Oude en vergeten beroepen van vroeger (W)
Een overzicht van alle oude vergeten beroepen van vroeger, op alfabet met de letter W.
Wat was een waagdrager?
Een waagdrager was iemand die o.m. uit de schuiten naar de waag draagt. Ze op de waag plaatst en, nadat ze gewogen zijn, naar een koopman brengt. Waagdragers mogen geen bulkgoederen vervoeren, zoals turf, bier en graan.
In vroeger eeuwen vond de handel grotendeels plaats op markten en in verkoophallen, zoals de lakenhal en de waag. Er werd van overheidswege controle uitgeoefend op de kwaliteit van de aangeboden producten. Wanneer de waren in grotere hoeveelheden werden verhandeld moesten zij vooraf worden gewogen in de stadswaag. Dat veel waaggebouwen aan een gracht liggen is geen toeval; vroeger werden veel goederen per schuit vervoerd en aan de grachtzijde van de waag waren dan ook grote gevelopeningen ten behoeven van het laden en lossen.
Een van de eerste rechten die een stad verkreeg was het recht een waag te exploiteren. Handelswaren boven de tien pond die per gewicht verkocht werden, moesten in de stadswaag worden gewogen. Deze verplichting was ingesteld om sjoemelen tegen te gaan. Immers wanneer de stad zich als marktplaats en handelsstad wilde profileren, moest men ervoor zorgen dat de handel eerlijk verliep. Voor het wegen moest waaggeld betaald worden, een vorm van accijns die de stad een bron van inkomsten opleverde.
Binnen de waag en van de waag moesten de goederen waarvan officiële weging vereist was, van de ene naar de andere plaatst worden gebracht. Dat deed de waagdrager. Hij bracht de goederen van de ene naar de andere plek, woog ze, bracht ze weer terug of sloeg ze op. Waagdragers waren doorgaans verenigd in het waagdragersgilde.
Controleurs
In 1389, toen Amsterdam aan hertog Albrecht gelden geleend had, kreeg zij daarvoor in ruil het privilege op bepaalde goederen accijns te heffen, welke goederen dan in de waag gewogen moesten worden. De waagdragers die daarmee belast waren, moesten uiteraard door de overheid vertrouwd kunnen worden. Zij werden controleurs in dienst van de fiscus en gingen zich verenigen in vemen. In 1616 is de coöperatie van de arbeiders van het Waagdragersgilde in contracten vastgelegd.
Dat waren dus voor deze arbeiders sociale voorzieningen. Daartoe moest iedere arbeider een entreegeld van 30 stuivers en een jaarcontributie van 24 stuivers betalen, waar een weerstandskas uit gevormd werd. De vemen waren coöperatieve verenigingen van 5 tot 9 werklieden. Het veem werd nooit uitgebreid; bij sterfgevallen stelde het veem een lijst van drie vrijheden op, waaruit de burgemeesters een man aanwezen.
De vrijheden waren waagdragers die niet tot een veem behoorden. Sinds 1654 was voor de oprichting van een veem een speciale vergunning nodig. Naarmate Amsterdam rijker werd en meer koopmansgoederen werden aangevoerd, kregen de waagdragers het drukker. Zij konden het werk niet aan en moesten vrijlieden in dienst nemen, die echter, tot hun grote ontevredenheid, een heel wat minder verzekerde sociale positie innamen dan de geprivilegieerde gildenbroeders.
Wat was een waagmeester?
De waagmeester was verantwoordelijk voor het wegen en het innen van weeggelden. Beëdigd stadsweger van koopmansgoederen, die het waaggeld int en de weegbrieven afgeeft. Het recht op een waag was een van de stadsrechten en handelaren werden verplicht producten zoals kaas, boter, landbouwproducten (zoals meekrap), tabak en vele andere producten in de stadswaag te laten wegen.
Waardevolle producten en voedsel werden verhandeld en geruild en dan moest er van het aangebodene of gevraagde een hoeveelheid bepaald worden. Een waag bevorderde de eerlijke handel, onmisbaar voor de stad als betrouwbaar handelscentrum.
Waaggebouw
Het wegen gebeurde in de zestiende eeuw meestal in het Waaggebouw. De weegschalen, vermoedelijk een grote balans (evenaar) en unsters, en de gewichten werden jaarlijks, waarschijnlijk namens het stadsbestuur, verpacht. Dat bleef tot 1685 het geval; daarna werden de pachtperiodes langer (twee jaar, vijf jaar en in de achttiende eeuw zelfs “voor het leven”). De pachter voerde de wegingen uit en incasseerde daarvoor weeggeld, waarvoor de tarieven door het stadsbestuur waren vastgesteld. De pacht van de Waag was in de zeventiende en achttiende eeuw vaak lange tijd in handen van dezelfde families.
Uit het geschrift: wikken en wegen voor handel en fiscus DE ROTTERDAMSE WAAG (1340-1882) door drs. R.H.Krans.
In de Middeleeuwen hadden markten een veel grotere betekenis dan nu. Het was niet alleen een gelegenheid waar consumenten hun dagelijkse inkopen konden doen, maar ook voor de groothandel werd de hele handel in natura aangevoerd. Dus niet in abstracto of bij wijze van monster, zoals op de beurs. Voor de bepaling van het gewicht van handelsgoederen werden in de meeste steden wagen ingesteld en ter vaststelling van het volume maatregelen ter meting (de maat) getroffen). Koper en verkoper dienden ieder de helft van het weeggeld te betalen.
Tegelijk met het baljuw- en dijkgraafschap van Schieland wist Rotterdam onder leiding van haar pensionaris Johan van Oldenbarnevelt in 1576 ook nog andere rechten te verkrijgen. Daarbij waren die van waag en maat. Het recht van de waag ging naar de stad over voor een bedrag van 8.294 gulden.
Grondstof
In het jaar 1612 blijkt er een waaghuis 'op de Botersloot' te staan, alwaar de pachter of een ander 'bekwaam persoon' op maandagmiddag en dinsdags - marktdagen - de waag moest bedienen voor de kopers van hennep, schijfgaren, geslagen want en dergelijke. De vezels van hennep vormden de grondstof voor touw en zeildoek en waren daarmee voor het scheeprijke Rotterdam van het allergrootste belang.
De waagmeester, waagwegers, waagarbeiders, waagkruiers en ander personeel hadden de beschikking over een kantoor dan wel verblijfplaats, terwijl de collecteurs van zowel de waagbelasting van de provincie Holland als van de stad Rotterdam met boekhouders en andere bedienden hun fiscale taak in afzonderlijke ruimten verrichtten.
Wat was een waaiermaker?
Een waaiermaker was een vervaardiger (vervaardigster) van en handelaar in waaiers. Deze waaiers, veelal gebruikt door vrouwen, waren opvouwbare halfcirkelvormige schermen, waarmee ze zich koelte toewaaiden (ook werden er heimelijke signalen mee gegeven). In de 18de eeuw had de waaier het toppunt van zijn populariteit waardoor er een grote vraag ontstond. Bij de waaiermakers kan men verschillende groepen onderscheiden, zoals degenen die de waaiers monteerden en degenen die de wapens beschilderden.
De waaier bestaat uit losse fragmenten die verbonden zijn aan een zijde. De rest wordt bijeengehouden door textiel of een ander materiaal dat geen wind doorlaat. Door de waaier te richten naar het gezicht, ontstaat er door beweging een tocht.
Een waaier wordt al eeuwenlang door dames gebruikt om zich onopvallend wat af te koelen: veel vrouwen waren in het verleden ingesnoerd en droegen vele rokken en accessoires. Zij benutten een waaier tevens om discreet en elegant hun rijkdom te tonen. Veel waaiers waren versierd en waren kostbare objecten. Vaak werden ze vervaardigd uit dure stoffen zoals zijde, fluweel, satijn, batist, linnen, kant, perkament, papier, been, pluimen, ivoor, albast, zilver, goud, hout en parelmoer. De afwerking bestond uit kleine details, van een strik of borduursel tot zelfs diamanten en edelstenen.
Wat was een waakmeester?
Een waakmeester 1. hield toezicht op de poorten, wallen en dijken en het uitzetten van de wachten. 2. Was een bestuurder van een gilde die controleerde of de leden hun waakplicht vervulde.
Wat was een waalredder?
Een waalredder was een door de gemeente aangesteld persoon, die de schepen een waal binnenloodst en zorgt voor orde binnen een waal. Zij waren in eerste instantie voornamelijk belast met de bewaking van de schepen en het onderhoud en zo veel mogelijk ijsvrij houden van de paalgording, de schepen en de doorvaarten. Een waal is een met palen omgeven en met slagbomen afgesloten veilige ruimte in een haven.
Beschryvinge van Amsterdam: zynde een naukeurige verhandelinge van dessellfs eerste oorspronk uyt den Huyfe. Den Jare 1691:
Dat ook geen schepen, geladen daar inkomende dieper zullen mogen gaan dan negen voeten, en dat by wetten van de overste-WAALREDDER.
Schepen boven de vijftig last, zijn gehouden in de Walen te overwinteren: en verboden tusschen de Kraan en Stads-herberg te blijven leggen. Dat mede de schepen onder de vijftig lasten uyt halende, daar toe gehouden zijn van den opper-waalredder een lootje te halen, om niet zonder zijn kennisse te geschieden. Welk waken zijn aanvang nemen zal den eersten november, en duuren tot den letsten maert, doch eer ofte later na tijt vanvorst ofte andere ongelegenheden: ’t welk geëindigt zijnde, zal ’t waalgelt aan niemand als de opper-waalredder en zijn bygevoegde betaalt werden.
