen werd! Het rijstpellen bleek minder ongezond dan het pellen van het stoffige gerst.

Een pellenier (peltenier) was een bontwerker of pelsmaker.

De pennenbereider maakt uit de schachten of slagveren van bepaalde vogels penneschachten, die geschikt zijn om er schrijfpennen van te maken. Men gebruikte schachten of slagveren van verschillende soorten vogels: struisvogels, kalkoenen, eenden, raven, zwanen en vooral ganzen. Een ganzenveer is een schrijfinstrument gemaakt van de slagpen van een gans of een andere grote vogel.

Het gebruik van zulk schrijfgerei stamt uit de middeleeuwen. De komst van de ganzenveer, rond het jaar 700, verdrong de bamboe- en rietpen die tot dan gebruikelijk waren. De veer werd op de juiste wijze bewerkt en in de inkt gedoopt, waardoor deze zich volzoog met inkt en ermee geschreven kon worden. Door de komst van de metalen pen is het gebruik van de ganzenveer voor gewoon schrijven verdwenen, maar in de kalligrafie wordt de ganzenveer nog altijd superieur geacht aan metalen pennen.

Voorkeur voor linkervleugel

Voor de ganzenveer werden in de lente de buitenste vijf slagpennen van levende vogels genomen. Men gaf de voorkeur aan de veren van de linkervleugel, omdat zij een buiging hebben die voor rechtshandige schrijvers naar buiten, van de schrijver af, gericht is. De meest gebruikelijke pennen waren van ganzenveren, maar betere waren van zwanenveren, die door hun schaarste duurder waren.

Voor het trekken van dunne lijnen werden pennen van kraaienveren gebruikt en als tweede keus ook veren van uilen, haviken en kalkoenen. Voor men met de veer kon schrijven moest deze op de juiste wijze bewerkt worden. De veer werd schuin aangesneden en men verwijderde het merg, waarna de veer gehard moest worden. Daartoe werd de pen zolang in water geweekt tot deze er glanzend wit uitzag.

Voor het eigenlijke harden werd het ingeweekte gedeelte in een houder met heet zand van de juiste temperatuur (170-180 °C) gestoken tot de punt doorschijnend werd. Het zand moest zo heet zijn dat de pen wel siste, maar niet barstte. Tot slot werd de bovenste huidlaag van de pen gekrabd, waarna de pen gesneden kon worden.

Een penningmaker was iemand die gedenkpenningen maakte. Goud- en zilversmeden houden zich ook bezig met het schroeven, gieten en slaan van gedenkpenningen. Het woord penning wordt gebruikt voor een munt zonder vaste waarde, als herinnerings- of kunstobject vervaardigd of om bepaalde diensten te belonen (medailles).

In de keizertijd werden penningen ook gebruikt als cadeau van de keizer aan belangrijke personen. Penningen die geen wettig betaalmiddel zijn, worden gemaakt van verschillende soorten materialen. Veel voorkomende materialen zijn zilver, brons, koper, metaal, nikkel, goud. Penningen worden ontworpen door een medailleur. “Gedenkpenningen” is een vrij algemeen gebruikte term voor penningen die ter gelegenheid van een specifieke gebeurtenis zijn gemaakt.

Een pensman (pensvrouw, penswijf, beulingwijf) was iemand die pens (maag van de koe) voorbereidde en verkocht. De huid van de pens was vrij taai en werd daarom gebruikt om vlees (gehakt) in te rollen (rolpens). Pens werd verkocht in een penshuisje, penskraam of penshal.

Een perkamentmaker was een vervaardiger van perkament. Perkament werd vervaardigd uit ongelooide, met kalkmelk behandelde lams-, schapen-, kalfs-, ezels- of geitenhuiden, aan beide zijden afgeschaafd en gepolijst, o.a. met puimsteen. Een goede kwaliteit werd reeds in de tweede eeuw voor het begin van onze jaartelling vervaardigd in Pergamum in (Klein-Azië). Als drager van teksten verdrong het papyrus, dat minder duurzaam was. Het maakte een enorme opgang in de Middeleeuwen.

Perkament wordt (ook nu nog) gemaakt van de gemaakt van huid van kalveren, koeien, geiten, schapen, konijnen of ezels. Perkament is met name bekend als schrijfmateriaal voor handschriften.

Perkament bleek beter en sterker te zijn dan papyrus, maar het was ook (veel) duurder. In de Middeleeuwen werd perkament in Europa veel gebruikt om op te schrijven, omdat papyrus, dat dus ook al bestond, veel te snel vocht opnam en was in het natte Europa niet lang te bewaren. Perkament is ongeveer een halve mm dik. Het is veel dikker dan het schrijfpapier van nu.

Hoe werd/wordt perkament gemaakt?

  1. Een dier werd geslacht en de huid werd eraf gehaald.
  2. De huid werd langdurig geweekt in stromend water om het zacht en schoon te maken.
  3. De huid werd in kalkwater gelegd, waardoor de haarwortels en vleesresten los kwamen te zitten.
  4. Haarresten en vleesresten werden voorzichtig verwijderd met behulp van een sikkelvormig mes.
  5. De huid werd opgespannen op een houten raam, waardoor het een glad oppervlak kreeg.
  6. Nog eenmaal werd het perkament afgeschraapt en tenslotte gepolijst met puimsteen en kalk.
  7. Het perkament werd op maat gesneden en net als papyrus tot hele lange stroken aan elkaar geplakt en om een stokje gerold tot een boekrol, ofwel dubbelgevouwen tot een boek katern. Aan elkaar genaaide katernen noemde men een codex. De laatste vorm kwam in zwang vanaf circa 100 na Christus en was een eeuw later de meest gangbare boekvorm geworden.

Een permanieter deed vroeger het kitten van tuinbouwramen zodat die goed in de “roeien” pasten.

Vroeger werd bitumenkit vaak gebruikt in kassen, vooral voor het afdichten van de beglazing en het dak. Bitumenkit is een afdichtings- en lijmkit op basis van bitumen, die nog steeds wordt gebruikt voor het afdichten van daken, dakgoten en het repareren van lekkages. Deze kit kon asbest bevatten, een stof die vroeger werd toegevoegd vanwege de vochtwerende eigenschappen.

Asbesthoudende kitten waren vaak droog en hard en hadden een grijze, rood- of bruinachtige kleur, hoewel de kleur moeilijk te herkennen kan zijn als de kit overschilderd was.

Een perpoentstikker maakte perpoent, een kledingstuk dat gedragen werd onder het harnas. Het was vaak gemaakt van linnen en opgevuld met wol, katoen en dierenharen. Het bedekte het lichaam van de drager van de hals tot op het middel.

De perpoent kwam voor in allerlei verschillende modellen. Zo waren er korte maar ook langere varianten. Er is onderscheid tussen ridders die hoger in de hiërarchie stonden, en zich dus een maliënkolder konden veroorloven boven op het perpoent, en ridders die het perpoent als enige gevechtsuitrusting kenden.

Dit perpoent wordt vaak beschreven als zwaarder dan de eerste variant en opgebouwd uit vele lagen stof (wol, linnen, zijde en soms leer). Het aantal lagen wordt in verschillende tekstuele bronnen beschreven en loopt soms op tot wel 30 lagen. Dit kan zelfs pijlen tegenhouden en is te vergelijken met moderne kogelwerende vesten.

Vier doelen van perpoent

Over het algemeen wordt een perpoent gebruikt voor vier verschillende doelen, namelijk:

  • Ondersteuning van het gewicht van de maliënkolder. Het perpoent verdeelt het gewicht van de maliënkolder over de schouders.
  • Het perpoent houdt de ringetjes van de maliënkolder op een afstand van de huid. Dit beschermt de ridder tegen kleine ongemakken tijdens de strijd.
  • De derde functie van het perpoent is het opvangen van klappen van verschillende slagwapens, doordat het een soort van kussenfunctie vervult.
  • En ten vierde dient het om lichaamswarmte vast te houden.

Een pestmeester bezocht de zieken met pest in pesthuizen. Als hij iemand van de pest had 'genezen' met zijn 'medicijnen', ontving hij van de regent 24 gulden, als iemand tijdens of na zijn bezoek toch kwam te overlijden, ontving hij 6 gulden.

Een pettenboorder was een arbeider die petten (putten, veenputten en waterputten, ontstaan door het weggraven van veen) boordde met een petboor.

Een peulder was een persoon die erwten en bonen (peulgewassen) dopte. Het was ook iemand die bij het dorsen het koolzaad of de boekweit peulde.

Een peurder was een visser. Echter was peuren een van de oudste vormen van vissen op paling en was een illegale bijverdienste. Bij het peuren wordt de paling niet gevangen door middel van een vishaak, maar met een peur. Dit is een hoeveelheid wormen, meestal zo'n 30 stuks, aaneengeregen met garen tot een grote ring. De peur wordt daarbij met een draad bijeengebonden. Boven in de peur wordt aan de peurlijn een kegelvormig stuk lood (tussen de 20 tot 125 gram) geplaatst. Dit kan echter ook met een zware dobber die uitgemeten wordt, zodat de peur juist aan de bodem wordt aangeboden.

Door de peur met de peurstok vlak boven de bodem op en neer te bewegen waaiert deze als een kwast uit, waarbij de geur van de wormen wordt verspreid. Dit geurspoor trekt de paling aan. Vaak gebeurt het peuren 's nachts omdat de paling dan het meest actief naar voedsel zoekt die als term 'lopen' meekrijgt.

De paling is een slangachtige vis die als een kikker ook door de huid kan ademen en zich ook over land kan verplaatsen. Mannetjes blijven in de riviermond. Ze worden ca. 40 cm Vrouwtjes trekken verder landinwaarts Ze kunnen ca. 120 cm worden. Ze worden 15 tot zelfs 50 jaar oud. Het oudste gevangen exemplaar zou 85 jaar geweest zijn. Volwassen exemplaren trekken op huwelijksreis naar de Sagassozee (bij de Bermudadriehoek om te paaien kuit te schieten en te sterven. De jongen maken dan een reis van ca. 6000 km in 1 à 2 jaar om hier verder te leven.

Paling is een alles (behalve zaden) etende nachtrover en bodembewoner. Voor zijn jacht maakt hij gebruik van geur. Vooral vangen ’s nachts (in het donker niet bij volle maan) tussen april en oktober bij ca. 10 graden Celsius. Hij houdt een winterslaap in de modder. Inmiddels is het verboden om te peuren.

