Oude en vergeten beroepen van vroeger (M)

Henk van Hal

Expert in oude beroepen

Yory donatie banner vierkant

Oude en vergeten beroepen van vroeger (M)

Een overzicht van alle oude vergeten beroepen van vroeger, op alfabet met de letter M.

Een macadamsteenklopper was Iemand die grote keistenen vergruist. Macadamwegen hebben een deklaag van steengruis. Macadam is een type zeer open wegverharding in 1834 ontwikkeld door de Schot John McAdam. Het is opgebouwd uit drie verschillende steenslaglagen: de basis wordt gevormd door grof steenslag dat voor de stabiliteit zorgt. Dit wordt afgestrooid door het inwalsen van twee kleinere maten grind.

McAdam geloofde dat de "juiste methode" om stenen te breken voor nut en snelheid werd bereikt door mensen die gingen zitten en met behulp van kleine hamers de stenen zo braken dat geen van hen groter was dan zes ons in gewicht. Hij schreef ook dat de kwaliteit van de weg zou afhangen van hoe zorgvuldig de stenen over een aanzienlijke ruimte over het oppervlak werden verspreid, één schep per keer. McAdam gaf aan dat er geen stof in de weg mocht worden opgenomen die water zou opnemen en de weg zou aantasten door vorst. Ook mocht er niets op de schone steen worden gelegd om de weg te binden. De actie van het wegverkeer zou ervoor zorgen dat de gebroken steen zich combineert met zijn eigen hoeken, samenvloeit tot een vlak, stevig oppervlak dat bestand is tegen weer of verkeer.

Door zijn ervaring met het bouwen van wegen, had McAdam geleerd dat een laag gebroken hoekige stenen als een stevige massa zou werken en dat de grote steenlaag die voorheen werd gebruikt om wegen aan te leggen niet nodig zou zijn. Door de stenen van het oppervlak kleiner te houden dan de bandbreedte, ontstond een goed loopoppervlak voor het verkeer. De kleine oppervlaktestenen zorgden ook voor een lage belasting van de weg, zolang deze maar redelijk droog kon worden gehouden.

Bron: Wikimedia, The Stone Breakers (1849-1850), Gustave Courbet, Dresden

Een maliemaker was de maker, meestal een smid, van een malie. Een malie is een metalen ringetje of busje, o.m. gebruikt voor maliënkolders, nestels en schoenveters.

Maliën werden gemaakt van ijzerdraad. Dit werd meestal gedaan door een ijzeren plaat om een stok te winden en dan een verticale snee te maken, waardoor kleine ronde stukjes ijzer loskwamen. Deze moesten dan aan elkaar vastgemaakt worden en dichtgeknepen met een klein stukje staal erin, een rivet. Meestal werd een rij rondjes met het rivet afgewisseld met een rij gewone rondjes, om de productietijd te verkorten. Deze gewone rondjes werden gemaakt door ze uit een plaat staal te stampen. Men kon ook van kleine platte stukjes ijzer strookjes knippen. Het metaal moet wel van goede kwaliteit zijn, anders breken de rondjes te snel.

Het Chronicon Colmariense (1398) zegt bijvoorbeeld dat men-at-arms beschermd waren door ‘een ijzeren hemd, geweven van ijzeren ringen, waardoorheen geen pijl een verwondingen kan aanrichten’. Dat het nodig was dit uit te leggen betekent dat er ook maliën bestond dat minder beschermend was.

Omdat een maliënkolder een redelijk duur bezit was werd het veel duurzamer gemaakt door de ringetjes te klinken Overigens zijn in deze techniek meestal maar de helft van de ringen geklonken, de andere helft bestaat uit volledig dichte ringen. Door dit proces ontstaat een ontzettend sterk pantser waar je niet snel nieuwe ringen in hoeft te zetten.

Qua ringetjesmaat variëren de ringen van de gevonden maliën tussen de 9 tot soms wel 4 mm. Hoe kleiner de ringen hoe meer vondsten er wereldwijd van zijn gedaan. Dit is waarschijnlijk omdat kleinere ringen het pantser nog steviger maken maar zoals eerder gezegd: hoe kleiner hoe meer ringen dus ook hoe duurder.