Havengebied
Toen in het stadsrecht van 1342 de term 'haven' werd gebezigd bedoelde men hiermee uitsluitend het toenmalige Damrak (de monding van Amstel), dat tot in de zestiende eeuw inderdaad als de haven van Amsterdam kon worden beschouwd. Het eigenlijke havengebied was echter beduidend groter en besloeg de aan weerszijden van de stad gesitueerde inhammen van het IJ, die 'walen' werden genoemd.
Van deze walen raakte die aan de Nieuwe Zijde in de zestiende eeuw in onbruik, terwijl die aan de Oude Zijde steeds in betekenis toenam, niet in het minst vanwege het aangrenzende oeverland, de Lastage, dat uitstekend geschikt was voor de aanleg van scheepstimmerwerven. Haven en walen werden vanaf de veertiende eeuw door een dubbele rij palen in het IJ voor de stad beschermd. Door openingen in deze palissadering, ook wel 'Laag' geheten, konden de schepen de haven en de walen bereiken. Deze doorvaarten waren door middel van drijvende bomen afsluitbaar.
Tot in de zestiende eeuw was er geen specifiek bestuurslichaam voor de haven en de walen. In deze periode hadden de zogeheten boomsluiters hierbij enig gezag. Eerst in 1552 kwam een uitvoerige keur tot stand, die als voorbeeld diende voor de latere waalreglementen.
Wat was een waard of waardin?
Een waard (ook wel herbergier of kastelein) was in vroeger tijden de baas of de gastheer van een herberg of taveerne, dit kon ook vaak een vrouw zijn. Het is een beroep dat tegenwoordig nog nauwelijks zo genoemd wordt. Wel leeft het woord nog voort in het Nederlandse spreekwoord: "Zoals de waard is, vertrouwt hij zijn gasten". Daarmee wordt bedoeld dat als een waard zijn gasten niet vertrouwt, dit niet zozeer betrekking heeft op eventuele oneerlijkheid van de gasten, maar dat het meer zegt over de instelling die de waard zelf heeft.
Een herberg is een kleinschalig bedrijf dat tegen betaling de mogelijkheid tot eten, drinken en overnachten biedt. Het woord herberg komt van her (= heer, leger) en berg (= bergplaats). In het Frans is het woord overgenomen en bekend als auberge. De beheerder van een herberg wordt waard of herbergier genoemd.
Herbergen waren meestal gevestigd op plaatsen waar veel reizigers langs kwamen. Ze beschikten meestal over stallen voor de paarden van ruiters en (post)koetsen. Vaak kon hier van paarden worden gewisseld. De wachttijd werd door de reizigers gebruikt om iets te nuttigen. Een stal waar men met koets en al naar binnen kon staat bekend als een doorrit.
Herbergen bestonden uit een gelagkamer, waar gegeten en vooral gedronken werd. Daarnaast was er een ruimte waar geslapen kon worden. Meestal geen aparte kamers maar een gemeenschappelijk vertrek. Naarmate mensen welvarender werden, werden aparte kamers ingericht wat uiteindelijk resulteerde in speciaal daarvoor gebouwde voorzieningen, namelijk hotels.
In dorpen waren de herbergen eeuwenlang de enige openbare gelegenheden. Vergaderingen van het dorpsbestuur en rechtszittingen werden in een herberg gehouden, evenals openbare verkopingen en openbare verpachtingen.
Wat was een waardeerder?
Een waardeerder (man/vrouw, ook keurmeester) was een functionaris die toezicht hield op de kwaliteit van waren en werkstukken.
Wat was een waardgelder?
Een waardgelder was een huursoldaat of huurling in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Deze waardgelders werden door de stadsbesturen aangesteld om de stad te beschermen tegen aanvallen en de rust te herstellen als zich onlusten voortdeden.
In 1617 namen de Staten van Holland een Scherpe Resolutie aan, waarin de steden op eigen gezag en voor eigen rekening waardgelders mochten aannemen om onlusten te voorkomen. Deze maatregel werd genomen om de invloed van de schutterijen terug te dringen, want in deze schutterijen waren veel contraremonstranten actief.
Voor prins Maurits, de kapitein-generaal van het Staatse leger, was de aanstelling van waardgelders onacceptabel, want dit bedreigde zijn gezag. Maurits ging naar Utrecht om daar de nieuw aangestelde weer af te danken.
In 1618 liet stadhouder Maurits de waardgelders afdanken, de door raadspensionaris Van Oldenbarnevelt (buiten de Staten-Generaal om) ingestelde huurtroepen die de onlusten in de Republiek moesten bedwingen. Maurits beriep zich daarbij op het beginsel van de Godsdienstvrede van Augsburg (1555).
Het woord komt van het Duitse woord wartegeld wat wachtgeld betekent. In de 16e en 17e eeuw werden waardgelders aangesteld door het stadsbestuur ter bescherming van de stad als de eigen schutterij de situatie niet aankon.
Het had hiervoor toestemming nodig van de Staten-Generaal, die over de defensie van de Unie gingen.
Wat was een waardijn?
Een waardijn was aan een munthuis verbonden functionaris, die in opdracht van en betaald (geheel of gedeeltelijk) door de muntheer (de bezitter van het muntrecht) over diens belangen waakte door toezicht op de exploitatie van het muntrecht door de muntmeester te houden.
Dit toezicht was vereist, aangezien de muntmeester veelal een vrije ondernemer was, wiens directe belang veeleer het behalen van een zo groot mogelijke winst uit de muntslag was dan het bewaken van de kwaliteit van die muntslag. De toezichthoudende taak van de waardijn - vaak vastgelegd in een zgn. waardijnsinstructie - was tweeledig. In de eerste plaats hield de waardijn toezicht op de kwaliteit van het aangemunte goud- en zilvergeld.
Toezicht op kwantiteit
In de tweede plaats hield de waardijn toezicht op de kwantiteit van het aangemunte goud- en zilvergeld. Daartoe registreerde hij in de zgn. waardijnsregisters of waardijnsboeken de door het muntpersoneel vervaardigde en aan de muntmeester geleverde partijen. Deze registratie was voor de muntheer van belang, omdat van de hoeveelheid goud- en zilvergeld de hoogte van de door de muntmeester aan de muntheer af te dragen vergoeding voor de uitoefening van het muntrecht afhing.
In het bijzonder zag de waardijn erop toe dat er van iedere partij aangemunt goud- of zilvergeld een vastgesteld aantal munten in een muntbus werd gedeponeerd. Deze bus werd op gezette tijden ten overstaan van vertegenwoordigers van de muntheer en, sinds de 15e eeuw, in de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden, de Generaalmeesters geopend.
De functie van waardijn is, zolang de muntmeester als vrije ondernemer optrad, ondanks alle politieke veranderingen in de Nederlanden blijven bestaan. In Nederland is in 1850 het Munt-College opgericht. Aan één van de leden van dit college werd de taak van waardijn opgedragen. In 1902 werd 's Rijks Munt een tak van dienst van het Ministerie van Financiën waardoor de muntmeester niet langer vrije ondernemer was en werd het Munt-College opgeheven.
Wat was een waardman (waardeman)?
Een waardman (waardeman) woonde en werkte op een kleine langhuisboerderij op een terp. Dit was niet zijn eigendom maar was van de kasteelheer. De waardman hield toezicht op al het vee in de uiterwaarden waar de keuterboeren hun vee konden laten inscharen (weiden) op het weiland. Hiervoor, en ook voor het onderhoud van het weiland, ontving hij schaargeld. In het westen van Nederland had de waardman een hoger aanzien en kon bestuursfuncties zoals rentmeester hebben.
Bron: Alterra rappor
Wat was een wachtgeldophaler?
Een wachtgeldophaler was een ambtenaar die de geldelijke bijdragen van de inwoners van de kosten van de wachters inde.
Om de schutterij te bekostigen moesten alle burgers die geen actieve functie bij de schutterij vervulden wachtgeld betalen. Dit gold ook voor de doopsgezinden. In mei werden de wachtgelden in ieder stadskwartier ten overstaan van de officieren door een wachtgeldophaler geïnd. De namen van de wachtgeldplichtigen en de hoogte van hun bijdrage waren daartoe op een zogenaamde wachtrol vastgelegd. Onvermogende burgers konden worden vrijgesteld. Op zijn ronde noteerde de wachtgeldophaler de leegstaande huizen. Als zo’n huis later werd betrokken, moesten de nieuwe bewoners alsnog wachtgeld betalen.
Doopsgezinden, die vanwege hun geloof geen wapens mochten dragen, waren in de 16e, 17e en 18e eeuw vrijgesteld van een functie in de schutterij en betaalden daarvoor wachtgeld. De regenten konden besluiten dat personen in dienst van de stad, zoals een predikant, stadsmedicus, schoolmeester en de koster niet behoefden te dienen.
Wat was een wafelmeisje?
Een wafelmeisje verkocht wafels. Wafelgebak is al erg oud. Het is niet bekend wie er ooit is begonnen met het bakken van platte koeken tussen twee hete ijzers.
Tot in de 19e eeuw werd dit wafelgebak vaak nog primitief gebakken op een houtskoolvuur. Uiteraard was het bakken boven een open vuur, dat erg heet kan zijn, wel uitkijken geblazen. Later, met de komst van gas (verkregen uit steenkool, nog lang geen aardgas, zoals wij nu gebruiken), vervaardigde men wafelbakovens, die toch nog overwegend met de hand bediend werden. Deze methode bleef nog in zwang tot rond 1950.
Gilde van wafelbakkers
Hoewel wafels bakken een vrouwelijke activiteit was, bestond er in de dertiende eeuw zelfs een gilde van wafelbakkers. Wafelbakkers waren actief op kermissen, waar ze vaak chique wafelkramen bezaten om de wafels ter plekke te verkopen. Maar als je wilde, kon je ook een portie thuis laten bezorgen.