Een piekenier (piekeling, piekenaar, piekdrager, pijckenaer, pijckenier, pijckier) was een soldaat die vocht met een piek, een soort lange lans met een lengte van 3 tot soms 5 meter. Het wapen werd al gebruikt in het oude Egypte. In Macedonië ontwikkelde zich vanuit de met een speer en schild bewapende hopliet een soort piekenier. De piekenier vocht in een formatie. Het vechten in een hechte, dichte formatie, waardoor een woud van pieken werd gevormd, was de kracht van de piekeniers.

De Romeinen wisten een passend antwoord te vinden op de Macedonische falanx, en de piek verdween voor lange tijd; in de middeleeuwen keerde ze weer terug op het Europese slagveld doordat ze succesvol door Zwitserse, en later door Duitse huursoldaten, de beroemde landsknechten werd gebruikt tegen de ridders te paard. Door de verdere ontwikkelingen in de oorlogvoering werd de piek weer een belangrijk wapen: Prins Maurits ontwierp voor het Staatse Leger een exercitie, waarbij hij teruggreep op de tactieken en de organisatie van de Macedoniërs, bijna 2000 jaar eerder.

Piekeniers vochten in de 17e en begin 18e eeuw in grote formaties, waarbij zij ondersteund werden door eenheden musketiers. Zij droegen vaak een half harnas (meestal alleen de eerste rijen) en een helm, verder waren zij bewapend met een degen. Later werden musketiers steeds belangrijker, terwijl de piekeniers vooral de vijandelijke cavalerie op afstand diende te houden. Aan het einde van de 17e eeuw werd vanuit Bayonne de bajonet ontwikkeld, waardoor elke musketier ook als piekenier kon optreden. De lans verdween aldus vanaf het einde van de 17e eeuw langzaamaan van het slagveld; alleen Rusland en Zweden behielden nog vrij lang de piek, vanwege het agressievere karakter van hun manier van oorlog voeren. In West-Europa was de piek na 1715 vrijwel overal verdwenen.

Een pijenwerker maakte pijen, een grove wollen stof (pijlaken), bruin of grauw van kleur. Ook de kleding die uit deze stof werd vervaardigd werd pij genoemd. Als zodanig was een pij oorspronkelijk een overkleed oftewel pijrok gedragen door eenvoudige lieden, soldaten en monniken. De Pijenwerker vervaardigde deze pijen.

De pij is de dagelijkse kledij van monniken en zusters. Monniken dragen meestal een tuniek: een tot de voeten reikend hemd van iets dikkere, grove stof met een hoofdkap, bijeengehouden door een koord of leren riem. Over die tuniek dragen ze een scapulier.

Ook leden van congregaties dragen een pij, al lijkt dat van de mannelijke leden daarvan meer op een toog. Als schoeisel worden door monniken en zusters van ongeschoeide kloosterorden sandalen gedragen. Tijdens het koorgebed dragen monniken over hun pij een kovel.

Een pijpenmaker maakte pijpen om te roken. Tegen het einde van de zestiende eeuw heeft de pijpenfabricage in Engeland een hoge vlucht genomen.

Begin 1600 trokken een aantal calvinisten, die later onder de naam  ‘Pilgrim Fathers’ naar Nederland. Onder hen waren een aantal pijpenmakers. In 1620 vertrok een groep van hen naar Amerika, maar een groot deel bleef achter in Leiden, waaronder ook pijpenmakers. Het is niet onwaarschijnlijk dat zij het beroep in Leiden geïntroduceerd hebben. In Leiden en Amsterdam ontstond de productie in huiselijke sfeer. Maar ook elders (o.a. Gouda, Gorinchem, Groningen, Rotterdam, Schoonhoven en Utrecht) kwam dit beroep tot ontwikkeling, bij voorkeur in plaatsen waar reeds pottenbakkers werkzaam waren. Beiden verkozen plaatsen, die aan het water lagen, zodat klei, pijpaarde en brandstof gemakkelijk kon worden aangevoerd, en gereed product gemakkelijk kon worden afgevoerd. Uiteindelijk groeide Gouda in de loop van de eeuwen uit tot de stad van de kleipijpen.

In de beginjaren waren de pijpen kort van stuk. Later werden de stelen langer. De grotere exemplaren werden meestal thuis gerookt of in de kroeg. De kleine pijpen zijn vrij heet om te roken. Hoe langer de steel, hoe koeler de pijp rookt en des te lekkerder was de smaak. Doordat in de zeventiende eeuw de prijs van de tabak daalde werden ook de pijpenkoppen allengs groter. De kleipijpen waren goedkoop en werden in alle lagen van de bevolking gebruikt. Kinderen gebruikten ze graag om bellen te blazen.

Over klei- of kalkpijpen kan onderzoek gedaan worden. Aan de hand van de merken is veelal te achterhalen wie de pijpenmaker is geweest. Voor genealogen met pijpenmakers in de familie is het verzamelen een interessante liefhebberij. Doordat ze gemakkelijk braken zijn er heel wat pijpenkoppen weggegooid, die overal zijn te vinden. Het is leuk als je een of enkele koppen kunt achterhalen van de pijpenmakers uit de familie.

Voordat de pijp de oven inging had de witbakkende klei (pijpaarde), geïmporteerd uit Engeland, Duitsland, Frankrijk of België, een zeer bewerkelijk proces ondergaan. Eerst werd de klei gewassen om verontreinigingen en schadelijke stoffen te verwijderen. Na het wassen volgde droging. Deze droge brokken klei werden twee maal gemalen en door toevoeging van water kneedbaar gemaakt.

Roller

De roller maakte de grondvorm, de rol, die aan een kant dik was voor de ketel (kop) en die aan de andere kant dun uitliep voor de steel. Deze rollen werden enige tijd gedroogd en in een mal gelegd. Vervolgens ging de ‘kaster’ aan het werk, die met behulp van een stuk ijzerdraad (de wijer), waarvan het uiteinde knopvormig was, het rookkanaal aanbracht (= aanwijeren). Met wijer en al werd de rol in een metalen vorm gedaan en in een soort bankschroef geklemd. Aan de kopzijde een kogelvormig stuk metaal (de stopper) in de mal werd gedrukt. Deze stopper bepaalde de inhoud van de pijpekop of ketel.

Daarna werd de wijer (of weijer) zover doorgeduwd tot hij contact maakte met de stopper. Vervolgens werden wijer en stopper verwijderd en werd de pijp uit de mal gehaald om verder te drogen. In de steel werd een wat dunner ijzerdraadje geplaatst om te verhinderen dat de steel krom trok. Na het drogen werden de vormnaden en overtollige klei veelal verwijderd door vrouwen, de tremsters.

Onder aan de kop zit doorgaans een uitsteeksel, waar de pijpmakers dikwijls hun merk aanbrachten met behulp van een stempeltje.

De pijpen van de hoogste kwaliteit werden daarna geglaasd met behulp van een agaatsteen, waarmee op de buitenkant van de pijp de kleiplaatjes in één richting werden gestreken.

De ongebakken maar volledig afgewerkte pijpen werden in rekken gedroogd. Daarna werden ze in grote spits toelopende aarden pijpenpotten in de oven geplaatst en bij een temperatuur van ongeveer 1000º gebakken. Uit de terminologie die men voor de diverse handelingen gebruikte blijkt de Engelse oorsprong.

Oorspronkelijk zal men pijpen met korte steellengte hebben vervaardigd, maar al gauw kwamen er ook pijpen met langere stelen.

Na 1750 werden steeds meer pijpen uit andere materialen vervaardigd, zoals houten en meerschuimen pijpen. In 1713 telde men te Gouda over de 300 pijp, akersbazen, in 1815 teruggelopen tot 123.

Een pimantier was een handelaar in piment. Deze specerij is afkomstig van een soort gedroogde besjes uit Jamaica, die in 1492 werden ontdekt door Colombus. Toch duurde het nog een paar honderd jaar voordat we in Europa begrepen wat voor een geweldige smaakmaker het is. Niet voor niets wordt piment ook weleens all spice genoemd.

Het boeiende aan de smaak van piment is dat het doet denken aan een combinatie van bekendere smaken. Vaak wordt dan ook vermoed dat piment een kruidenmengsel is, maar de rijke smaken zijn afkomstig van één enkele bes. Desalniettemin proeven we in piment tonen van nootmuskaat, kaneel, kruidnagel en peper Samen zorgt dat voor een warme en licht pikante smaak.

Piment is te koop in de vorm van de gedroogde of in poedervorm. In de vorm van besjes blijft de smaak het beste bewaard. Voor maximale smaak, maal de pimentbesjes dan kort voor opdienen in een vijzel of pepermolen.

Een pintmeester was iemand die wonden en zweren genas met een gewoonlijk in aarden pot bewaard poeder.

Na een amusante redevoering ging de pintmeester over tot een demonstratie van zijn zalfjes en poeders. Zijn eerste slachtoffer was meestal een medewerker. Deze werd betaald om zich voor kreupele uit te geven en om op het gepaste moment tot een wonderbaarlijke genezing te komen. Vervolgens zocht de kwakzalver een naïeve pummel uit het publiek. Deze vertelde de kwakzalver wat hem mankeerde en de charlatan verzekerde de zielenpoot dan dat hij aan zijn lijden een einde zou stellen. Hij gaf een erg uitvoerige uitleg bij het middel dat hij zou aanwenden voor de genezing. Daarbij speelde hij in op het publiek.

Het belangrijkste bij dit procedé was de psychologische bewerking van de toeschouwers en de patiënt. De eigenlijke toediening van het geneesmiddel was namelijk van erg korte duur. Als de ingreep verkeerd uitpakte, redde de pintmeester zich alsnog door opnieuw mooie praatjes te verkopen. Toch dient bij dit ritueel een kanttekening gemaakt te worden. De hierboven beschreven prachtige parade maakte lang niet altijd deel uit van het optreden. Soms moest de pintmeester het stellen met één hulpje dat met een grote trom het publiek lokte en dat mee figureerde in het komische optreden van de charlatan. Na een paar demonstraties kon het geamuseerde publiek overgaan tot de aankoop van de poeders.  Meestal deed de pintmeester gouden zaken.

Een piskruier werkte in een lakenfabriek en vervoerde urine voor het proces van vollen (vilt van wol maken).

Een piskijker (pisbeziener) was een kwakzalver die uit het bekijken van de pis van een patiënt conclusies trekt over diens ziekte en hem tracht te genezen.

Een piskijker is een historisch beroep, vergelijkbaar met een geneesheer en kwakzalver. In dit geval iemand die uit het ochtendwater kon opmaken welke ziekte de betreffende persoon onder de leden had en advies gaf of medicijnen verstrekte om de ziekte te genezen. Ook kon de piskijker aan de kleur en geur van de urine van een patiënt opmaken of bijvoorbeeld een vrouw zwanger was of niet. De piskijker was eeuwenlang een thema in de schilderkunst. Te zien is dan hoe een arts bij de patiënt een urinaal omhoog houdt om bij doorvallend licht het water van de zieke te beoordelen.