Al in de oudheid maakten smeden een beschermend vest door metalen ringetjes aan elkaar te bevestigen. Maliënkolders waren een tijdlang standaard in het Romeinse leger, maar ze waren duur om te maken. Elke ring moest aan vier andere vastzitten, en voor een maliënkolder waren duizenden ringetjes nodig. Het kostte veel tijd om ze met klinknagels aan elkaar vast te maken of te solderen. Het maken van de ringen zelf was echter het tijdrovendst. In de 13e eeuw ontstond een nieuwe techniek. Europese smeden leerden hoe ze metaaldraad konden maken, en stukjes draad werden verbogen tot ringen.

Een mangelmaker maakte mangels, een werktuig dat vroeger werd gebruikt voor het tegelijk verwijderen van vocht uit gewassen textiel en het vlak strijken hiervan. Tussen twee rollen, waarvan de afstand tussen de rollen ingesteld kon worden, werd het textiel doorgedraaid, waardoor het water eruit geperst werd. Onder de rollen bevond zich vaak een vergaarbak voor het water.

Het mangelen van klein linnengoed gebeurde vaak met gebruik van een mangelplank. Hierbij werd de textiel om een stok gerold. Door de mangelplank heen en weer te rollen over deze stok werd het water eruit geperst en verdwenen de kreukels. De bovenkant van de mangelplank werd vaak rijkelijk gedecoreerd en voorzien van spreuken die verwijzen naar de deugden van een goede huisvrouw.

De mangel wordt in de 21e eeuw vrijwel niet meer gebruikt in huishoudens. Zijn functie is overgenomen door de centrifuge. In sommige wasserijen wordt de mangel (zij het sterk gemoderniseerd) nog wel volop gebruikt.

Het woord leeft voort in de uitdrukking "door de mangel halen", hetgeen betekent, iemand onder druk zetten, figuurlijk uitpersen.

Een mangelmeisje werkte in een openbare wasinrichting waar zij het wasgoed door een mangel haalde om het water eruit te persen.

Een manger was een koopman in vaten. Vaten werden in velerlei uitvoeringen en afmetingen vervaardigd. Eigenlijk gebruikte destijds iedereen wel tonnen oftewel vaten in velerlei vormen en maten. Ze werden niet alleen op afroep vervaardigd, maar bepaalde werden ook op voorraad gemaakt en door kooplui ingekocht om elders aan de man te brengen.

Een mantelverhuurder verhuurde (rouw)mantels. In de zeventiende eeuw was het rouw dragen zo algemeen dat onder aan het begrafenisbriefje stond vermeld dat men verzocht werd aan het sterfhuis te verschijnen "met de lange Rouw-mantel". De meer welgestelde mannen hadden meestal een of meer lamfers (soort sluier waarmee men de rand van de hoed naar beneden hield) en een zwarte rouwmantel in hun bezit. Voor anderen ontstonden er rouwverhuurondernemingen, waar men de benodigdheden kon huren, zo ook rouwmantels (huiken).

Van de verhuur door het Burgerweeshuis is de administratie bewaard van 1754 tot 1800. De verhuur van rouwmantels bezorgden het toch vaak armlastige weeshuis flinke inkomsten. Het Burgerweeshuis had een ”mantelfonds”, waarbij de leden van dit fonds voor slechts 3 stuivers per stuk de mantel bij het Weeshuis konden huren (ophalen voor 12.00 uur, terugbrengen voor 4 uur ’s middags).

Een manufacturier was vroeger een handelaar in stoffen, oorspronkelijk fabrikant van geweven stoffen, later verkoper die dergelijke stoffen verkoopt. Het kan gaan om wollen, linnen, katoenen en zijde stoffen en ook om de daaruit gemaakt producten. Letterlijk betekent het aan het Frans ontleende woord manufacturer: met de handgemaakte voortbrengselen van nijverheid.

Hij werd in de volksmond ook wel “lapjesman” genoemd.  De manufacturier verkocht naar lappen stof ook band en garen en alles wat met textiel te maken had. Hij noemde het zelf “ellewaren”.