Bekend is dat op de kermissen in Amsterdam in het jaar 1875 liefst 16 wafelkramen operationeel waren die gezamenlijk per werkdag bijna 50.000 wafels verkochten. Het gaat hier om wafelkoeken die gemaakt werden uit een gewoon zetdeeg en aan één zijde van een wafelmotief werden voorzien. Om bezoekers te trekken, waren de wafelkramen luxueus uitgerust, met veel en opvallende verlichting. Dit zorgde voor een grotere toeloop aan klanten. Een kermis zonder wafelmeisje was niet denkbaar.
Wat was een wagenmaker?
Een wagenmaker is een persoon die in vroeger tijd houtenkarren, wagens en onderdelen daarvoor zoals wielen en askasten maakte en repareerde. Een stelmaker is de bouwer van het onderstel van de wagen. Hoewel er wagenmakers waren die comfortabele koetsen maakten, waren de meesten van hen voornamelijk werkzaam voor boerenbedrijven.
De grootste vraag was naar meerwielige karren en wagens, maar hun assortiment omvatte ook kruiwagens, eggen, ploegen, beerkisten, wanmolens, botermolens en kafmolens. Op bestelling werden speciale karren of wagens gemaakt voor ambachtslui: een bakkerswagen met soms de mogelijkheid een hond in te spannen, de zogenaamde hondenkar, een stootwagen voor timmerman of metselaar, een bierwagen speciaal ingericht voor het vervoer van biervaten of een mallejan.
De wagenmaker kocht meestal zelf zijn bomen, veelal bij publieke houtverkopingen die vroeger vaak plaatsvonden. De bomen werden gezaagd met een ongeveer drie meter lange boomzaag. Daarna werden de planken geruime tijd te drogen gelegd in een open overdekte loods. Tussen de planken werden enkele latjes te gelegd om de wind vrij spel te geven zodat het hout gelijkmatig droogde. Van de planken werden later de balken en planken gezaagd die nodig waren om de laadbak en het lamoen van de kar of de wagen te maken.
Het meeste vakmanschap was vereist bij het maken van het houten wiel. Voor de spaken van de wielen werd rechtdradig hout uitgezocht waaruit de spaken gekloofd werden. Om ervoor te zorgen dat de spaken strak in de wielen zouden zitten en niet zouden rammelen was het belangrijk dat het hout zeer droog was. Daarom werden de spaken enkele jaren te drogen gelegd voor ze verder afgewerkt en toegepast werden. Het afwerken gebeurde met een snijmes.
Wielen en spaken
De spaken kregen een ovale doorsnee met aan het ene eind een ronde pen met een gleufje, waarin na bevestiging in de velg een spie geslagen kon worden. Het andere eind kreeg een platte pen. Het aantal spaken per wiel kon variëren, veelal waren het er twaalf. Het middendeel van het wiel, de dom, werd gedraaid. Daartoe gebruikte men een groot draaiwiel dat door enkele helpers in beweging gebracht werd en dat via een drijfriem in verbinding stond met een draaibank.
In het geval van een twaalfspakig wiel werden twaalf rechthoekige gaten in de dom uitgekapt waarin de uiteinden van de spaken met de platte pen werden gestoken. De velg bestond uit zes segmenten. In beidekopse kanten van elk segment werd een gat geboord. In die gaten werden ronde pennen aangebracht. Deze konden van hout zijn of van metaal en worden ook dook en drevel genoemd. In de binnenkant van elk segment werden twee ronde spaakgaten geboord.
Ten slotte werden de velgsegmenten voorzichtig aan het twaalftal spaken geslagen, die reeds in de dom gestoken waren. Nadien werd het wiel naar de smid gebracht die er een ijzeren band omheen legde, die nog roodgloeiend was om te voorkomen dat de band eraf zou lopen. Als de band strak om het wiel gekrompen was werd er een gat door de dom geboord. Daarin werd een taps toelopende bus aangebracht waarin later de as moest draaien. De as was evenals de bus kant-en-klaar gekocht.
Wat was een wagenschotkoper?
Een wagenschotkoper was een koper en handelaar in wagenschot. Wagenschot is rechtdraads, vooral uit Oost-Europa ingevoerd eikenhout, afkomstig van over de volle lengte doormidden gezaagde of gekloofde stamstukken van een bepaalde lengte. Het wordt algemeen beschouwd als het beste eikenhout en wordt gebruikt als betimmeringen en voor het maken van duurdere meubels. In de wagenmakerij werd wagenschot - in tegenstelling tot wat de naam zou vermoeden - niet gebruikt.
Onderdeel van de houtzagerij, waarbij men zich toelegde op het zagen van wagenschot, een fijn soort eikenhout dat werd gebruikt als wandbekleding in interieurs. Bij de wagenschotzagers waren grote houttuinen, waar de gezaagde 'bladen' te drogen werden gezet. Als de bladen 'winddroog' waren, werden zij in loodsen geplaatst.
De wagenschotzagerij was vooral van belang door de export naar Engeland. Met name in de jaren 1630-'50 en 1715-'30 kende de Zaanse houtzagerij hierdoor bloeiperioden. Vanaf rond 1740 hieven de Engelsen zeer hoge invoerrechten op buitenlands gezaagd hout en in 1752 volgde een invoerverbod in de Zuidelijke Nederlanden; dit betekende feitelijk de doodklap voor de wagenschotzagerij.
Wat was een walgeldenpachter?
Een walgeldpachter was een persoon die de walgelden heeft gepacht. De walgelden waren verschuldigd door de schippers gedurende de tijd dat ze aan de wal lagen om te laden of te lossen.
Het walgeld, dat de aanvoerder verschuldigd is, bedraagt:
- Turf per 1000 stuks 5 cent
- Hooi en stro per 1000 kg 15 cent
- Granen per 1000 kg 10 cent
Het walgeld voor genoemde goederen wordt door de walbaas bepaald in billijke verhouding tot de vastgestelde bedragen.
Het aanleggeld bedraagt voor schepen welke de volle of meer dan de halve lading lossen of laden 2 cent per 1.000 kg.
Wat was een wanmaker?
Een wanmaker maakte wannen. Dit waren platte manden met twee handvatten, waarin koren, door schudden en opwerpen, van het kaf wordt gescheiden.
Vanaf de 16e eeuw gebruikten de wanmakers enkele eenvoudige gereedschappen. Een ijzeren of houten klem om de wilgentenen te schillen, een mes om de tenen af te snijden bij de verwerking, een gewicht om het werk te verzwaren, een klopijzer in verschillende uitvoeringen om de diverse laagjes in de mand vast te kloppen, een priem om de losse takken in de mand te kunnen steken en een snoeischaar om de losse uiteinden af te snijden. Het werk werd gedaan op lage, bankjes van dik hout die enigszins schuin gesteld konden worden. Soms zat er ook een draaischijf op waarmee de manden eenvoudig konden worden rondgedraaid tijdens het vlechten. De wanmaker zat daarbij op een laag krukje.
Vlechten van wannen
Voor een optimale buigzaamheid van de wilgentenen, moesten deze eerst ingeweekt worden. Het vlechten van wannen begon doorgaans met de bodem. Uit sterke takken werd een kruisvorm gemaakt, welke vervolgens volgevlochten werd. In de bodem werden vervolgens dikkere takken vastgezet en hierbij werd dan ook van onder naar boven gevlochten.
Het ambacht van de wanmakers was gespecialiseerd in dicht vlechtwerk. Aan de rand van de wannen werd een 2 mm dik en 30-50 mm breed band uit de bast van Ratelpopulier gevlochten. Wannen waren platte manden van 90 tot 100 centimeter doorsnede. Na het dorsen konden met de wannen de kafjes van het koren worden gescheiden. De wanmaker zette de met een kleine hoeveelheid graan gevulde wan aan zijn zij en liet deze in een ritmische beweging op en neer gaan. Het graan kwam zo elke keer los van de bodem. De wind blies dan de kafjes uit de wan. Deze wannen bleven tot de 19e eeuw in gebruik.
Wat was een wanner?
Een wanner was iemand die na het dorsen de koren van het kaf scheidde. Het koren werd oorspronkelijk op wanmanden geschept en dan geschud en opgeworpen, waardoor het kaf door de wind werd weggeblazen. Al in de zestiende eeuw trachtte men dit proces te mechaniseren en ontstonden de eerste wanmolens. Met een handzwengel werd een schoepenrad in een gesloten trommel rondgedraaid, waardoor een luchtstroom ontstaat. Het graan viel vanuit een voorraadbak langzaam naar beneden, waarbij het kaf werd weggeblazen.
Later werd de wanmolen ook nog uitgerust met schudzeven, waardoor ook grovere verontreinigingen (bijv. steentjes) (via een grovere zeef) en onkruidzaden (via een fijne zeef) van het koren werden gescheiden. De zeven werden geschud, eerst via een houten klopper, later met een nokkenas. Later werd de wanmolen aangedreven door een locomobiel of tractor. Nog later ook door een elektromotor. Tegenwoordig wordt het wannen in dezelfde werkgang als het oogsten gedaan met een maaidorser.
Wat was een wantsnijder?
Een wantsnijder was een handelaar in wollen stoffen. Zij importeerden de wol en verkochten op hun (gehuurde) standplaats in het wanthuis de zware lakense stoffen per el. De stof werd er per el verkocht. Een el was 69,4 centimeter.
Delft was een van de eerste Hollandse steden met een wanthuis. Al uit 1316 zijn gegevens bekend over de handel in het Delftse wanthuis. Tegen 1631 telde Delft zelfs twee wanthuizen. De keurmeesters keurden er de stof en voorzagen die van een keurmerk in de vorm van een loden zegel.