Het idee achter het piskijken was reeds in de oudheid bekend. Ongeveer 1000 jaar v.Chr. wist men al dat als men simpelweg urine op de grond gooide en er dan insecten op afkwamen, dat dat kon wijzen op iets wat vooral voorkwam bij mensen met steenpuisten. Die ontstaan namelijk vaak bij suikerziekte, een aandoening waarbij glucose in de urine terecht komt. Hippocrates schreef 2400 jaar geleden al dat kleur- en geurveranderingen van urine duidden op koorts.

Een pistonnist was een muzikant. Het is een wat oudere term die vaak wordt gebruikt voor een muzikant die op een piston speelt. Een pistonnist van vroeger is een bespeler van de piston, een koperblaasinstrument dat rond 1815 werd uitgevonden met ventielen (pistons).

De term piston werd vroeger in Nederland en België vaak gebruikt als een synoniem voor de kornet. Hoewel "piston" technisch gezien het Franse woord is voor het zuigerventiel zelf, werd het hele instrument in de volksmond zo genoemd.
De kornet lijkt erg op een trompet, maar is compacter en heeft een meer kegelvormige (conische) buis. Hierdoor klinkt hij zachter en milder dan de scherpere trompet. Een piston is een zuigerventiel. Wanneer je het indrukt, wordt de lucht door een extra bocht in de buis geleid. Hierdoor wordt de totale buislengte groter en de toon lager.

Vroeger was de piston een onmisbaar onderdeel van de muziekcultuur: In de 19e en vroege 20e eeuw was de piston het kerninstrument van de dorpsfanfare. Omdat de pistonventielen sneller en makkelijker te bedienen waren dan de oude kleppensystemen, kon men op de kornet veel snellere en complexere melodieën spelen dan op de vroege trompetten. In de Brassband-wereld is de "piston" nog steeds de absolute leider van de melodie-sectie.

Een pitanciemeester was belast met het beheer der renten e.d. die vermaakt zijn aan geestelijke verenigingen en kloosters, om daaruit pitanciën te bekostigen. Pitanciën zijn traktaties aan nonnen en monniken op de jaargetijden van de schenkers.

Onder pitancie verstaat men het recht om op gezette tijden een deel spijs en drank te mogen genieten, een recht dat de meeste kloosterlingen hebben gekregen. Vaak staat er geschreven zóveel pond pitanciën, maar soms wordt ook de spijs of de drank nauwkeurig omschreven. Deze pitanciën worden in het klooster uitgedeeld door de vrouwen, maar in de mannenkloosters is dit de taak van de pitancier.

Een van de belangrijksten onder de kloosterlingen is wel de pitancie die alle financiën beheert en ervoor zorgt dat er rekening en verantwoording wordt afgelegd. Wellicht zijn er ook die rijkhalzend uitkijken naar de dag waarop de pitanciemeester de laatste stand van zaken bericht, wat altijd met feestelijkheid en eten en drinken gepaard gaat. Zelfs muziek wordt er dan ten gehore gebracht en ook zijn er andere ontspanningen. Het zal echter niemand verbazen dat het hierbij louter gaat om uitspattingen van kloosters en dat deze feestelijkheden en uitbundigheden beslist niet worden gehouden op last van de van de Heer. De meeste dagelijkse bezigheden zien er in de ogen van onze tijd heel wat somberder uit.

Een pittenmaker maakte pitten voor gebruik in lampen en kooktoestellen. Men spreekt ook wel van een kousje. Pitten worden van katoen gedraaid of uit katoendraad vervaardigd.

Een pit is van katoen die door capillaire werking petroleum opzuigt die vervolgens wordt verbrand om verlichting of warmte te geven. Een kousje moet voldoende lengte hebben om de petroleum te bereiken, want het systeem berust op het verbranden van de via de lont opgezogen brandstof.

Het was Benjamin Franklin, die in de 18de eeuw een lamp uitvond met twee, op de juiste afstand van elkaar geplaatste pitten. Dat gaf meer licht dan twee afzonderlijke lampen, omdat de extra warmte die er vrijkwam een intensere vlam afgaf. Ondertussen werd katoen het nieuwe materiaal om pitten van te maken.

Bij een petroleumlamp wordt ter beveiliging een lampenglas om de vlam heen geplaatst. Aan de basis van de pit of het kousje zijn gleuven aanwezig waardoor lucht naar de brandende lont wordt gezogen. Bij een petroleumstel is de pit of het kousje veel breder, deze pit wordt door een gleuf geleid en geeft een brede vlam die de pan, die op het stel is geplaatst, verwarmt.

De petroleumlamp of het petroleumstel heeft een petroleumreservoir waarin het kousje hangt. Daarboven bevindt zich de lamp of het kookgedeelte. Erin bevindt zich een smalle rechtopstaande opening of gleuf, waar het kousje doorheen gevoerd wordt. Dat moet precies passen in de opening. Aan de bovenkant wordt het kousje aangestoken met een lucifer, waarna een gecontroleerde vlam ontstaat. De kous zuigt de petroleum op en verbrandt aan de bovenkant van de gleuf deze brandstof. Aan de opening is een draaiwieltje gekoppeld waardoor de kous omhoog of omlaag gedraaid kan worden. Hoe verder het kousje eruit steekt, hoe harder het gaat branden.

Een plaatsknecht werkte bij een haringrederij en was de persoon die niet alleen het beheer had over de plaats van het bedrijf maar ook de haring in ontvangst moest nemen, opslaan en afleveren.

De haringrederijen waren in de 17e eeuw een voorname welvaartsbron, waarin vele lagen van de bevolking hun brood verdienden. Er werden soms wel voor hfl. 20.000,-- tot hfl 30.000,-- aan haring verhandeld.

Een plakhouder was vroeger een schoolmeester.  De plak is een korte stok met een schijf aan het ene uiteinde, waarmee de meester de kinderen een gevoelige slag op het binnenste van de hand kon geven.

Als een van de eerste landen verbood Nederland al in 1820 lijfstraffen op school.

Niet alle onderwijzers en ouders waren direct overtuigd. Strenge tucht was volgens hen nu eenmaal soms noodzakelijk om een kind te disciplineren en het zijn zonden te laten inzien.

In de 18de eeuw bepaalde de meester of de kinderen 's morgens van acht tot elf uur naar school gingen of van negen tot twaalf. ‘s Middags ging de school om één uur open en om drie uur weer dicht. De meester zat op een verhoging. Dan kon hij iedereen goed zien. Op de lessenaar lag de Bijbel en een psalmboek. En een stelletje ganzenpennen en inkt om mee te schrijven. Verder stonden er een paar tafels met zitbanken. Daar zaten de kinderen aan te schrijven. Een enkele leerling kon rekenen. Dan waren er nog wat lage zitbankjes. Daar zaten de kinderen te lezen. En de allerkleinsten zaten gewoon

In de winter zat de klas vol met kinderen. Dan zaten ze tenminste lekker warm. Maar ze moesten wel zelf turf of brandhout meenemen. Er was niet altijd een 'gemak', een plaats om naar de wc te gaan. Je begrijpt dat het nogal eens stonk in zo'n school. Het belangrijkste lesboek was de Bijbel. De school moest de kinderen opvoeden tot goede christenen. Daarom was het leren lezen erg belangrijk. Want dan kon je de Bijbel lezen. Daarin stonden de tien geboden. Dat waren regels, waarmee je een goed leven moest leiden. Je leerde dat je niet mocht stelen, liegen, vloeken en doden. En dat je je vader en moeder moest eren. Aan de muur hing een ABC-bord. De meester zei de letters voor. De kinderen schreeuwden het na. Het schrijfonderwijs stond op de tweede plaats. Rekenen vond men niet zo belangrijk.

Klappen met de handplak

De klassen waren vaak heel groot, soms zaten er wel 70 kinderen samen in een klas. Je moet dus niet denken dat het stil was in zo'n school. Er was veel lawaai. Want de kinderen lazen hardop. Het werd dan al gauw een janboel. Lastige kinderen werden daarom hard aangepakt. Om de orde te herstellen gebruikte de meester de 'ongeluksvogel'. Dat was een lappen vogel. Die gooide hij dan naar een ondeugende leerling of een leerling, die herrie schopte. De leerling moest de vogel terugbrengen en kreeg dan straf. Met de handplak kreeg hij dan een paar fikse klappen. Ook wie bij het overhoren zijn les niet goed geleerd had, kon een paar tikken met de plak krijgen.

Een strenge schoolmeester had de kinderen goed 'onder de plak'. Een domoor kreeg een bordje omgehangen. Daarop stond: 'Ik ben een ezel'. Of hij kreeg ezelsoren op. Dan kon iedereen zien, hoe dom hij was. Soms werden de leerlingen zo hard gestraft, dat ze niet meer naar school durfden. Toch werden de strenge straffen heel gewoon gevonden in die tijd. Als een kind leerde schrijven, moesten de ouders twee stuivers per week betalen. De leerling moest dan zelf papier en inkt meenemen. Leren rekenen kostte ook twee stuivers. Maar veel ouders konden geen dubbel schoolgeld betalen. Leren rekenen vonden veel ouders daarom niet nodig.

De kinderen gingen niet lang naar school, meestal niet langer dan tot hun tiende, elfde jaar. Het kwam zelden voor dat een leerling twaalf jaar was. In de zomer, als er op het land hard gewerkt moest worden, gingen veel kinderen niet naar school. Ze moesten dan meehelpen. Maar heel veel kinderen gingen nooit naar school. Waarom zou je? Voor de meeste beroepen moest je je handen gebruiken. Je hoefde niet te kunnen lezen of schrijven als je op het land moest werken. En ook niet als je de smid of molenaar moest helpen.

Een plateelbakker vervaardigde platelen (platte schotels of schalen) van aardewerk. De plateelbakkers worden onderscheiden van de gleibakkers, die glanzend wit aardewerk maakten en de tegelbakkers en estrikbakkers, die muur en vloertegels vervaardigden. De kern van het bedrijf bestond uit een of meer ovens in een werkplaats. Verder had men nog andere ruimten in gebruik - droogzolders, pakhuizen, houtschuren, hooizolders, een woonhuis voor de meester-bakker en tenslotte een voor in dat huis gevestigde verkoopruimte.

Men onderscheidde:

  • Ordinair plateelgoed (of faience), dikwijls met eenvoudig schilderwerk
  • Fijn plateelgoed (fayence), waartoe het vermaarde Delftse aardewerk behoorde.