Rond 1920 ging hij op de fiets langs de deur. Voorop de fiets een grote mand en achterop nog tassen met zijn handel. Elke manufacturier had zijn eigen route. De vele huisvrouwen op het platteland waren meestal zijn klanten, die gingen voor een of ander kleinigheidje niet naar het dorp, of in het ergste geval naar de stad.

Siem Trouw van Zuid-Beijerland was zo’n manufacturier en ging elke maandag naar het eilandje Tiengemeten. Zijn fiets op de kleine veerboot. Op Tiengemeten waren toen nog geen asfaltwegen. Dus het was ploeteren over onverharde wegen en over modderwegen naar zijn klanten. In die tijd werd er veel “op de pof” gekocht. Zodra dat er weer geld was werd er betaald.

Van lieverlee ging alles sneller, er kwam een kar en hit. Weer later kwam er een busje waarmee de klanten bezocht werden. Tot in de jaren 70 van de vorige eeuw bezocht de manufacturier zijn klanten. De klanten werden mobieler en gingen steeds meer kopen in de winkels. De handel langs de deur werd steeds minder.  Inmiddels had Siem Trouw ook een textielwinkel op Zuid-Beijerland. Naast de textielwinkel ging het bedrijf later ook meer de kant van het stofferen op.

Een marconist, ook bekend als de radio-officier, was de belangrijkste schakel tussen de bemanning van een schip en de rest van de wereld. Op 1 februari 1999 werd het beroep officieel opgeven.

Een marconist is een persoon morsecodesignalen met behulp van een radio kan verzenden, ontvangen en vertalen. Hij dankt zijn naam aan de uitvinder van de draadloze telegrafie, Guglielmo Marconi. De morsecode bestond uit ‘punten’ en ‘strepen’ – korte en lange tonen – die met behulp van een seinsleutel verzonden konden worden. De morsecode voor het noodsignaal ‘SOS’ is bijvoorbeeld drie korte tonen, drie lange tonen en dan weer drie korte tonen. Marconisten kenden de morsecode en konden de binnengekomen berichten uitschrijven voor wie ze bedoeld waren. Nadat Marconi in 1901 de eerste berichten van de ene kant naar de andere kant van de Atlantische Oceaan had verstuurd, groeide de populariteit van de draadloze telegrafie als communicatiemiddel op schepen snel.

Ondergang van de Titanic

Op 14 april 1912 zonk de R.M.S. Titanic, waarbij meer dan 1500 van de 2200 opvarenden omkwamen. Dat de overige 700 passagiers gered konden worden, is vooral te danken aan het werk van de marconisten aan boord, die tot het laatste moment noodsignalen bleven uitzenden naar dichtbijgelegen schepen. Omdat de Titanic volgens de ontwerpers van het schip niet kon zinken, geloofden de marconisten van andere schepen die het noodsignaal ontvingen de berichten aanvankelijk niet. Toch schoten uiteindelijk een aantal schepen de passagiers van de zinkende Titanic te hulp, waardoor de mensen die het geluk hadden een plek op een reddingsboot te bemachtigen gered konden worden. De hoofdmarconist Jack Phillips ging ten onder met het schip.

Op het moment van de scheepsramp, waren radioapparatuur of andere communicatiemiddelen op schepen nog uitzonderlijk. Het luxe passagiersschip was uitgerust met de krachtigste radioapparatuur van zijn tijd en had een gegarandeerd bereik van 250 mijl, maar in de praktijk kon over een veel langere afstand gecommuniceerd worden. Na de ondergang van de Titanic had het nut van radiocommunicatie zich bewezen. Op het internationale congres Safety of Life at Sea (SOLAS) in 1914 werd afgesproken dat alle schepen voortaan uitgerust moesten worden met moderne communicatiemiddelen. Ook werd afgesproken dat alle marconisten gecertificeerd moesten zijn.

Radio Holland

Naar aanleiding van de nieuwe regelgeving werd in Nederland in 1916 Radio Holland opgericht. De organisatie was een initiatief van Nederlandse reders en had als doel het installeren van radioapparatuur aan boord van schepen en het opleiden van mensen om die te gebruiken en te onderhouden. Radio Holland leverde een totaalpakket: morse-apparatuur inclusief een marconist die het materiaal kon bedienen. Alle Nederlandse marconisten waren daarom in dienst van Radio Holland. Het bedrijf verdiende daarnaast ook nog aan elk verzonden bericht.