Gekeken werd onder andere naar de verf, eventuele weeffouten en de stof werd gemeten. Het was streng verboden de stoffen aan de wevers en kleermakers buiten het wanthuis om te verkopen. En slechts stoffen voorzien van het loden zegel met daarop het stadswapen mochten de stad worden uitgevoerd.
Bron: de Leidsche Lakennijverheid in de middeleeuwen
De verkoop in het klein mocht te Leiden alleen geschieden door de wantsnijders eerst in her wanthuis, later in de lakenhalle, waar zij met de wantkisten achter hun stal stonden, waarop zij de stoffen te koop aanboden. De positie der wantsnijders was te Leiden anders dan in vele andere middeleeuwse steden. Voor ieder, die stalgeId aan de stad wilde betalen, stond de gelegenheid open om op deze wijze den kost te verdienen.
Van een wantsnijdersgilde is geen sprake; vandaar dat in dit bedrijf de concurrentie zich doet gevoelen, die in gildebedrijven anders zo goed als ontbreekt.
Wat was een wapensteensnijder?
Een wapensteensnijder was iemand die heraldieke wapens in steen graveert voor de vervaardiging van een zegelring of zegelstempel.
Een zegelring is een ring die aan de rugzijde voorzien is van een gravure. Deze is aangebracht in het edelmetaal van de ring of in een in de ring gezette steen. De gravure kan gebruikt worden om een afdruk te maken in zegellak, om een document (of ander te verzegelen object) van een lakzegel te voorzien.
In Nederland worden zegelringen met familiewapens veelal nog gedragen door families van adel of van het patriciaat. Het betreft vaak kostbare gouden ringen die vaak al generaties meegaan. Bij mannen wordt het familiewapen over het algemeen afgebeeld in een wapenschild met bijbehorende versieringen.
Waarborg voor echtheid
Een zegel is een door middel van een stempelafdruk gemaakt waarborg voor de echtheid van een fysiek document of in het geval van bijvoorbeeld een envelop ook een waarborg dat deze niet ongeautoriseerd geopend is. En in het geval van een envelop ook een waarborg dat deze niet is geopend en de inhoud in een nieuwe envelop is gestopt, en dus ook een waarborg dat de inhoud nog de originele is, en ook niet ongeautoriseerd gelezen/bekeken is.
De zegel is een kenteken van de zegeldrager, die door de afbeelding van de zegel kan worden geïdentificeerd. Met de term zegel wordt zowel de te stempelen afbeelding, als het van een afdruk voorziene materiaal aangeduid. Het gebruikte materiaal is al eeuwenlang vaak zegellak, maar nog langer geleden werd bijenwas gebruikt. Vaak wordt in dat geval ten onrechte ook van lakzegel gesproken.
Wat was een warandeerder?
Een warandeerder was een keurmeester in de wolindustrie, maar ook van andere producten zoals brood en vlees.
Wat was een warandijn?
Een warandijn was een ambtenaar die munten controleerde op het juiste gehalte.
Wat was een warmoesier?
Een warmoesier was een kweker (of verkoper) van moeskruid (warmoes). Het woord warmoes werd al in de Middeleeuwen gebruikt en bestaat uit twee delen die ook nu nog makkelijk te herkennen zijn: warm en moes. Warmoes was de naam voor groente die tot moes gekookt werd en warm werd opgediend. Maar het woord kon ook een specifiekere betekenis hebben, namelijk ‘bladgroente’ - dit ter onderscheiding van peulvruchten, bonen, kool en wortelen.
Zo was er vroeger een zegswijze ‘Kool is kost, maar warmoes is eten’, wat wilde zeggen: ‘Kool is stevige kost, warmoes is een liflafje.’ In het oudste Nederlands was moes nog synoniem met voedsel; later werd de betekenis verengd tot 'groente als gewas'. Vroeger lag rond een grotere plaats of stad een stadsboerderij, de zgn. warmoeshof. De warmoezeniers waren de boeren die in de omgeving van de stad die groenten en fruit kweekten en deze verkochten aan de stedelingen. Dat deden ze voor 1800 vooral op de markt.
Familie van de biet
De snijbiet (warmoes) is een bladgewas, waarvan de bladeren of de bladstelen als groente worden gegeten. Het is oude groente, waarvan de smaak min of meer overeenkomt met die van spinazie. Warmoes is familie van de rode biet, suikerbiet en voederbiet en wordt ook ondergebracht in dezelfde groep als de spinazie. Snijbiet is niet lang houdbaar.
Het woord warmoes als aanduiding voor groente is rond 1840 vrijwel in onbruik geraakt. Met het woord verdwenen jammer genoeg ook een aantal fraaie uitdrukkingen. ‘Wees niet te haastig in uw warmoes!’ was een gouden scheurkalenderwijsheid met de strekking ‘Doe de dingen niet te haastig’; de uitdrukking herinnert aan de lange kooktijden waaraan onze voorouders de groente onderwierpen. Verloren ging ook de uitdrukking ”warmoes zonder spek”, waarmee ‘armzaligheid bedoeld werd. Ooit was spek een luxeartikel.
Wat was een warmwaterstoker?
Een warmwaterstoker zorgde voor warm water bij mensen thuis. Nu is het normaal dat er warm water uit de kraan komt voor bad, douche en de wasmachine, dat is in het verleden wel anders. Het is de tijd waarin de kinderen 'in de teil' gaan. Als er geen warm water uit de kraan komt, dan kan zelf op het vuur water warm gestookt worden, maar veel mensen gingen ook naar de waterstoker. Met emmers of houten vaatjes wordt er heet water gehaald en naar huis gebracht. Ook voor de was, meestal op maandag in die tijd, wordt warm water van de waterstoker gehaald.
In de waterstokerij staat een grote met bakstenen omkleedde waterketel waar vuur onder brandt. De waterstoker moet vroeg op, hij moet ervoor zorgen dat het water op tijd warm is. Het gezegde van de waterstoker was: "Voor het kraaien van den Haan heb ik het water kookend staan".
Ook schoonmaakmiddelen en aanmaakhout
De waterstoker verkoopt naast warm water ook schoonmaakmiddelen en aanmaakhout voor de kachel. Een emmer heet water voor twee cent. Ook heeft hij vaak een 'snoeptafel' staan, waar toffees, drop en andere lekkernijen per stuk worden verkocht.
Vaak was een heetwaterstokerij ook brandstoffenhandel. Ook gaspenningen werden er verkocht en soms werd de waterstokerij met een kruideniersbedrijf gecombineerd. Het hete water, dat gewoonlijk per emmer werd geleverd, maar soms ook in grotere hoeveelheden, gebruikte men voor de was. Het alternatief was om zélf het water te koken in een wasketel.
Waterstokerijen treft men aan vanaf einde 19e eeuw en gedurende de eerste helft van de 20e eeuw. De komst van aardgas en geisers in de jaren zestig maakte een einde aan deze vorm van dienstverlening. In plaats van water moeizaam op een fornuis warm te stoken in een ketel, was warm water dankzij de geiser in elk huishouden in onbeperkte hoeveelheden beschikbaar.
Wat was een warpdrapier?
Een warpdrapier liet warp door thuiswerkers maken. Warp is een soort laken van kamwol of linnen
Wat was een wasbordenmaker?
Een wasbordenmaker maakte wasborden, een geribd bord waarop in een wasteil het vuile goed werd schoongewreven. Het wasbord met een meestal houten omlijsting is ongeveer 30 bij 40 cm en bestaat uit een geribbeld schrobvlak van gegalvaniseerd staal waar het wasgoed werd opgelegd, waarna het met een harde wasborstel en groene zeep werd schoongeboend.
In later jaren werd in plaats van groene zeep vaak Sunlight zeep gebruikt. Het schrobvlak was aanvankelijk van hout. Aan het eind van de 19e eeuw en in de eerste helft van de twintigste eeuw kwam gegalvaniseerd staal meer en meer in zwang.
Uitputtend lichamelijke arbeid
De vrouwen deden zeker maandagochtend maar vaker de hele maandag over de was. Een uitputtend lichamelijke arbeid, waar vrouwen hele sterke armen en sterke ruggen voor nodig hadden. Op maandag werd er gewassen. Om de was schoon te krijgen beschikten huisvrouwen destijds over een beperkt aantal schoonmaakmiddelen: groene zeep of Sunlight-zeep en soda voor de kookwas.
Kookwas betekende ook letterlijk: de was urenlang koken, meestal op een petroleumstel. Met een grote houten knijper of stok werd de was uit de kookpot gevist. Met de hand werd verder gewassen en gespoeld in een wasteil. Daar zat sop in, gemaakt door zeep in een zeepklopper door het warme water te kloppen. Bij de wasteil hoorde standaard een wasbord. De vuile was werd over de ribbels van het wasbord gewreven. Daardoor werd telkens een klein beetje sop krachtig door het textiel gedrukt, daar waar een ribbel tegen het wasgoed kwam.
Het wasbord was ook een mooi vlak werkvlak om met wat zeep en een borstel de extra vuile plekjes een beurt te geven: daar had je een goede conditie en een sterk lijf voor nodig.
Wat was een wasschilder?
Een wasschilder was een schilder die werkte met wasverf. Dit is een verf die wordt gemaakt door het mengen van droge pigmenten met gesmolten, verfijnde was en hars. En nadien met gloeiende stiften inbranden. Voor het begin van onze jaartelling werd er tot aan de Middeleeuwen geschilderd met bijenwasverf. Wasschilderen, ook wel Encaustic Painting genoemd, is misschien wel de oudste schildersvorm ter wereld.