Voor de kleibereiding gebruikten de plateelbakkers (te Delft) 'viererlei aarde': zwarte 'aarde', klei uit Delft en Duitsland en mergel uit Doornik. De kleisoorten werden bewerkt in de aardewasserij, waarvan er in 1742 een zeventiental is gevestigd langs de 'Rotterdamsche Vaart of Schie'. De aardewasser vermengt de kleisoorten met water tot een verdunde massa, waarna dit mengsel vervolgens door een fijne koperen zeef wordt gezuiverd en opgevangen in bakken. Dan laat men de klei drogen en opstijven. Soms ook werd de klei in kleimolens toebereid.

Wanneer de 'aarde die trap van droogte verkreegen heeft, dat ze gesneeden kan worden', sneed de werkman de 'opgestijfde' aarde in vierkante stukken om tenslotte de gewassen aarde met schuiten naar de plateelbakkerijen te vervoeren. Daar werden de brokken in gemetselde putten bewaard en van tijd tot tijd met water overgoten 'om ze gedwee en handelbaar te houden'.

Daarna was het de beurt aan de aardetrappers om aan de slag te gaan. Op de stenen vloer maakten zij een cirkelvormige ca. 1 dm hoge cirkelvormige bedding, vaak van verschillende kleisoorten, die gemengd werden. Met blote voeten werd de klei getreden van buiten naar binnen enz., waarbij zij de ongerechtigheden, mogelijke klonters of 'vreemde deelen', voelden en konden verwijderen. Daarna werd de klei in repen gesneden en weer samen gekneed, zodat ook alle lucht verdween en er geen luchtbubbels in het aardewerk konden ontstaan.

Een platijnmaker maakte slippers. Een platijn is een muil of pantoffel, deels van hout, deels van leer.

Platijnen leken sterk op trippen, maar ze hadden houten zolen waarvan de zijkanten verstevigd waren met ijzeren strips. Stillegangen hadden leren of houten zolen waarin kurk of vilt was verwerkt. Dit maakte het lopen comfortabeler en stiller.

Platijnen waren een soort slippers met een houten zool. Ze werden met een riem over de wreef bevestigd. Ze hadden onder de hiel en de voorvoet een verdikking. Ze zijn waarschijnlijk ontwikkeld in Frankrijk.

In Canter Cremers-v.d. Does, Schoenen (1940) wordt gezegd: Na 1100 draagt men de houten zolen soms apart met een riempje over de schoen of kous. Dit wordt de patin of trip, die de mens beschermen zal tegen de modder van ongeplaveide straten.

In ons land werden ze tussen de 12e en 16e eeuw door de burgerij gedragen. Sinds de 16e eeuw als muil of sandaal.

Een plattelandsheelmeester of platlandicus is een niet meer gebruikte aanduiding voor een genees-, heel- en vroedmeester, die tot in het midden van de negentiende eeuw geneeskunde uitoefende op het Nederlandse platteland. Hij had geen universitaire opleiding, maar was of opgeleid op een klinische school of door een andere platlandicus. Hij verrichtte een breed scala aan medische ingrepen

Naast de plattelands-heelmeester bestonden er in die tijd (vooral in de steden) diverse andere medische beroepen, waaronder de medicinae doctores, chirurgiae doctores, verloskundigen, tandmeesters en oogmeesters. En daarnaast nog een heel scala aan niet erkende kwakzalvers.

Het beroep platlandicus verdween bij het in werking treden van de Wet Uitoefening Geneeskunst in 1865. De professionalisering begon met de organisatie van de geneeskundige zorg door Thorbecke in 1865.

Omdat de bevolking op het platteland moeilijk toegang had tot medicijnen in de stad, hadden de platlandici ook hun eigen apotheek, hoewel ze hiervoor niet een officiële opleiding hadden.

De dokter mocht zich voortaan arts noemen. Hij was steeds beter opgeleid, maar zijn mogelijkheden bleven lange tijd beperkt. De dorpsdokter stond er vaak alleen voor, zonder penicilline, nauwelijks narcose en geen uitgebreid laboratorium. Tegenover infectieziekten als difterie en tuberculose stond hij feitelijk machteloos. Maar ook aan een longontsteking gingen veel mensen gewoon dood. Pas na 1950 kon hij een beroep doen op specialisten en patiënten doorverwijzen naar het ziekenhuis.

Een platzetter werkte bij een drukkerij. Met de hand pakte de handzetter de letters uit de kast en plaatste deze in een zethaak. Deze zethaak diende om de letters in de juiste volgorde op de juiste maat te zetten. Merkwaardig is dat dat kopstaand gebeurde, d.w.z. de zetter ziet de regels op de kop. Als een regel gereed is werd deze in een galei gezet. Een galei is een platte houten of zinken bak met lage randen.

Het omvallen van de letters werd voorkomen door stukken zetlood tegen het zetsel te plaatsen. Was het zetsel klaar dan werd het met een touwtje omwonden en kon er een proef worden gemaakt. Na goedkeuring van de proef kon het zetsel in een vorm worden geplaatst en afgedrukt. De handzetter verrichtte zijn werk staande. Vroeger soms 12 uur of langer.

Een pleegman was een opperman. Een pleegman verzorgde ook het vee (het plegen).

Een pletmolenaar bediende de pletmolen waarin buskruit gemalen (platgedrukt) wordt.

In de aanvang werd in de Nederlanden buskruit in zeer kleine bedrijfjes gemaakt, dikwijls door 1 man, die al het werk zelf met de hand verrichtte en zorgvuldig zijn fabrieksgeheim voor anderen bewaarde. Het buskruit maken werd in de middeleeuwen meer beschouwd als een alchemistisch bedrijf waarvan niet veel goeds te verwachten viel en dat alleen door zonderlingen werd bedreven. Het salpeter, zwavel en houtskool werd in een mortier fijn gemaald tot buskruit. De buskruitmaker gebruikte daarvoor een stamper.

In het begin van de 15de eeuw werd het poeder vermengd met goede wijnazijn of water en de stijve pasta werd gerold in ballen. De ballen werden gedroogd in de zon of in een warme kamer. Dit knolkruit bleek niet alleen aanmerkelijk stabieler te zijn maar ook sneller te verbranden, waardoor een grotere gasdruk werd opgebouwd en het projectiel meer kracht verkreeg als met het meelkruit het geval was. Vanaf het midden van de 15de eeuw ging men ertoe over om de kruitkoek te korrelen en te zeven zodat korrels van vrijwel gelijke afmetingen ontstonden, waardoor de explosiekracht nog aanmerkelijk toenam.

Het is ook in de 15de eeuw dat men de eerste kruitmolens ziet verschijnen. Buskruitmakers maakten gebruik van oliemolens om hun buskruit te malen.

Aan het begin van de 16de eeuw kwam naast de stampmolen ook de pletmolen of kollergang in gebruik voor het fijnmalen van buskruit. Grotere bedrijven die rond die periode zijn gesticht, maakten er gebruik van. De pletmolen was opgebouwd uit een zware, in tappen draaiende verticale houten spil.

Naast de kruitmolen had men verschillende andere gebouwen die in de 17de en vooral in 18de eeuw uitgroeiden tot volwaardige delen van het buskruitbedrijf. De salpeter werd in vele gevallen in het buskruitbedrijf zelf geraffineerd. De salpeter werd menigmaal in ketels gesmolten en afgekoeld. Hiervoor had men warmteketels en kristalliseerbakken nodig. Deze activiteit werd in aparte gebouwen gedaan.

Waaghuis

Om de hoeveelheden van de verschillende buskruitonderdelen juist af te meten werd het waaghuis gebruikt. In het waaghuis stonden grote weegschalen opgesteld voor het afwegen van salpeter, zwavel en houtskool.

De buskruitbestanddelen werden dan in 1 operatie fijn gemaald en met de toevoeging van water tot pasta verwerkt en daarna geplet tot kruitkoek. Deze kruitkoeken werden in het korrelhuis verder behandeld. De koeken werden in korreltrommels gekorreld. Door een eenvoudige constructie was het voor een arbeider mogelijk 3 zeven tegelijkertijd te bedienen met als resultaat dat hij per dag zo’n 300 pond kruitkoek kon korrelen. Een groot gedeelte, zo’n 40 % bestond echter uit meelkruit en te harde stukken kruitkoek die dan opnieuw in de stamp- of pletmolen moesten worden bewerkt.

Daarna werden de kruitkorrels gedroogd. De oudste en veiligste methode hiervoor was het drogen in de buitenlucht. Om een te geforceerde droging en het wegwaaien van het kruit te voorkomen gebeurde dit in een van 3 zijden afgesloten ruimte die voorzien was van een lichte en luchtige kapconstructie. Behalve het drogen in de buitenlucht ging men halverwege de 18de eeuw ook gebruik maken van z.g. drooghuizen. Deze drooghuizen bestonden uit lange houten kamers die aan 1 kant of aan weerskanten een serie ramen hadden. Het kruit werd op houten bladen uitgespreid die vervolgens op rekken werden gestapeld waarna het kruit in 4 à 5 dagen voldoende was gedroogd.

Een pletsvolder (pletsvoller) zorgde ervoor dat weefsels werden ontvet door erop te slaan. Plets is een wollen stof uit Schotland wat veel werd gebruikt voor kleding voor militairen.

Een pluimenmaker versierde en maakte allerlei producten van vogelveren

Een pluimgraaf was een historische functionaris in de Lage Landen, die in een pluimgraafschap namens de landsheer was belast met toezicht op- en handhaving van het feodale pluimgraafsrecht, waaronder het zwanenrecht en duivenrecht. Weliswaar was het een zeer aanzienlijk beroep dat van oudsher voornamelijk door edellieden werd uitgeoefend, het betrof niet een adellijke titel zoals burggraaf of markgraaf.

Het houden en (laten) vervoeren van zwanen, duiven en ander pluimvee mocht alleen met toestemming van de pluimgraaf, die belast was met toezicht op- en handhaving van het zogeheten pluimgraafsrecht. Daaronder vielen het zwanenrecht, waaronder de zwanendrift, en het duivenrecht, waaronder de duivenslag. Vergelijkbare rechten golden ook voor bijvoorbeeld fazanten en parelhoenders. Behalve landsheren en door hun begunstigde edellieden, konden ook steden en dorpen door aankoop van ambachtsheerlijkheden het pluimgraafsrecht verkrijgen en dientengevolge ook de pluimgraaf aanstellen.

De functie van pluimgraaf was vaak een aantrekkelijke (bij-)baan voor edellieden en later ook leden van de hoge burgerij, die er goede inkomsten uit verkregen, waarvan zij een deel aan hun landsheer moesten afstaan.