De marconisten van Radio Holland speelden op de Nederlandse koopvaardijschepen een belangrijke rol: ze leverden het weerbericht, waren verantwoordelijk voor de communicatie in geval van nood, verstuurden telegrammen van de bemanning en repareerden de apparatuur wanneer dat nodig was. Ze zorgden ervoor dat de bemanning tijdens al die weken op zee op de hoogte bleef van het laatste nieuws en de voetbaluitslagen. Op grote schepen gingen soms wel tien marconisten mee. Veel marconisten hielden het na hun zevenentwintigste voor gezien, omdat ze dan niet meer oproepbaar waren voor militaire dienst.

Een marketentster, zoetelaar of zoetelaarster was een kampvolgster die gerechtigd was om aan soldaten waren te verkopen zoals drank, voedsel en kleine benodigdheden voor het dagelijks leven. Drank verkochten ze uit het typische marketentstervaatje dat ze op de heup droegen. Men moet haar niet verwarren met de was dame van een legereenheid.

Legereenheden die te velde trokken werden vaak vergezeld van een dame die de soldaten in haar eenheid, tijdens de rustpauzes, voorzag van een borreltje en een hartig hapje. Het leger kende in die tijd nog geen eigen kantinedienst. Tijdens het verblijf in de kazerne verzorgden de Marketentsters de soldatenkantine en verrichtten ook werkzaamheden als het wassen en onderhouden van de kleding van de soldaten.

Strenge regels

In de 19e eeuw werd in het Nederlandse leger de functie van marketentster aan strikte regels gebonden. Zo werd o.a. bepaald dat de marketentster getrouwd moest zijn met een lid van het onderdeel. Ook werd vastgelegd wat zij mocht verkopen en tegen welke prijs. Naast een uniform dat een sterke gelijkenis vertoonde met dat van haar eenheid, kreeg de Marketentster ook een penning waarop haar naam en het legeronderdeel was vermeld.

Trientje de Fransman was in 1813 een marketentster. Ze is toen met het leger van Napoleon meegekomen over de Franse Baan waar Napoleon is verslagen. Haar man was bij het leger en zij liep met hem achteraan mee. Ze had een leren riem om en daar hing een kruikje met jenever aan. Haar man is met Napoleon weggevlucht en nooit meer teruggekomen.

De mensen maakten er een versje van:

"Trieneke de Fransman
die met het leger hier kwam.
Napoleon is over de Franse Baan
met de legers op de vlucht gegaan."

De Marktschipper vervoerde zowel personen als goederen over de rivier de Maas, op vaste tijden en tussen twee steden met de daartussen liggende dorpen. Zoals het woord al aangeeft was dit hoofdzakelijk op de marktdagen van deze steden. De boeren en hun vee werden door hen ernaartoe en teruggebracht. Ze woonden vaak zelf op het platteland.

De marktveren brengen het goederentransport op verschillende trajecten binnen beperkte kring tot stand en zoals ook deze naam al zegt, maken zij het vervoer mogelijk met een marktplaats. Oorspronkelijk wordt gevaren zo dikwijls als er een markt plaats vindt. De voorwaarden waaraan de marktschippers moeten voldoen, komen in hoofdzaak overeen met die van de beurtschippers. Slechts met toestemming van de overheid mag men op een bepaald traject in de beurt of op verschillende marktplaatsen varen.

De marktschipper wordt vergunninghouder op zijn traject, maar nooit is deze functie een gemeenteambt geworden. Zij ontvangen alleen hun benoeming van de overheid. Het Koninklijk Besluit van 28 juli 18611 vermeldt hierover dat beurt- en marktveren particuliere inrichtingen zijn, staande onder het toezicht van de gemeentebesturen, omdat de schippers voor eigen rekening varen en niet als beambten, maar enkel ten gerieve van het algemeen belang en hierover instructies van de gemeentebesturen ontvangen.