Bij het wasschilderen werd de (bijen)was in kommen boven het vuur gesmolten en van een pigment voorzien. Vervolgens werd met kamelenharen kwasten, maar ook met berkenkwasten gewerkt. In vroeger tijd had men ontdekt dat de berkenbast uit verschillende laagjes was opgebouwd. Als je deze voorzichtig van elkaar lostrok, krulde de losgetrokken bast zich op. Vervolgens werden deze opgerolde stukken aan elkaar vastgemaakt en was de kwast klaar voor gebruik.
Aan de verwarmde bijenwas werd een hars toegevoegd; men had ontdekt dat hierdoor de was harder werd en minder snel beschadigde. Er werd geschilderd op houten paneeltjes, ook werden de sarcofagen beschilderd met de bijenwas. Eigenlijk werd de bijenwas met het pigment in gebrand op het houten paneeltje.
Wat was een wastrekker (toorts- of fakkelmaker)?
Een wastrekker was een arbeider die wasstokken oftewel fakkels vervaardigde door smelten en trekken. Omdat men bij het fabriceren van draagbaar licht erg afhankelijk was van de beschikbare materialen zijn er allerlei soorten vuurdragers ontstaan. De waarschijnlijk meest bekende vormen van 'vuur op een stok' zijn toortsen en fakkels, die, zoals gezegd, teruggaan tot zo'n 75.000 jaar voor onze jaartelling.
Een fakkel is een stuk hout dat in willekeurig welk brandbaar middel is gedrenkt. Een flambouw is een stok of een staak die is omwikkeld met pitten van touw die zijn gedrenkt in gesmolten was of hars. De term verwijst ook wel eens naar een in de hand gedragen kaars. Aanvankelijk werden alle typen toorts of fakkel kaal in de hand gedragen. Later maakte men (gelukkig) beschermende houders tegen de spattende vonken.
Verlichting door toortsen
Het gebruik van toortsen en fakkels was wijd verbreid. Bekend is natuurlijk de verlichting van kastelen door toortsen. Binnenshuis was het brandgevaar echter behoorlijk groot, zodat het nodig was dat speciale wachters de toortsen in de gaten bleven houden. Verder werden ze vaak naast de deur geplaatst als buitenverlichting, die meteen de straat een beetje mee verlichtte. In steden werd daar nog lang gebruik van gemaakt.
Vanaf de latere middeleeuwen kwamen er steeds meer speciale toorts- en fakkeldragers in de steden, die mensen 's avonds tegen betaling naar huis begeleiden. Dit verminderde langzaam nadat er vanaf de 16de eeuw vaste straatlantaarns kwamen. Daarna werd de fakkel voornamelijk iets voor de onverlichte buitengebieden. Daarbij raakte hij enigszins geassocieerd met grote groepen, boze boeren die in opstand kwamen en een fakkel droegen in de ene hand en een riek in de andere.
Toortsen waren goed bestand tegen wind en regen en vormden nog tot ver in de 20ste eeuw één van de belangrijkste vormen van draagbaar licht. Ze waren in dit kader met name nuttig als er bij overstromingen of stormen dringende werkzaamheden buitenshuis, bijvoorbeeld aan dijken moest worden verricht.
Wat was een wasvrouw?
Een wasvrouw was een vrouw die beroepsmatig de was voor anderen doet. Dit kunnen burgers zijn, maar ook militairen. Evenals andere beroepswerkzaamheden heeft ook dit wassen een ontwikkeling gehad. Daar waar het wassen van het vuile wasgoed aan wasvrouwen werd uitbesteed werd het op de zolder of in een schuur gedeponeerd tot de wasvrouw het inzamelde.
Na de vroege middeleeuwen toen althans de elite nog gaarne gebruik van badhuizen maakte, daalde het peil van de lichaamsverzorging. Onderkleding bijv. droeg men bij wijze van spreken zolang dat het versleten van het lijf viel. De onfrisse lucht bestreed men door het gebruik van reukwaters. Een kroniekschrijver uit de zestiende eeuw vermeldt van een zeer aanzienlijk persoon uit zijn dagen, dat hij – als zovele anderen stonk als rotte vis, dankzij zijn tekort aan wassen en baden. Het zich ontkleden en naakt baden zag men als een verval van goede zeden.
Oorspronkelijk werd het ter plaatse gewassen of meegenomen, veelal op een kruiwagen, naar geschikt water: rivier, meer, sloot, beek of gracht waar stenen of vlonders beschikbaar waren. Kon er bij/in huis gewassen worden dan werd er zo mogelijk gebruikgemaakt van heet water. Het wassen op een steen, eigendom van de wasvrouw of gehuurd, werd minder op prijs gesteld.
Zeep was duur
Elders moest worden volstaan met pompwater. Eerst werd het wasgoed natgemaakt en op stapels neergelegd. Vervolgens werd het ingezeept. Een zeepachtig product was hier reeds bekend tijdens het begin van onze jaartelling. In de zeventiende eeuw was zeep zo duur dat alleen de rijken er gebruik van konden maken. Bij thuiswas werd het op een houten wasbord geboend in een houten tobbe en met een soort spatel (een plat stuk rond of vierkant hout met een handvat er aan) geslagen om het vuil eruit te krijgen.
Als het voldoende gereinigd en gespoeld was, werd het ter droging en bleking op gras uitgespreid of aan lijnen of droogrekken gehangen. Aan huis/boerderij kon eventueel naast het opvouwen ook gestreken worden met strijkijzers die op de kachel werden verwarmd of waarin een kooltje vuur kon worden gedaan. Waar mogelijk werd later gebruik gemaakt van warm water.
Wat was een waterboer?
Een waterboer was iemand die met emmertjes of tonnetjes langs de deuren ging met warm water voor de was.
Met dank aan Marian Jansen
Wat was een waterhaalder?
Een een waterhaalder deed dat wat de naam zegt. Amsterdam had eeuwenlang bijv. water- en vuurverkopers (waar je o.a. heet water kon halen) en schoon water was natuurlijk niet uit de gracht te halen, diezelfde grachten die ’s zomers zo stonken dat de rijken naar buiten de stad trokken. Wat deze Nottelman exact deed weet ik niet, soms wordt iemand die met een schip water haalt en bezorgt ook wel zo genoemd, maar het kan ook simpelweg een arbeider zijn die dit werk deed.
(Met dank aan Herman de Wit en Ad Fraanje.)
Wat was een waterlansier?
Een waterlansier (ook voddenraper genoemd) viste met een lange stok in de vorm van een lans troep uit de grachten. Vooral werkzaam in Amsterdam.
Wat was een watermolenaar?
Een watermolenaar was iemand die een watermolen pachtte om de achterliggende gronden droog te houden. Een (water)molenaar werd ook een mulder genoemd, waarvan vele achternamen zijn afgeleid.
Wat was een waterschout?
De waterschout handhaaft de orde onder het scheepsvolk, hij verzorgt de rechtspraak in geschillen tussen bootsgezellen, schippers en reders. En houdt toezicht op de monstering van zeelieden.
In de 17de eeuw vond een enorme uitbreiding plaats van het scheepvaartverkeer in de Nederlanden. Conflicten tussen zeelieden en reders kwamen steeds vaker voor. Voor het handhaven van de orde was de schout in de stad verantwoordelijk. In 1641 kreeg deze de assistentie van de waterschout. De waterschout (ook wel 'Baljuw van de zeezaken' genoemd) was verantwoordelijk voor een goede gang van zaken op maritiem gebied.
Monsterrol
De monsterrol werd opgemaakt door de waterschout. Een monsterrol is een gedrukt en gezegeld stuk waarin de betrekkingen tussen rederij, kapitein en de bemanning worden geregeld. Sinds 1641 was de waterschout verantwoordelijk voor de registratie van de schepelingen.
De waterschout maakte een monsterrol op in aanwezigheid van de bemanning. Hierop stonden ook de arbeidsvoorwaarden van de bemanning, zodat conflicten over het betalen van gages werden voorkomen. Alle bemanningsleden, met uitzondering van de kapitein, werden per reis aangemonsterd. De kapitein was de vertegenwoordiger van de rederij of soms de eigenaar van het schip. De waterschout bemoeide zich niet met het aan of afmonsteren van bemanningen van VOC-schepen.
In de Franse Tijd (1795) werd de functie afgeschaft, maar in 1813 weer in ere hersteld. Ook nu weer was het maken van een monsterrol een taak voor de waterschout. De waterschout werd in 1937 belast met de uitgifte van monsterboekjes. Hij hield een register bij van alle uitgegeven boekjes. In 1989 veranderden de regels voor de aanmonstering. De kapitein werd nu verantwoordelijk. De waterschout bestaat niet meer.
Wat was een waterstoker?
Een waterstoker was een verkoper van heet water wat uit een grote ketel werd gehaald, vaak in een eenvoudige winkel. Later werd dit ook - vaak samen met andere brandstoffen - in kruidenierszaken verkocht.
Wat was een weddebode?
Een weddebode was een gerechtsdienaar die tijdelijk verblijf houdt in de woning van een schuldenaar of vluchteling, om te waken over de inboedel waarop beslag is gelegd.
De geschiedenis van de weddebode begon al in de 16e eeuw of wellicht nog vroeger. De kennis van deze mannen liet vaak te wensen over, opgeleid hiervoor werden ze meestal niet. De meesten onder hen konden noch lezen, noch schrijven en oefenden dit ambt uit als een bijverdienste. Een groot lichaam in een uniform moest voldoende zijn om ervoor te zorgen dat mensen niets verkeerds deden.