Een pokmeester (pockmeester, pokkenmeester) waren kwakzalvers die zieken 'behandelden'. Tegen het eind van de 15e eeuw zou de geslachtsziekte syfilis zich voor het eerst in Europa hebben gemanifesteerd. De eerste gevallen in ons land worden vermeld in de chronieken van Johan Reijgersbergen over de geschiedenis van Zeeland die van Van Beverswijk en over Dordrecht. In 1496 viel een Spaanse vloot van 135 schepen de haven van Arnemuiden binnen en 24.000 Spaanse soldaten brachten de winter door op Walcheren, waarvan velen stierven aan wat men toen de Spaense Pocken noemde. Dit zou het begin zijn.

De personen, meestal leken, die deze ziekte behandelden, kregen al spoedig de naam Pockmeester. Aangezien de kerk een zorgvuldige bestudering van de ziekte en van eventuele voorbehoedsmiddelen tegenging, waren het vele jaren hoofdzakelijk kwakzalvers, die allerlei middeltjes aangaven en verspreidden om een besmetting te voorkomen.

Die pokmeesters hadden meestal al snel een zeer winstgevende praktijk. Dit werd in de hand gewerkt omdat de artsen en chirurgijns het veelal beneden hun waardigheid vonden, lijders aan “vuile ziekten” te helpen.

In vele plaatsen werden de pokmeesters ook nog beschermd. Bleek iemand in het genezen van de “pocken” een zekere vaardigheid te hebben dan werd hem vergund zich in het openbaar door middel van een uithangbord bekend te maken.

Oppassende burgers moeten niets hebben van de 'vuyle ziekte' (syfilis). Een handwerksman die vanwege een geslachtsziekte niet meer kon werken, kreeg geen financiële steun van zijn gilde. Op de VOC-schepen werden matrozen met geslachtsziekten niet behandeld.

De po(c)kmeester die de geslachtsziekten behandelde scheef meestal een kwikbehandeling voor, waarvan de patiënt ging kwijlen:

Dat het Quick-silver een bysondere kracht heeft om het slijm na den mont en keel toe te drijven, zo dat het oock van buyten gestreken zijnde, doet quijlen en de Tanden los maeckt gelijck de Pockmeesters wel bekent is”.

Met het ontstaan van de windwatermolens ontstond ook het ambt van poldermeester. Dit was een functionaris die aan het gezag van het hoogheemraadschap was onderworpen. Hij kreeg het beheer over de molens in de polder en oefende met enkele ingelanden de polderschouw uit. Verder inde hij de omslag, regelde het onderhoud, betaalde de rekeningen en legde aan de ingelanden verantwoording af over het gevoerde beleid. De wijze van verkiezing van poldermeester verschilde van polder tot polder. In veel polders rouleerde de functie onder de boeren, in vaste volgorde van de boerderijen. Soms werden boeren die niet konden rekenen en schrijven overgeslagen. Soms ook verrichte de dorpssecretaris het schrijfwerk tegen vergoeding. Het bestuur met poldermeesters en ingelanden bleef tot in de Franse tijd in stand..

Polderwerker was de beroepsnaam voor iedereen die werkzaam was bij aanleg en onderhoud van publieke werken, zoals kanalen, dijken, droogmakerijen, spoorwegen enz., vaak met honderden, soms met duizenden. Dit beroep was hard en zwaar, maar de besten verdienden in het seizoen het dubbele van andere arbeiders.

Al in de middeleeuwen worden zij vermeld en hun werk bleef niet tot Nederland beperkt. Groot belang verwierven zij in de 19e eeuw toen de grote publieke werken in Nederland tot stand kwamen. Denk aan de aanleg van het Noordhollands kanaal, de grote inpolderingen, de aanleg van de Spoorwegen.

In de literatuur komen steeds de erbarmelijke omstandigheden terug waaronder zij leefden en werkten. De huisvesting was altijd tijdelijk en bestond op zijn best uit keten. Hun leefomgeving was altijd nat en modderig. Sociale contacten bleven beperkt tot hun eigen groepen; de plaatselijke bevolking stelde hun aanwezigheid niet op prijs en zij zijn lang van elke geneeskundige verzorging verstoken gebleven.

De negentiende-eeuwse polderwerkers werkten over het algemeen in groepen die bestonden uit plaats- of buurtgenoten. Een ploeg- of putbaas, onderhandelde met de aannemer over de arbeidsvoorwaarden en ontving ook het geld van de lonen van zijn ploeg. Meestal ging de verdeling er wel eerlijk aan toe maar de ploegbaas betaalde dikwijls uit in cafés en streek van de kastelein zijn percenten van de vertering op.

Polderwerkers waren over het algemeen rauwe bonken, om het andere woord een vloek, het café als enig vertier. Hun komst was dikwijls een overval voor de plaatselijke bevolking. De middenstand profiteerde natuurlijk en ook landeigenaren, op wiens percelen de keten werden geplaatst, voeren er wel bij maar verder werden de polderwerkers met de nek aangekeken. En als de uitbetaling van loon, om welke reden dan ook, niet op tijd was, waren roof en plundering een methode om te krijgen waarop men recht meende te hebben. Overheden kenden dit gevaar en hadden er baat bij dat aannemers de verplichtingen jegens de polderwerkers nakwamen; zo was er toch enig toezicht op de organisatie.

Er werd gewerkt vanaf het eerste daglicht tot het weer donker werd voor lonen die dikwijls twee maal boven het normale niveau van een toenmalige handarbeider lagen maar toch niet meer koopkracht betekende want hij werkte slechts gedurende het seizoen. Bovendien was zijn huisvesting niet gratis en had hij dikwijls vrouw en kinderen en moest dus een huis voor hen aanhouden in zijn eigen woonplaats.

Ze werden in daghuur aangenomen. Aan het eind werden de meesten werkloos en trokken dan naar hun gezin in de hoop af en toe nog iets extra’s te kunnen verdienen. De polderwerkers die van elders kwamen, woonden meestal in keten waar de vrouw van de ploegbaas voor de inwendige mens zorgde. Vaak deed ze ook de was en zonodig stopte ze. Na 1890 zijn de grote werken voorbij en neemt de vraag naar polderwerkers sterk af. Ook de mechanisatie doet zijn intrede.

Een polsdrager was een jongeman en jachthulp die voor een jager een polsstok draagt, waarmee men over slootjes springt. Hij was ook meestal de drager van de geschoten dieren.  Een polsstok is een stok die gebruikt wordt om over sloten te springen. De eerste polsstok werd uit hout gemaakt. De polsstok werd rond het jaar 1200 in grote delen van Nederland gebruikt bij de jacht en om van het ene naar het andere dorp te reizen. Als jager was je beduidend hoger in stand dan de polsdrager. De polsdrager droeg de lange polsstok, want dat was te lastig en te min voor de jager. Die moest het wild in de gaten houden. Hij moest overigens wel zelf over de sloot springen met de polsstok.

Nicolaas Beets beschrijft in de Camera Obscura de relatie tussen jager en Polsdrager. De jager en de polsdrager': Arie, de jager, gaat met Piet, zijn `polsdrager', op jacht.

De pom-pommaker was gespecialiseerd waren in het maken van pompons. Een pom-pom is een decoratieve bal of plukje vezelig materiaal. De term kan verwijzen naar grote plukjes die door cheerleaders worden gebruikt, of een kleine, strakkere bal die aan de bovenkant van een hoed is bevestigd, ook wel een bobbel of toorie genoemd.

Kleine pom-poms kunnen worden gebruikt om hoeden te versieren sokken, jurken met franjes en andere soorten kleding. Sommige traditionele kledingstukken zijn voorzien van veel kleine pompons (of kwastjes). Verschillende traditionele kostuums omvatten sjaals met kleine pompons die vaak in grote aantallen zijn bevestigd. Deze worden als hoofddoek gedragen of om het bovenlichaam gehangen.

  • Rode pom-poms vormen een opvallend onderdeel van het uniform van Frans marinepersoneel en worden op de kroon van hun ronde matrozenpetten genaaid. Zelfs vandaag de dag dragen sommige zeelieden nog steeds bobbels op hun hoed. Bij de Franse marine is hij nog steeds te zien op enkele parade-uniformen. Het zou een dag lang geluk moeten brengen als het je lukt om de pompon aan te raken - zonder dat de drager het merkt. Als een vrouw echter betrapt wordt, moet ze buigen voor de traditie en de drager kussen.
  • Belgische matrozen dragen een lichtblauwe versie.
  • Traditionele Italiaanse trouwschoenen hebben kleine pompons, net als sommige Turkse dansschoenen.

In het Middellandse Zeegebied maakt een zwarte hoofddoek met veters deel uit van de gewoonte, die meestal door vrouwen wordt gedragen. De kleine pompons of kwastjes symboliseren tranen voor overleden familieleden, waarbij voor elk overleden lid van de uitgebreide familie een nieuwe wordt genaaid.

Een pondegoedkoper (pondegoedraper, man/vrouw), was iemand die handelde in vodden en afvalmateriaal wat per gewicht werd verkocht.

Een pondgaarder was een persoon die de producten van de boer, graan enz., voor hem verkoop en daarvoor provisie ontvangt.

De oudste ordonnantie op het gilde dagtekent van 1632. Het ambt was in een handelsplaats als Rotterdam natuurlijk veel ouder, zo oud als het handelsverkeer, het "gastrecht", waarmee het zo nauw samenhing. Het was in het leven geroepen door de behoefte aan op het punt van getuigen geloofwaardige tussenpersonen, met ambtelijk gezag bekleed, die werkzaam waren bij het tot stand brengen van handelstransacties.

Zij waren verplicht de koopman, die de eerste godspenning of order gegeven had, getrouwelijk te dienen. Voorts was hen de verplichting van geheimhouding betreffende de hen gegeven orders opgelegd en moesten zij "goed en pertinent" register houden en daarin optekenen de namen van kopers en verkopers, het tijdstip van de overeenkomst, de kwaliteit en kwantiteit van de koopwaar en de verkoopconditiën.

Pondgaarders waren bovendien gehouden een graanmonster te bewaren. Eigen handel was hen niet toegestaan. Dit is een punt waarop bijzonder de nadruk werd gelegd. Overtrad een pondgaarder dit verbod, dan verbeurde hij voor de eerste maal f 25,- en voor de tweede maal f 50,-, met verlies van burgerschap en arbitrale correctie door schepenen. Ongevraagd mochten zij hun diensten niet aanbieden; ook mochten zij niet naar de schepen gaan buiten uitdrukkelijke opdracht en nadat deze het anker hadden laten vallen, tenzij het betrof "orangieappelen, limoenen, castaniën ende dierghelijcke bederffelijcke waren". Het loon werd berekend naar een courtagetarief.

Er waren drie hoofdlieden, die de overtredingen bij het stadsbestuur moesten aanbrengen en er vooral op moesten letten dat niemand buiten admissie het ambt uitoefende. Toch kwam dit laatste, de pondgaarders gelast om een van het stadswapen voorzien stokje bij zich te dragen, terwijl de kooplieden verboden werd contracten af te sluiten met lieden, die dit stokje niet konden vertonen. De getuigenis van twee gildebroeders zou als voldoende bewijs van het feit ten laste der "bijloopers" worden aanvaard; de bewijslast rustte op de schuldige. De makelaar, die een "bijlooper" betrapte, zou het door deze verdiende loon bij wijze van premie ontvangen.

De ponstypiste was doorgaans een vrouw en zij  ‘typte’  de ponskaarten.

Want wat is dan de ponskaart? “Gedurende de 20ste eeuw zijn ponskaarten algemeen gebruikt om informatie op te slaan die machinaal gelezen moet kunnen worden bijvoorbeeld door mechanische of elektromechanische rekenmachines en later door computers. Computerprogramma’s werden als stapels ponskaarten bewaard in de tijd dat er voor computers nog geen grote en snelle massageheugens anders dan magneetbanden waren.” Tot in 1981 waren er nog acceptgiro en overschrijvingskaarten in gebruik waarin het rekeningnummer van de klant vooraf stond ingeponst. Het lijkt hopeloos ouderwets, hoewel allemaal niet zo heel erg lang geleden.

De ponskamer was een essentiële schakel voor de mechanisering en de automatisering. De ponskamer zette deze gegevens met behulp van ponskaartmachines dan op ponskaarten of middels ponsbandmachines op ponsbanden. De typistes waren op schrijfmachines aan het tikken. Elke schrijfmachine was gekoppeld aan een apparaat dat naast de typistes geplaatst was en waar gelijktijdig de ponskaart werd gemaakt. Met deze ponskaarten kunnen weer nota's en kwitanties worden gemaakt.

Vanaf de jaren 1960 werden computerprogramma's of gegevens op ponskaarten opgeslagen. Zelfs nadat de moderne computers al hun intrede hadden gedaan was de ponskaart nog lang door gebruikt, bijvoorbeeld als acceptgirokaart waar het nummer van de rekeninghouder al was ingeponst. Pas in de jaren 80 raakt de ponskaart in onbruik.

De ponskaart was erg storingsgevoelig. Een omgevouwen hoek of een beschadigd of verkeerd gaatje kon de boel in de war gooien.

Een poortschrijver was een ambtenaar van de accijnzen werkzaam aan een stadspoort. De poortschrijvers moesten alle vrachten controleren die de stad in en uit gingen en of men van behoorlijke vervoersbrieven was voorzien. Belangrijk was ook na te gaan of er wel accijns was betaald op bier en jenever. Belasting was voor de magistraat van de steden in die tijd ook de belangrijkste bron van inkomsten. Dat er nogal wat gesmokkeld werd blijkt uit de vele stukken die in het archief te vinden zijn. De poortschrijver die zijn werk plichtsgetrouw uitvoerde zal zeker niet de vriend geweest zijn van de smokkelaar.

Omdat men het in de eedaflegging ook over vracht op schepen heeft, kan men ervan uitgaan dat op elke plaats waar men de stad in of uit kon gaan een poortschrijver was. De poortschrijver was actief op de uren dal de poort open was. Het hele jaar door werden de poorten 's avonds gesloten en in de morgen weer geopend. Van oudsher werden de steden beschermd tegen vijanden door stadwallen. Deze wallen mochten pas dan worden opgetrokken wanneer de stad van de landheer stadsrechten had verkregen. In deze ommuring waren waltorens en stadspoorten opgenomen.

Een  poppendokter is iemand die zich beroepsmatig of uit passie bezighoudt met het repareren of restaureren van poppen en knuffels. Voornamelijk poppen van celluloid, porselein, was, hout en stof worden gerepareerd.

Het beroep ontstond halverwege de 19e eeuw toen poppen met gevoelige was of porseleinen koppen wijdverspreid raakten. In Nederland waren pruikenmakers tot in de 20e eeuw vaak ook verantwoordelijk voor reparaties aan poppen. Dit was voornamelijk te wijten aan het feit dat poppen pruiken van echt haar hadden.

Of het nu gaat om knuffels, speelgoed of verzamelobjecten: teddyberen en poppen zijn niet alleen geliefd bij kinderen. En als het schade oploopt, als er een been breekt of een glazen oog ontbreekt, is het handig om een ​​teddy- of poppendokter in de buurt te hebben. Er hebben zich veel van dergelijke werkplaatsen gevestigd, poppen- en teddydokter is geen erkend beroep. Het zijn overigens niet alleen kostbare porseleinen poppen of beren de poppendokter worden gemaakt, soms heeft zelfs een gewone teddybeer hulp nodig - omdat een kind er zo aan gehecht is dat het onmogelijk in een doos kan verdwijnen. Naar de dokter gaan, die praktisch altijd een pop of teddybeer kan redden, heeft ook een leerzaam effect : het neemt de angst van kinderen voor de echte dokter weg.

Een porder maakte vroeger de mensen wakker. Vroeger werd men gewoon wakker als de zon opkwam. Later, met name in de Middeleeuwen, werden hiervoor kerkklokken gebruikt. Toen er fabrieken opkwamen, bleek het voor arbeiders lucratief om ‘porders’ in te schakelen en te betalen. Ze hadden het loon uit de fabriek nodig om te kunnen overleven en eten voor henzelf en het gezin te kopen. Soms schakelden fabriekseigenaren ook zelf porders in. Een arbeider die zich versliep en/of niet kwam opdagen, kostte namelijk meer.

De porder ‘porde’ met een stok tegen de deur of het slaapkamerraam zodat je wakker werd. Soms gebruikte de porder een blaaspijp om steentjes of erwten tegen je raam te schieten. Af en toe had de porder ook de huissleutels van degene die letterlijk uit zijn bed gepord moest worden. De porder zelf moest soms ook wakker gepord worden door een andere collega. Vaak had een porder zijn eigen wijk met 30 tot 100 klanten die tussen vijf en zes uur gewekt moesten worden. Soms werd dit zo hard gedaan dat het geluid door heel de straat te horen was.

Een postconducteur zorgde voor de postzakken bij de Spoorwegen. Brievenmalen zijn van oorsprong postzakken met brieven, die van de ene naar de andere plaats werden vervoerd. Voordat de spoorwegen in gebruik kwamen gebeurde dat o.a. per bode, postkoets, diligence of per schip/trekschuit. Als in 1839 de eerste spoorlijn wordt geopend is in de concessievoorwaarden van de Hollandse IJzeren Spoorwegmaatschappij de bepaling opgenomen dat er op aanvraag van de postdirecteuren brieven moeten worden meegenomen als er een (tijdelijk) geen andere mogelijkheden zijn.

De eerste vijf jaar wordt hiervan geen gebruikgemaakt, maar in 1844 gaan expeditiebedrijven met kantoren op verschillende locaties in de grote steden brieven ter verzending in ontvangst nemen en worden dan veelal in koffers in treinen meegenomen. Met de postwet van 1850 komt hier een einde aan. Er wordt dan een regeling getroffen voor het verzenden van losse brieven per trein. Afgegeven aan het station worden ze door de conducteur meegenomen de trein in, waar ze in het postrijtuig door de conducteur der brievenmalen gesorteerd

De voorloper van de ‘postconducteur’ kennen we uit de boeken als ‘conducteur der brievenmalen’. Brievenmalen zijn oorspronkelijk postzakken met brieven die werden getransporteerd. Niet alleen met de bode, maar ook per diligence, trekschuit, schip of postkoets. De post werd in eerste instantie door de conducteur in ontvangst genomen. Later werden de postzakken ingeladen en opgeslagen in de ‘Rijkspostrijtuigen’. De spoorwegmaatschappijen waren verplicht deze brieven gratis te vervoeren. Tijdens de rit, het zogenaamde ‘werkend vervoer’ werden de poststukken door medewerkers van de PTT gesorteerd, klaargemaakt en afgestempeld voor het station van aankomst. Ze kregen een zogenaamd doorgangsstempel dat de plaats van afzending en bestemming aangaf.

Bij de opkomst van de trein worden omstreeks 1844 steeds vaker brieven in koffers met treinen meegegeven en langzaam maar zeker komen er zelfs ook rijdende postkantoren. In ons land werd treinpost ingevoerd in 1855.

In 1875 werd deze vorm van postvervoer voor het eerst aangeduid als treinpost; voor die tijd spraken ze onder andere over een post-expeditiebureau of een treinbureau. Niet met loketten en dergelijke maar gesloten wagons  waar al rijdende de post werd verwerkt en regelmatig ook grote sommen geld van de ene naar de andere plaatse werden overgebracht.

Treinpostdiensten zijn officiële diensten voor het verzenden en verwerken van post in treinen. Dikwijls was het ook mogelijk om brieven aan stationsloketten af te geven, die dan door de treinen die op dat station stopten, werden meegenomen. Het postkantoortje aan boord van een treinstel was ondergebracht in een apart postrijtuig. De conducteur die daar de scepter zwaaide, werd in het verleden aangeduid als de conducteur der brievenmalen.

Een postiljon was een koerier of postbode die de post vervoerde te voet of te paard, later met een postwagen.

Een postmeester was oorspronkelijk de naam voor de door de stedelijke overheid aangestelde beheerder van een postkantoor. Meestal beheerden de stedelijke magistraat de posterijen niet zelf, maar droeg die over aan de postmeester. Amsterdam telde er zeven, ieder met een jaarlijks inkomen van 6 à 7000 gulden. Bij de benoeming in de grote steden werd derhalve slechts gelet op de familieverhoudingen en allerminst op de bekwaamheden van de begunstigde.

De postbezorging is niet altijd zo georganiseerd geweest als vandaag de dag. Eertijds hadden de rijken en instellingen, zoals de diverse gilden, hun eigen bode in dienst. Ook de steden stelden hun eigen stadsbode aan. Deze kon zich als zodanig kenbaar maken door zich te legitimeren met een zogenaamde bodebus. Dit was een schildvormig insigne met daarop een afbeelding van het stadswapen. Deze bodes waren gelegenheidsbodes en bezorgden pas dan wanneer er aanbod was. Dus werkten ze niet volgens een bepaald schema.