De heer (heerser van een heerlijkheid) had het recht om sommige goederen te confisqueren, zoals in geval de dode hand, bastaardsgoederen of goederen die aan de heer toekwamen Tot de zaak beslecht was werden de goederen opgeslagen en bewaakt. Dit moest gebeuren door de weddebode of welbode. De dode hand was in de middeleeuwen een belasting die door de heer geheven werd bij het overlijden van een horige. De horige kon in tegenstelling tot de lijfeigene bezittingen hebben. Oorspronkelijk werd alle privébezit dat de horige tijdens zijn leven verworven had aan de heer overgedragen.
Wat was een weerglasmaker (donderglasmaker)?
Een weerglasmaker (donderglasmaker) was een vervaardiger van weerglazen oftewel barometers. De eerste weerglazen stammen uit het begin van de 17e eeuw en toen is ook het donderglas uitgevonden. Donderglazen werden zowel op schepen gebruikt als aan de wal. Met een weerglas of donderglas weet je wat voor weer er op komst is.
De Nederlander Cornelis Drebbel heeft de oudst bekende voorloper van het donderglas omstreeks 1610 uitgevonden. In het tweede kwart van de 17de eeuw werd Drebbels principe vereenvoudigd en verscheen het donderglas ten tonele. In het reservoir bevindt zich een constante hoeveelheid lucht. Wanneer de druk van de buitenlucht stijgt, drukt deze het water in de tuit omlaag. De lucht in het reservoir wordt dan iets samengedrukt, totdat de druk in het reservoir gelijk wordt aan die erbuiten. Als de druk van de buitenlucht daalt, zet de lucht in het reservoir uit en drukt het water in de tuit omhoog.
De uitdrukking “gedonder in de glazen" komt van dit donderglas vandaan. Donderglazen zijn geen nauwkeurige meetinstrumenten; ze reageren niet alleen op luchtdruk maar ook op temperatuur. Donderglazen werden tot in de 20ste eeuw als geliefd waterweerglas vervaardigd.
Het donderglas is een waterweerglas bestaande uit een peervormig reservoir met aan de voorzijde een naar boven wijzende tuit. Het donderglas is gevuld met gekleurd water waar boven een constante hoeveelheid lucht zit. Op de tuit na, is het reservoir gesloten.
Een hoge luchtdruk drukt het water in de tuit omlaag en perst de lucht boven de vloeistof samen. Het water in de tuit gaat omhoog als de luchtdruk daalt. Bij een sterke daling, bijvoorbeeld bij storm of onweer, stijgt het water zo ver dat het eruit druppelt.
Wat was een weesmeester?
Een weesmeester was lid van de weeskamer en hield toezicht op de wezen en weeshuizen.
In het weeshuis was ook een weesmoeder die hoofd was van de meisjeswezen en vrouwelijk personeel.
Wat was een wegwachter?
Een wegwachter werkte bij de Spoorwegen die de spoorstaven door middel van een bezem zuivert en controleert of het spoor nog in zodanige toestand verkeert. Dat het geschikt is om een volgende trein ongehinderd te laten passeren. Het gaat daarbij om het bedienen van spoorbomen, sein, wissels en bruggen.
Zo had de eerste spoorweg in Nederland, langs de baan wachters die met vlaggen (bij nacht met lantaarns) aan de machinisten doorgaven of het volgende stuk spoorweg veilig bereden kon worden.
Hij of zij was verantwoordelijk voor de bediening van overwegen en het waarschuwen van het wegverkeer. De spoorweg diende volledig afgesloten te zijn van de openbare weg. Wegwachters sloten de hekken of slagbomen als er een trein in aantocht was. Vaak was de wegwachter tevens blokwachter. Sinds 1867 mochten vrouwen landelijke overwegen bewaken. Werken bij de spoorwegen was in eerste instantie mannenwerk. Een van de weinige functies die door vrouwen kon worden uitgevoerd was de baan van wegwachter. De overwegbomen werden met de hand gesloten en geopend. Bij het uitoefenen van hun taak droegen de wachteressen een uniform, dat aangepast was aan het werk, dat zij buiten moesten verrichten. In 1960 kwam er een eind aan de handmatige bediening van de spoorbomen.
Wat was een welpijpboorder?
Een welpijpboorder was iemand die naar ondergrondse wellen boorde en pijpen (vroeger ook wel van hout), slaat om water of gas te kunnen oppompen. Voor het verkrijgen van bronwater werd een welpijp in de grond in de grond gedreven. De welpijp werd zo diep geslagen dat het in een schelpachtige laag terecht kwam, meestal 25 á 80 mtr. Deze schelpachtige laag zorgt ervoor dat het water goed naar de welpijp toestroomt en het water filtert. Hierdoor wordt het dichtslibben van de welpijp voorkomen. Met het slaan van de welpijpen voor water ontdekte men ook brongas.
Brongas bestaat voor het grootste deel uit methaan met daarnaast nog kleine hoeveelheden stikstof en kooldioxide wat zich op een diepte van tussen de 25 en 80 meter onder de oppervlakte bevind in een gashoudende waterlaag. Dit water bevat geen zuurstof maar naast het brongas zitten er wel erg veel zouten in het water. Een brongasinstallatie bestaat uit een zwart geteerde ketel die in een (meestal) gemetselde put staat. Met een zgn. Nortonbuis wordt water op grote diepte aangeboord, meestal tussen de 25 en 80 meter.
Dit fenomeen bestond al een tijdje en het opgepompte water werd bijvoorbeeld voor koeling gebruikt, voor de koeling van melk maar ook toepassingen bij fabrieken kwamen veelvuldig voor en ook gewone waterputten voor drinkwaterwinning werden met een dergelijke nortonbuis geslagen. Regelmatig was het plaatsen van een zgn. Nortonmotor noodzakelijk om de wateropbrengst te verhogen. In sommige delen van Nederland bleek bij deze putten dus ook gas naar boven te komen. Om dit op te vangen werd boven de put een grote zwart geteerde ketel gezet die op en neer kon bewegen in die put, doordat de ketel zich vulde met gas kwam deze als het ware te drijven op het water. De hoeveelheid gas bepaalde dus de hoogte van de ketel in de put. Via een afvoerpijpje werd dit gas naar de boerderij geleid waar het dienst deed als verlichting, om op te koken en als (bij)verwarming.
Het opgepompte water wat altijd een constante temperatuur had van 8 tot 10 graden werd gebruikt voor de koeling van de melk en het schoonmaken van de melkattributen. Het kwam vroeger voor dat de boerin voordat ze brood ging bakken eerst ging kijken hoe hoog de ketel stond. Aan de hand daarvan kon ze dan bepalen hoeveel brood er gebakken kon worden voordat het gas op was. In strenge winters kon het gebeuren dat door de grote hoeveelheid condens in het gas de leiding bevroor. Een voordeel van deze bronnen was dat de hoeveelheid gas bij slecht weer toenam, dit wordt veroorzaakt door de lagere luchtdruk. Dat de ketel dik in de teer werd gezet had te maken met de verwoestende invloed van de in het water aanwezige zouten wat de levensduur van de ketel ernstig zou bekorten zonder deze teer.
Wat was een wereldbolmaker (globemaker)?
Een wereldbolmaker (globemaker) maakte een bolvormige kaart, oftewel een schaalmodel van de aarde. Op een globe zijn de verhoudingen in grootte, vorm en afstand tussen de landen en continenten correct, wat met een platte kaart niet mogelijk is.
De geschiedenis van de globe hangt nauw samen met de ontwikkeling van wetenschap en techniek in het algemeen. Om te beginnen is een bolvormig model van de Aarde pas zinvol als men weet dat de planeet een bol is. Ook voor iemand die er niet van overtuigd is dat de Aarde rond is, kan de sterrenhemel bolvormig lijken, onder meer door de draaiing van de Aarde. Daarom waren er eerder hemel- dan aardglobes. De menselijke kennis over planeet, continenten en oceanen heeft tot de achttiende eeuw nodig gehad om alleen al op hoofdlijnen duidelijkheid te verschaffen en de ontwikkeling van de globe reflecteert die inspanningen. Daarnaast speelden bij de geschiedenis van globes die van de boekdrukkunst en de cartografie een rol.
Na Krates van Mallos heeft in elk geval de Griekse geograaf Ptolemaeus met en aan globes gewerkt. Ptolemaeus bewees het wetenschappelijk nut van meridianen en parallellen op een globe.[7] Hij toonde aan dat het een stelsel van geografische coördinaten opleverde waarmee plaatsen op Aarde eenduidig kunnen worden weergegeven. Ook stelde hij voor globes te voorzien van een meridiaanring zodat afstanden en hoeken makkelijker afgelezen konden worden.
In 1507 produceerde de Duitse cartograaf Martin Waldseemüller een kaart die op bolvormig object kon worden geplakt, waarmee een globe werd verkregen. Daarvoor maakte hij als eerste gebruik van segmenten die als duigen van een ton om de bol werden gevouwen. Tegelijk maakte hij een platte wereldkaart. Op beide kaarten beeldde hij als eerste het continent Amerika af en Waldseemüller was degene die het werelddeel haar naam gaf.
Felle concurrentie
In Amsterdam vestigde zich Jacob Florisz van Langren die een familiebedrijf startte op het gebied van globes, met een eerste paar in 1586. Enkele jaren daarna stortten ook Jodocus Hondius en Willem Blaeu zich op het vervaardigen van globes. Deze producenten voerden een felle concurrentie en tussen 1597 en 1605 zagen 17 modellen het licht, met diameters tussen de 10 en 36 cm. Elk opeenvolgend model claimde het meest up-to-date te zijn voor wat betreft cartografische kennis. Ook na deze periode werden veel globes verkocht en de familiebedrijven Van Langren, Blaeu en Hondius domineerden de markt tot ver in de zeventiende eeuw.