Zij hadden het niet makkelijk, want de bezorging gebeurde vaak te voet en voerde hen door weer en wind over slecht begaanbare wegen. Ook was er het risico onderweg overvallen en beroofd te worden.

Toen na de Tachtigjarige Oorlog de handel opbloeide nam het briefverkeer enorm toe. De lopende bode werd langzaam maar zeker verdrongen door de postiljon te paard. Dit waren dikwijls voormalige soldaten.

In de tweede helft van de zeventiende eeuw was de postbezorging al redelijk georganiseerd en ontstond de behoefte aan de functie van postmeester. De postmeester stond hoog in aanzien en deed geen veldwerk maar verrichtte de werkzaamheden vanuit zijn kantoor. Die werkzaamheden bestonden uit het aansturen van de bodes en het verdelen van de binnengekomen post. Een postmeester had het recht een posthoorn te voeren. Zijn postiljons gebruikten dit recht tijdens de rit. Vaak was de benoeming van postmeesters een kwestie van vriendjespolitiek.

Een potasbrander werkte in de textielindustrie. Potas is de oude naam voor kalium-carbonaat of koolzure kali, dat aanvankelijk uit hout- of plantenas werd gebrand, geloogd en in zuivere toestand in potten werd bewaard.

Weedas of weedasch is een zekere as-soort, die voornamelijk bij het blauw verven van weefsels werd gebruikt, om in de weedekuip de alkalische stof te leveren die nodig is om de weedekleurstof via een chemische reactie als verfstof werkzaam te maken. Weedas werd ook nog bij andere scheikundige processen gebruikt, o.a. in de zeepziederij, bij het bleken van linnen en in de glasnijverheid.

Potas werd gebrand uit wede. Hoewel de meeste potas werd verkregen door het branden en logen van vooral eikehout, gebruikte men aanvankelijk ook wede, planten van een thans zeer zeldzaam geslacht. Potas werd gebruikt door de blekerijen, vooral die ten behoeve der zeildoekfabricage.

Potas wordt bereid uit een mengsel van houtas en heet water, dat na verdamping een wit poeder oplevert, dat o.m. gebruikt wordt door blekers, blauwververs en buispoedermakers.

In 1915 had Duitsland nog bijna de gehele industrie van potas in handen.

Gezuiverde potas lijkt op een fijn kristallijn poeder, wit. In zijn ruwe vorm heeft het een enigszins roodachtige tint vanwege de aanwezigheid van onzuiverheden. Perfect oplosbaar in water, niet in staat om op te lossen in ethanol. Een waterige oplossing van potas heeft een uitgesproken bacteriedodende werking en hoe hoger de temperatuur, hoe sterker het antimicrobiële effect. Het smeltpunt van kaliumcarbonaat is 891 graden. Vanwege de alkalische eigenschappen, gebruikten de oude Romeinen kalium voor het wassen van kleding. Wanneer het reageert met water, vormt het een alkalisch medium dat in staat is om vetten op te lossen en vlekken te verwijderen. De alkalische aard van potas maakt het gebruik in de zeepindustrie, evenals voor desinfectie mogelijk.

Een prentmaker (prentdrukker) was een vervaardiger van prenten op papier. De tekenaar, schilder, prenthandelaar en prentmaker Abraham Rademaker bijv. heeft een groot oeuvre van tekeningen en prenten nagelaten. Het grootste deel daarvan heeft topografie als onderwerp, een kleiner deel is landschappelijk of arcadisch van aard. Zijn werk werd vooral in de achttiende eeuw zeer gewaardeerd.

Een andere bekende prentmaker was Hendrik Goltzius. Hij heeft vele prenten vervaardigd waarin hij de werkwijze van verschillende meesters imiteerde. Als een bepaald onderwerp de mensen aansprak zag men in het algemeen er geen been in om een soortgelijk item te produceren.

Drukker, gespecialiseerd in het drukken van prenten van allerlei aard, o.a. in samenwerking met een prentenkleurder, die de gedrukte prenten inkleurde en de prentensnijder/snijdsters, die ze uitsneedt. Deze prenten konden van allerlei aard zijn, bijv. centsprenten, prenten voor bruiloften, zinneprenten, afdrukken van houtsnedes.

Een presentmeester was een stadsambtenaar belast met het kopen van geschenken (en het beheer van het fonds daarvoor), die door een stad aan vorsten en andere hoogwaardigheidsbekleders gegeven werden. Hij ontmoette de belangrijke relaties van de stad persoonlijk en was dus een prestigieus figuur.

De wijn werd aangeboden in grote tinnen kannen die 55,5 tot 57,5 cm hoog waren, de diameter was 21,5 à 22 cm en er kon ongeveer 5,3 liter in een kan. De kannen waren versierd met het stadswapen. De lege kannen werden terugbezorgd aan de stad.

De presentmeester moest nauwkeurig bijhouden welke geschenken hij uitdeelde en aan wie en bracht hierover regelmatig verslag uit bij de tresorier van de stad. De presentmeester zal meestal een vermogend figuur geweest zijn, want hij moest waarschijnlijk de geschenken en de wijn die hij schonk, zelf betalen en werd dan op het einde van het jaar hiervoor vergoed.

Een presmeester (prestmeester) verzorgde in oorlogstijd voor de goederen en dwong personen in dienst te gaan bij het leger of de vloot.

Het was ook een stalhouder die aangesteld was door de stad om toezicht te houden op de paardenstallen (in Groningen).

Een priseerder was een prijzer/waardeerder/schatter van het vleescomptoir. Veelal was hij schatter van het beestiaal (levend vee). In een akte uit 1652 heb ik gevonden:

Claes Besemer, beenhacker en priseerder van het beestiael, verklaart op verzoek van Pieter Lievensz Walop, pachter van het beestiael, dat hij met Nijs Aeryensz-diens medestander- in de stal van Joost den Ridder, beenhacker, is geweest en toen heeft gezien dat deze een schaap slachtte. Bij controle bij Coenraet Jansz, pachter van het beestiael van statenwege, bleek er hiervan geen aangifte in de boeken te zijn gedaan.

Als ambt bij de dienst van verschillende belastingen.

Ook kent men variaties als rijkspriseerder, bijschatter (iemand die een schatter bijstaat) en tegenschatter (die bij herziening voor de belastingschuldige optreden).

Het beestiaal, geslacht of slaggeld was een belasting die door de overheid geheven werd op het slachten van vee.

Voordat het vee geslacht mocht worden, moest de eigenaar daarvan aangifte doen bij de collecteur (inner) van die belasting, die vervolgens het te slachten beest taxeerde, de belasting in de en een vrijgeleidebiljet afgaf. De taxatie mocht ook geschieden door de schepen uit het eigen gehucht. Buitendorpse slagers mochten niet met vlees langs de deuren leuren zonder dat ze de impost betaald en een geleidebiljet gekregen had.

Rond 1780 bracht de impost op het bestiaal in Deurne zo'n 300 gulden per jaar op.

Een proefmeester was iemand die voor een gilde vakexamens afneemt. Nieuwe gildenleden dienden een meesterproef in te leveren waaruit de bekwaamheid van de betrokkene bleek. Bij eerder ingeschreven gildenleden controleerde de proefmeester de handhaving van de binnen het gilde overeengekomen kwaliteit.

Over het aantal proefmeesters en hun precieze functie is niet veel bekend. Wel is bekend dat sommige gilden konden beschikken over meerdere proefmeesters. Na een gedegen opleiding kon een leerling erkend worden als vakman met de titel gezel en uiteindelijk de titel meester verkrijgen na het doen van de gilde- of meesterproef.

De meesterproef was een werkstuk dat door een ambachtsman werd vervaardigd met het doel als meester lid te kunnen worden van een gilde.

Voor het eerst is sprake van de meesterproef in de 16e eeuw bij de goudsmeden, zilversmeden en tingieters. Vanuit de vroedschappen werd vaak bij de gilden aangedrongen op het instellen van meesterproeven voor deze beroepsgroepen om geknoei met gebruikte grondstoffen tegen te gaan en de kwaliteit van het eindproduct zo zeker mogelijk te stellen.

Overigens bestonden reeds in de 14e eeuw richtlijnen ten aanzien van het te gebruiken materiaal. De minste kwaliteit goud die verwerkt mocht worden, het zogenoemde toetsgout, werd op 18 karaat bepaald. Als waarborg voor deze kwaliteit werd het merken van al het werk van de goud- en zilversmeden verplicht gesteld. Dit merken moest zowel door de edelsmid zelf (het meesterteken), als door de waardijn of proefmeester, een speciaal daartoe aangestelde stedelijke keurmeester, worden gedaan. In de branche bestonden nog tal van andere bepalingen, zoals het verbod om zilver te smelten anders dan met open deuren, zodat iedereen het kon zien, en het verbod op vergulding van voorwerpen van lood, ijzer en koper. Ook was het verboden edelstenen te zetten in koper of valse stenen in goud.

In de loop van de 17e eeuw worden meesterproeven ingevoerd voor bijna alle andere belangrijke ambachten. Deze uitbreiding is vooral ingegeven door protectionistische motieven, want hadden eigenlijk geen ander doel dan handelaren van buiten de stad of uit het buitenland de voet dwars te zetten. In de stad mochten immers alleen producten worden verkocht die voorzien waren van merktekens. De meesterproef is blijven bestaan tot de opheffing van de gilden in 1798.

Een prooslezer was degene die bij de trekking van een loterij de proosbriefjes voorleest. De vroegste loterijen in de Nederlanden (vanaf 1444) waren naar aanleiding van onder andere verkrijgbare plaatsen op de markt, vrijgekomen stedelijke ambten of in geldnood verkerende kassen van steden of die van andere publieke lichamen. Om deelname aan loterijen aanlokkelijker te maken, was er al snel sprake van een groeiend aantal prijzen en kwam er de keuze tussen de hoofdprijs (bijvoorbeeld een ambt) en een hoofdprijs vervangende geldprijs. De hogere overheid wilde vervolgens een graantje van de loterijwinst meepikken en eenieder moest vanaf dat moment toestemming verkrijgen voordat een loterij kon worden gestart.

Na verkrijging van zo’n octrooi was er vaak sprake van een jarenlange voorbereiding. Een loterijkaart die in zekere zin de loterij verbeeldde, hoorde hierbij. Gewoonlijk bestond zo’n kaart uit drie delen: bovenaan waar de winst heen zou gaan of waar de loterij betrekking op had, in het midden de prijzen, al dan niet afgebeeld, en onderaan de spelregels. De uiteindelijke trekking was altijd een waar festijn. Personeel werd aangetrokken en een podium met daarop twee enorme manden of draaibussen werd opgetrokken. In de ene draaibus kwamen de verkochte loten en in de andere de prijsbriefjes. Dit waren de proosbriefjes, briefjes met een prijs, en tienduizenden tot honderdduizenden blanco briefjes, de zogenaamde ‘nieten’ of nietbriefjes.