Veel van deze globes werden verkocht aan burgers van de groeiende middenklasse, als teken van beschaving en als statussymbool. Daarnaast behielden ze hun functies op wetenschappelijk gebied.
Wat was een wieldraaier?
Een wieldraaier werkte in een lijnbaan met als functie het draaien van het wiel waardoor de touwstrengen om elkaar gedraaid werden.
Door de jaren heen waren er opvallend veel kinderen actief in de touwslagers en lijnbanen. Sommige kinderen werkten al vanaf 5-jarige leeftijd mee met het maken van het touw.
Als wieldraaier draaiden de kinderen aan de slinger die de vezels lieten draaien. De touwslager liep achteruit over de lijnbaan om deze vervolgens in elkaar te vlechten. Het werk van de kinderen was bijzonder belangrijk, omdat het draaien van de vezels continu in dezelfde snelheid moest gebeuren. Het touw moest namelijk overal even sterk zijn.
De lijnslager kocht bij de boeren hennep en maakte daarvan strengen. Op een lijnbaan werden de strengen in elkaar gedraaid met behulp van een wiel. Touw werd in allerlei diktes veel gebruikt in de scheepvaart.
Wat was een wierhaler (wiermaaier, wierschipper)?
Een wierhaler (wiermaaier, wierschipper) haalde wier uit de zee. Tegenwoordig wordt zeewier gezien als nuttig voedselelement en kent men er ook een medische (homeopathische) werking aan toe. Oorspronkelijk gebeurde het wierzeilen voor versterking van de zeedijken, een van de oudste dijkvormen in ons land. Ook werd het gebruikt als afdichtings- en geluiddempingsmateriaal in huizen.
In de Hof van Assendelft werd ook zeewier gebruikt bij de bouw. Verder werd er op gegeven ogenblik kool van gemaakt om vieze lucht te bestrijden. Men denke daarbij aan de slechte leef- en woonomstandigheden van de arbeiders in de 19e eeuw.
In het begin kende men alleen het geviste zeewier, d.w.z. het zeewier dat na rijping was losgeraakt en dat met stokken en harken aan boord werd gehesen. Na 1838 ging men om een betere kwaliteit te krijgen over tot het maaien van zeewier dat o.a. als vulling voor matrassen, kussens en stoelzittingen werd gebruikt. Het oogsten van het groene, nog niet rijpe zeewier begon eind juni en eindigde half augustus. Het wiermaaien, dat bij laagwater plaats vond waarbij de maaiers, meestal twee mannen in zware hoge z.g. broeklaarzen, met een gewone zeis tegen de stroom in, het wier maaiden.
Door het bouwen van de afsluitdijk veranderden de zeestromen rondom Wieringen waardoor het wier aan de zuidkant van Wieringen afstierf, waardoor de vissers en de verwerkers van het zeewier hun werk kwijtraakten.
Voor de dijken en als vulling voor matrassen werd zeegras gebruikt, dat door mensen wier werd genoemd. Zeegras is een plant van het zoute water. Het heeft wortels en zaden, zeewier heeft dat allebei niet. Tegenwoordig staat het echte wier juist in de belangstelling om zijn toepassingen.
Zeegras
Tot begin 20e eeuw waren er grote zeegrasvelden in de Zuiderzee en de Waddenzee. Wiervissers oogstten het zeegras en lieten het ontzilten en drogen. In de middeleeuwen werd zeegras al gebruikt om dijken te versterken. Deze zogenaamde wierdijken bestonden niet uitsluitend uit wier, maar hadden een kern van klei. Het wier diende als stootkussen tegen de golfslag op de zachte klei.
Zoals gezegd is zeegras geen wier maar een plant. Wier is een meercellige alg, die in vele vormen en maten voorkomt. Zeewier wordt gegeten en gebruikt in allerhande producten. Zo is het terug te vinden in sauzen, ijs, tandpasta en cosmetica. Zeewier is eiwitrijk en biedt met de groeiende wereldbevolking veel economische perspectieven.
De naam Wieringen heeft niets met (zee)wier te maken, al werd deze verbinding vroeger wel veel gelegd. Waarschijnlijk is de naam afgeleid van het Oudfriese wîr, dat hoogte betekent.
Wat was een wijnroeier?
Een wijnroeier was iemand die de hoeveelheid wijn (of andere waren) in een vat met een speciale peilstok met schaalverdeling kon meten. Dit was nodig om de waarde hiervan en de belasting die daarover betaald moest worden vast te stellen. Het werkwoord 'wijnroeien' of 'pegelen' is hiermee verwant.
De wijnroeiers hadden de taak om bij slijters of kopers te bepalen hoeveel wijn er in hun vaten zat, zodat de verschuldigde accijns kon worden berekend. Daarnaast werden ze ook ingeschakeld om bij geschillen of twijfelgevallen de exacte hoeveelheden vast te stellen. Naast wijnvaten peilden de wijnroeiers ook de inhoud van vaten met olie, levertraan en andere vloeibare en droge handelswaren die in vaten werden bewaard.
De functie van wijnroeier was een openbaar ambt, waarbij ze in dienst waren van een stad of het rijk. Om toegelaten te worden als wijnroeier moest men een examen afleggen. Rond 1650 waren er bijvoorbeeld zes wijnroeiers in Amsterdam. Vaak waren wijnroeiers ook landmeters en omgekeerd. Er is een verordening voor de wijnroeiers van Parijs uit de dertiende eeuw bekend.
Wat was een windasmaker?
Een windasmaker was de maker van en hijswerktuig (ook kaapstaander). Onder meer gebruikt voor het lichten van scheepsankers en ook voor het bedienen van sluisdeuren. Een windas is het roterende onderdeel van een lier waaromheen het touw of de ketting wordt op- en afgewonden. Een lier wordt ook wel een "windas" genoemd.
De meeste kaapstanders op zeilschepen werden bediend door 16 à 24 man, die aan 8 of 12 bomen in de kaapstander hun rondjes draaiden, totdat het anker boven was of het schip uit de geul getrokken en werden altijd gebruikt in combinatie met een knecht, een verticale balk waarin schijven zaten. De kaapstander werd ook op het land gebruikt om zware voorwerpen mee op te hijsen, bijvoorbeeld bij het opbouwen van een windmolen
Een windas werd ook gebruikt bij het laden van grote kruisbogen. De eerste kruisbogen bestonden uit hout en konden met de hand gespannen worden, maar naarmate er grotere uitvoeringen werden ontwikkeld met onderdelen van been en staal, konden zelfs de sterkste schutters de boog niet meer handmatig spannen. Met een kleine kruisboog konden tot vier pijlen per minuut worden afgeschoten, een grote boog haalde een frequentie van één per minuut; de schutter werd dan tijdens het laden beschermd door het schild van een schildknaap. Windassen werden ook toegepast in stormrammen.
Wat was een witstokmaker?
De witstokmaker is een beroep dat in Dordrecht voorkwam. Een witstok is, een stok waarmee een gemetselde muur (vóór het echte pleisterwerk) met een laagje kalkspecie wordt bedekt om de poriën te vullen.
Het is heel aannemelijk dat een witstok een soort kwast is. De in Dordrecht gevonden witstokmakers, Hendrick Rijcken van der Ruijt en zijn zoon Rijck Hendricksen van de Ruijt, zijn in de 17e eeuw ook vermeld als schuijermaker (schuier is een borstel met korte steel of zonder steel) en borstelmaker.
Volgens het beroepenboek zou het een variant kunnen zijn op witrokmaker. Een witrok was een witte jas, pij of een wit uniform. Ook kon het een doek zijn van goedkope, witte wol. Toch lijkt het vermoeden onjuist want elke vermelding over dit ambacht handelt over een witstockmaker en nergens over witrokmaker. Daarmee lijkt een lees- of transcriptiefout uitgesloten.
In ieder geval was het een ambacht waarmee slechts weinigen hun brood konden verdienen, want de witstokmakers zijn op de vingers van één hand te tellen. En bovendien was het medio zeventiende eeuw uitgestorven.
Wat was een woekeraar?
Een woekeraar is iemand die geld uitleent aan een ander en daarvoor een abnormale, onredelijk hoge rente terugvraagt. In zo'n geval wordt de rente aangeduid met woekerrente. Het woord woeker voor het woord rente is afkomstig van (te) snel groeien ofwel ook genoemd met het woord woekeren. Vaak verkeren de mensen die van woekeraars lenen in financiële nood en hebben ze snel geld nodig.
Woekeraars kunnen een onredelijk hoge rente rekenen in situaties waarin de ontvanger van de lening geen keus heeft, of geen zicht heeft op eventuele mogelijkheden om tegen een lagere rente te lenen. Woekeraars maken daar gebruik van door zo iemand een contract te laten tekenen met terugbetaling tegen een te hoge rente. Hoge rente kan gerechtvaardigd zijn wanneer het risico groot is dat de lener niet zal kunnen terugbetalen. Het niet kunnen terugbetalen wordt echter ook veroorzaakt door een te hoge rente en dus zijn dergelijke praktijken verboden. Hun typische klanten komen daardoor nog altijd in geldnood terecht, maar bij de oorspronkelijke schuldeisers.
De lening lenigt weliswaar de directe financiële nood, maar leidt er door de hoge rentepercentages meestal toe dat de inlener uiteindelijk opnieuw in de problemen komt. In het ergste geval groeit de schuld door rente-op-rente sneller dan de terugbetalingen en blijft de lener afhankelijk van zijn schuldeiser. In de extreemste gevallen was dit ook de bedoeling van de schuldeiser, zodat hij uiteindelijk zich de bezittingen van de schuldenaar kon toe-eigenen of de schuldenaar zelfs als slaaf kon verkopen.