Daarna volgde de een-op-een trekking; ieder lot werd getrokken en aansluitend een prijs of een ‘niet’. Dag en nacht ging zo’n trekking voort, weken lang. Zo duurde de trekking van de Leidse Gasthuisloterij van 1596 met ruim 281.000 verkochte loten 53 dagen en nachten veel later, in 1709 vond de eerste zogenaamde Generaliteitsloterij plaats en in 1726 volgde de oprichting van een orgaan onder dezelfde naam als voorloper van de Staatsloterij. Drie eeuwen later bestaat deze nog steeds.

De provoost was in de 16de eeuw een militaire ambtenaar met bevoegdheid van regimentspolitie, zowel bij land- als zeemacht. Zijn taak was het om in zijn regiment het uitvoeren en inhouden van de veldverordening onder de landsknechten, alsook het voltrekken van disciplinaire strafmaatregelen. Tot tijdens de Dertigjarige Oorlog was de provoost verbonden aan een compagnie of vaandrig. Later was de provoost ook wel de gezaghebber in een gevangenis, of de (onder)officier die op een kazerne of in een garnizoensplaats belast was met de handhaving van orde en tucht.

In sommige regio's was een provoost ook een gerechtelijk ambtenaar, vergelijkbaar met de schout, de ambtman of de baljuw. Op de schepen VOC handhaafde de provoost orde en tucht aan boord. Misdadigers moest hij opsluiten en van water en brood voorzien. Iedere avond sloeg hij met zijn "gerecht" of provooststok op de grote mast om de bemanning op de regels te wijzen. Hij verdiende in 1749   12 guldens per maand en behoorde bij de onderofficieren.

Op 8 oktober 1598 kwam Jan Michielsoon voor de brede raad van de vloot te staan. Hij had tegen alle voorschriften in wijn verzameld door deze wanneer het uitgedeeld werd in zijn mond te houden en bij zijn kooi in een kom te spugen. Toen hij genoeg verzameld had, nam hij de gelegenheid te baat om zich dronken te drinken. Daarna had de provoost, beneveld als hij was, ruzie gezocht met de onderbarbier en deze met zijn provooststok geslagen. Dit was met veel veel vloeken, tieren en zweren gepaard gegaan. Toen commies [koopman] Heemskerk hier iets van zij, heeft hij deze ook gedreigd te slaan.

In zijn straf werd de herkomst van zijn autoriteit vermeld. De straf vond namelijk plaats uit naam en vanwege zijne excellentie Maurits. En, omdat hij zich ontelbare keren aan vloeken en zweren had overgegeven, werd hij als lasteraar en eerloos mens beschouwd. Om dit teniet te doen moest hij blootshoofds op blote knieën en met gevouwen handen tot God en justitie bidden. Daarbij zou de hand waarmee hij de provooststok had misbruikt afgehakt worden en als onwaardig lid weggeworpen worden en daarna zou vanwege het vloeken en zweren een gloeiende priem door zijn tong gestoken worden.

Een puitenslager was iemand die kikvorsen ving en slachtte om kikkerbillen te kunnen verkopen.

Met hele gezinnen trok de puitenslager door de polders op zoek naar kikkers. Met hun wis, een wilgentwijg, sloegen ze de kikkers dood of ze hingen aan de wis een koordje met lokaas om de kikkers te vangen.  Eens de kikkers gevangen sneden de puitenslagers er de puitenbillen van om ze als delicatesse te verkopen.

Het puitenslaan was voornamelijk een bezigheid van arme mensen. Op het einde van de 19de eeuw werd het puitenslaan bij wet verboden, de belangrijkste redenen hiervoor waren dat puitenslagers teveel schade aanrichtten op de velden en dat bij een gebrek aan puiten er minder natuurlijke vijanden waren voor slakken, die op hun beurt soms volledige oogsten vernielden.

Maar hierdoor was het puitenslaan niet verdwenen, de puitenslagers werden door de nieuwe wetgeving stropers. Wanneer ze gepakt werden door de veldwachter riskeerden ze een fikse boete en zelfs een gevangenisstraf. Voor zover ik heb kunnen nagaan heeft deze activiteit nooit in de Hoeksche Waard plaats gevonden.

Een purperhandelaar handelde in purper, een purperrode kleur die in de Griekse oudheid door de Romeinen en de Grieken werd gewonnen uit de klieren van purperslakken. Voor het verkrijgen van één pond verfmassa moeten zo'n 30.000 purperslakken opgedoken worden. Deze leveren samen maar vier gram zuivere kleurstof op. De geverfde stof was dan ook tien tot twintig keer zo duur als een hoeveelheid goud van hetzelfde gewicht.

De schelpen moeten eerst een voor een verbrijzeld worden en moet de klier eruit gehaald worden. Die klier is wit en bevat een kleurloze vloeistof, maar wanneer hij met een laagje zout eromheen (om het vocht op te zuigen) wordt blootgesteld aan zon en lucht, begint hij te oxideren. In ongeveer drie kwartier wordt het materiaal dikker en verandert de kliervloeistof van kleur: van geel naar groen, naar blauw en uiteindelijk paars. Vervolgens worden de klieren schoongespoeld en op een glazen plaat gelegd, uit het directe zonlicht, want daardoor zouden ze in dit stadium zwart worden, wat het kleurend vermogen zou bederven. Eenmaal gedroogd zijn deze klieren tientallen jaren te bewaren voor later gebruik.

De productie van het pure pigment is nog complexer. Daarvoor is een eindeloos proces van schrapen en filteren nodig, waarna het geconcentreerde pigment gedroogd en gemalen kan worden, en tenslotte wordt het fijne poeder zorgvuldig gezuiverd van de allerlaatste achtergebleven stukjes schelp. Na twaalf uur werken heb je nog maar een kwart gram pigment. Ooit was purperpigment 15 keer waardevoller dan goud.

 Voor de rijksten

Met 1 gram kun je 10 tot 15 gram textiel verven (de mouw van een overhemd). Koninklijke mantels in de oudheid waren nooit helemaal paars, ze hadden alleen paarse randen en strepen. Hoe rijker de eigenaar, hoe breder die paarse strepen, want die kleur was alleen betaalbaar voor de rijksten en machtigsten. In het Romeinse Rijk onderscheidden de senatoren en andere ambtsdragers zich door het aantal purperen stroken op hun toga. Julius Caesar was de eerste die zich als teken van zijn oppergezag in een volledig purperen toga hulde.

Hoewel de kleurstof al in 1903 gesynthetiseerd werd is er geen of zeer weinig industriële productie.

Het beroep van putjesschepper (strontschepper) was verre van hygiënisch, maar wel essentieel voor de reiniging van de straten.

Een putjesschepper leegde de beerputten op straat, die vol zaten met menselijke ontlasting. Dit moest met enige regelmaat gebeurden, omdat de beerput uiteraard bijzonder erg stonk. Boven de beerput bevond zich meestal een poepdoos. De urine en de ontlasting kwam via de poepdoos rechtstreeks in de beerput.  Beerputten zijn vandaag de dag verboden.

Waarschijnlijk ontstond het beroep aan het einde van de negentiende eeuw of in de vroege twintigste eeuw, aangezien het woord in 1900 voor het eerst in kranten te vinden was.

De mechanisering vormde, zoals bij de meeste verdwenen beroepen, een bedreiging voor het voortbestaan van het beroep putjesschepper. Rond 1930 verschenen de eerste putzuigmachines in het Amsterdamse straatbeeld. Vanaf toen verdween de putjesschepper langzaamaan van de straat.

Een beerput is een put waarin menselijke uitwerpselen opgevangen worden. Vroeger was boven de put een bankje met een gat aangebracht, de zogenaamde poepdoos. Deze was algemeen in gebruik voordat er waterclosets kwamen en de wc's op een riolering werden aangesloten.

In Europa zijn beerputten tegenwoordig op vele plaatsen verboden. Maar ook in Nederland en België zijn er plaatsen waar er geen riolering is voorzien, en een septische put gebruikt dient te worden. De put moest regelmatig leeggemaakt worden. De inhoud, beer genoemd, werd gebruikt voor het bemesten van het land.

afbeeling op yory

Mis je een beroep in de lijst?

Laat me dit dan weten, bij voorkeur met de beschrijving van het beroep.

Contact
Schrijf mij in voor de nieuwsbrief (iedere 2 maanden)
Bezig met versturen

Vergeten beroepen met de letter P

Wel eens van een paalmeester gehoord, of wat dacht je van een panneboeter? Andere voorbeelden zijn een peurder, pimentier, plateelbakker, piskijker of een piekenier. Sommige beroepen lijken logisch, zoals de polderwerker, maar daar kan je je flink in vergissen. Veel beroepen omvatte meer taken verantwoordelijkheden dan je zou denken, maar het tegenovergestelde kwam ook vaak voor.

Zware omstandigheden

Veel van dit soort oude beroepen komen gelukkig tegenwoordig niet meer voor. Ten eerste omdat ze niet meer functioneel zijn en door de tijd zijn opgeheven. Maar ook omdat de omstandigheden voor arbeiders zo belastend waren, dat zij er vaak ernstige ziektes aan overhielden of zelfs kwamen te overlijden.

Afbeeldingen

Op Yory vind je ook – waar beschikbaar – een begeleidende afbeelding van een oud beroep. Dit kan een prent, tekening of oude foto zijn. Dit soort afbeeldingen geven een goede indruk van de omstandigheden van zo’n beroep in alle jaarseizoenen. De lantaarnopsteker had het in de winter veel zwaarder dan in de zomer. Ook is het interessant hoe een persoon in een bepaald beroep gekleed ging. Zo heette de aapjeskoerier niet voor niets zo, en aan de kleding te zien is het al snel duidelijk waar zij zo werden genoemd.

Lees ook

Download hier gratis de Family Tree Builder
Registers van de Nijmeegse Hulpbank 1870-1928
Word wegwijs in de Duitse archiefterminologie
Protestantse archieven in België
Vergelijk jezelf met Compare-a-Face van FamilySearch
Stamboomonderzoek in het buitenland

Oude en vergeten beroepen van vroeger (P)

Reageer op dit artikel
Opmerkingen over artikel
Schrijf mij in voor de nieuwsbrief (iedere 2 maanden)
Bezig met versturen

Wil je een donatie doen?

Yory is non-profit, maar de kosten zijn zeker € 750 per jaar. Met donaties kan dit platform blijven bestaan.

ZOEK