Wat was een woekermeester?
Een woekermeester was een ambtenaar die belast was met het toepassen van de woekerkeuren en het terechtstellen van de schuldigen (voor raad of oudermannen).
In 1304 raakte Holland in oorlog met Vlaanderen. De gilden in Utrecht maakten van de gelegenheid gebruik en grepen opnieuw de macht. Ze stelden nieuwe regels op over de samenstelling van het stadsbestuur. Zij bepaalden dat nieuwe stadsbestuurders alleen door de gilden gekozen konden worden. Ieder gilde koos twee oudermannen als dagelijks bestuur. De oudermannen van alle gilden gezamenlijk vormden het college van 'Gemene Oudermannen' (gemeen = gewoon) onder voorzitterschap van twee 'Overste Oudermannen'. De Raad was de wetgevende macht in de stad en stelde de schepenen aan. De schepenen spraken recht.
De uitvoerende macht in de stad lag in handen van één burgemeester die verkozen werd uit de Raad, één burgemeester die verkozen was uit de schepenen en de twee Overste Oudermannen. De gilden legden hun nieuw verworven rechten in 1304 vast in de eerste Utrechtse gildebrief. De tekst van deze gildebrief is bewaard. De inhoud kan worden samengevat in vijf punten:
- De macht van de patriciërs werd verminderd, onder andere door de beperking van de ambtstermijn van de schepenen tot één jaar.
- De burgers kregen rechtsbescherming buiten de stad.
- De gilden kregen controle over de stadsfinanciën.
- De macht van de adel werd verminderd door een verbod op particuliere legertjes en een verbod op het tegelijkertijd vervullen van openbare functies door familieleden.
- Er werd een vaste procedure gesteld voor onpartijdige rechtspraak.
Uit Middeleeuwse rechtsbronnen Utrecht
De gildenbrief van 1455 was slechts een jaar van kracht: reeds in 1456 werd de oude constitutie hersteld. Zijn daarmee de woekermeesters herleefd? Naar het schijnt is dit het geval geweest. Immers tweemaal, in 1491 en 1492, worden zij later in de regeringslijsten vermeld. Wij behooren evenwel daarbij te bedenken, dat juist in die jaren het bestuur in exceptioneelen toestand verkeerde, zoodat eene besliste conclusie uit dit feit niet te trekken valt. Te voorzichtiger moeten wij zijn, omdat in twee vonnissen, tusschen 1456 en 1491 over woeker en verkoop gewezen, van de woekermeesters geene melding gemaakt wordt. En er is meer: wij zagen dat de woekermeesters steeds oudermannen waren, en dat hunne keuze door ééne keur zelfs aan de twee overste oudermann wordt overgedragen. Wij weten dat ¼ van de verbeurde gelden bij woeker aan de woekermeester toeviel.
Wat was een wolhaler (wolkoper)?
Een wolhaler (wolkoper) was iemand die naar o.a. Brugge en Engeland voer om daar wol en schaapvachten voor zichzelf en anderen te kopen. Daar werden grote partijen vellen en zakken wol verhandeld. Met wol van Hollandse schapen kon natuurlijk ook gesponnen worden, maar de kwaliteit daarvan was lang niet zo goed. De wolopkopers waren eigenlijk de baas. Zij kochten de wol uit Engeland en lieten die tegen een zo laag mogelijk loon bewerken.
Een wolkoper kon een machtig man zijn. Hij beheerste vaak de hele wolbewerking. De spinner kreeg van hem de ruwe wol en als die gesponnen was, werd ze door de wolopkoper naar de wever gebracht, die weefde de wol en dan ging de stof naar de verver. Tenslotte maakte de kleermaker er kleding van die weer door de wolopkoper werd verkocht. Om voor hun eigen rechten op te kunnen komen hadden de wolbewerkers zich georganiseerd in gilden. In het weversgilde zaten dus alle wevers. Zij konden onder elkaar afspreken niet onder een bepaalde prijs te weven.
Als een wolopkoper zijn wol wilde laten weven, moest hij wel een bepaalde prijs betalen. Die prijs kon natuurlijk niet te hoog zijn, want dan zou de kleding ook heel duur worden en zou niemand die meer kunnen kopen. Of de wolopkoper zou vertrekken naar een andere stad, zodat alle wevers werkloos zouden worden. En dat was natuurlijk ook niet de bedoeling.
Wat was een wouwbewerker?
Een wouwbewerker maakte verfstoffen. Wouw is een plant, waaruit gele verfstof voor textiel bereid wordt. Wouw werd al in de prehistorie als verfplant over Europa verspreid. Deze plant werd vroeger ook Ververswouw genoemd en werd later volop gekweekt als verfplant. Die tijd is voorbij, maar je vindt de plant hier en daar nog wel. Men gebruikt de gehele plant. De zaden en de bladeren bevatten veel van het vervende bestanddeel, de luteoline. Daarom moet men bij het oogsten erop letten, dat de zaden niet verloren gaan. Ze wordt zowel vers als gedroogd gebruikt en is een goede verfplant. Vers gebruikt zal de kleur iets stralender geel zijn als gedoogd gebruikt. Men kan wouw toch goed drogen en nog vele jaren gebruiken.
De lange penwortel bevat een gele kleurstof welke gebruikt wordt en werd om kleren mee te verven. Ook wordt het gebruikt in fresco's (muurschildering). De kleurstof is geelachtig, met een neiging naar rood en niet goed lichtecht. Voor de bereiding van de gele kleurstof is aluin als bindmiddel nodig.
Voor de verfwinning werd de wouw eerst in water met oude urine gekookt om het vrijkomen van de verfstoffen te bevorderen.
Wouw werd ook gebruikt in de schilderkunst. De kleurstof werd tijdens de Gouden Eeuw gebruikt voor de fabricage van het pigment schijtgeel. Verf gemaakt met deze kleurstof werd gebruikt door Rembrandt en andere schilders uit de Gouden Eeuw. De kleurstof is niet lichtecht en verbleekt onder invloed van daglicht. De oorspronkelijke kleurstof wordt daarom momenteel niet meer in de schilderkunst gebruikt.
Wouw is een een- of tweejarige plant, die in juni, juli, augustus en september met een groot aantal kleine lichtgele tot groene bloempjes bloeit. Hij heeft een weinig vertakte rechtopstaande stengel en lijn- lancetvormige bladeren. De plant kan op een zonnige plaats tot 1 m hoog worden.
Op open, droge, omgewerkte en vaak kalkhoudende plaatsen gedijt de plant goed. In Nederland is dat vooral in de Zuid-Hollandse en Zeeuwse duinen, langs dijken en spoorwegen en in de middenberm van snelwegen.
Wat was een wringermaker?
Een wringermaker maakte wringers, toestellen om het water uit het linnengoed te persen door het tussen twee rollen, die onder een zekere druk staan, door te voeren. Ze werden ook mangels genoemd (de voorlopers van de latere wringers).
Een wringer werd gebruikt om het water uit het wasgoed te persen en bestaat uit twee dicht bij elkaar staande, rubberen rollen. Tussen de twee rollen, waarvan de afstand tussen de rollen ingesteld kon worden, werd het textiel doorgedraaid, waardoor het water eruit geperst werd. Een groot formaat staande wringer wordt 'mangel' genoemd. Wringers konden op een bok staan, met aan weerszijden een plateau: voor een ketel met het natte wasgoed resp. voor een teil om het uitgeperste water op te vangen.
In de jaren 1950 werden wringers met een paar klemmen op de wasmachine bevestigd. Met de opkomst van de centrifuge is de wringer bij de wasmachine verdwenen.
VELO in Barendrecht was een bekende fabriek. Naast wringers werden er ook wasmachines gebouwd. Voordat Velo met zijn wasmachines kwam, moesten vrouwen alle was met de hand doen. Water warmen op het fornuis, met zeep in een kuip gooien en de vuile was die erin lag, stampen om het vuil eruit te drijven. Daarna hardnekkige vlekken op de wasplank eruit schrobben, alles uitspoelen, door de wringer halen en vervolgens drogen. Dat was zwaar werk, hoor. En ze kregen behoorlijk pijnlijke handen van alle water en zeep.
Mis je een beroep in de lijst?
Laat me dit dan weten, bij voorkeur met de beschrijving van het beroep.
Vergeten beroepen met de letter W
Wel eens van een waagdrager gehoord, of wat dacht je van een warandijn? Sommige beroepen lijken logisch, maar daar kan je je flink in vergissen. Veel beroepen omvatte meer taken en verantwoordelijkheden dan je zou denken, maar het tegenovergestelde kwam ook vaak voor.
Veel van dit soort oude beroepen komen gelukkig tegenwoordig niet meer voor. Niet alleen omdat ze niet meer functioneel zijn en door de tijd zijn opgeheven, maar ook omdat de zware omstandigheden voor arbeiders zo belastend waren dat zij er vaak ernstige ziektes aan overhielden en uiteindelijk jong kwamen te overlijden.
Mannen en vrouwen
Op Yory wordt geen onderscheid gemaakt tussen mannen- of vrouwenberoepen., alhoewel het opvalt dat de meeste beroepen door mannen werden uitgevoerd. Als vrouwen hetzelfde werk uitoefenden dan een man, kregen zij veel minder betaald (wat overigens tot de dag van vandaag een strijd is). Daarbij mochten vrouwen uit de ‘hogere stand’ niet werken, zij kwamen de dag door met b.v. schrijven, schilderen of handwerken.
Lees ook
Oude en vergeten beroepen van vroeger (W)























