Ordonnantie

Een volledig beeld van het reilen en met name het zeilen van de marktschippers vinden we in een in 1801 vastgestelde instructie en ordonnantie voor de marktschippers. Het eerste artikel vermeldt dat de marktschippers in het bezit moeten zijn van een voldoende aantal vaartuigen, zodat de kooplui en particulieren er in ieder geval van verzekerd kunnen zijn dat hun goederen, gewassen en brieven op de daarvoor vastgestelde dagen worden afgeleverd.

De dagelijkse afvaarten zijn eveneens door Baljuw en Welgeboren Mannen vastgesteld. De burger betaalt voor een retourtje Rotterdam 16 stuivers. Voor de ontvangst van de goederen en boodschappen is de marktschipper verplicht om één dag voor het vertrek persoonlijk op de kaai aanwezig te zijn. Ook op de plaats van bestemming aangekomen, dient de marktschipper zorg te dragen voor een persoonlijke afgifte.

Een marodeur was een afgedankte krijgsknecht, die met plunderen zijn levensonderhoud voorziet. De meeste van hen zijn strijders die door ziekte of verwonding ongeschikt zijn geworden en gepensioneerd zijn, of uit de troepen zijn gezet wegens wangedrag, of deserteurs.

Marodeurs waren bendes van dieven, achterblijvers, veldzwervers, maar ook rondzwervende soldaten genoemd. De plunderaar beschrijft iemand die plundert, plundert, afperst, berooft, steelt, verkracht en moorden op de rand van gevechten. De meeste van hen zijn strijders die door ziekte of verwonding ongeschikt zijn geworden en gepensioneerd zijn, of uit de troepen zijn gezet wegens wangedrag, of deserteurs.

Hoe langer een conflict duurt, hoe groter de plunderende problemen van nature worden, omdat het aantal mensen dat geen andere manier van overleven heeft, groeit. Om deze reden was een groot aantal plunderaars ook een van de neveneffecten van de vele oorlogen uit het verleden.

Een marskramer (van het Middelnederlandse merse (koopwaar) en het Middelnederlandse kraemer (koopman) is een verkoper van kleine artikelen, die hij in een rugkorf of mars vervoert en waarmee hij platteland en steden afreist om zijn waar op markten en kermissen en van huis tot huis te verkopen.

Tegenwoordig is de term Marskramer voornamelijk bekend van de winkelketen, maar eeuwenlang was het daadwerkelijk een bekend fenomeen door stad en land. Een kleine verkoper, met een hoop spullen ‘in zijn mars’. Een uitdrukking met een tegenwoordig positieve lading; maar dat was vroeger wel anders. Lopende verkopers, met op hun rug een kenmerkende korf of mars. Hieruit verkopen ze – op bijvoorbeeld markten en kermissen – verschillende kleine producten. Een bezigheid die over het algemeen onschuldig klinkt, maar desondanks niet goed opgevangen wordt door de bevolking.

Onheilspellende ketters

De burgerij is niet bepaald gesteld op ‘varende luyden’, waar naast marskramers ook bedelaars onder vallen. Zij zouden schadelijk zijn voor de maatschappij en bewust klanten benadelen. Als dit vervolgens bevestigd wordt in een 14e eeuws traktaat, beginnen donkere geruchten zich te verspreiden over de verkopers. Zo doen ze aardig wat stof opwaaien rond de reformatie, door naast rozenkransen ook protestantse propaganda te verkopen. Zondaars dus, die ongeluk zouden brengen.

Aan het einde van de 16e eeuw krijgen deze negatieve geruchten een wending. De Tachtigjarige Oorlog breekt uit, gepaard met een economische crisis. Marskramers worden hierdoor eerder als slachtoffer gezien van de situatie met het Spaanse regime, dan als boosdoener. Een aantal jaar ervoor heeft Karel V namelijk ook het plakkaat tegen afzetterij van de rondtrekkende kooplieden uitgebracht, waardoor hun beroep vrijwel onmogelijk wordt gemaakt. Desondanks blijft het beroep wel nog bestaan, waarin het voornamelijk in plattelandsstreken wordt uitgeoefend. Hier is het tenslotte lastiger om specifiek op te controleren.

Joodse marskramers op het Hollandse platteland

Door velen wordt het beroep gezien als iets typerend Joods, gezien de joden tot 1789 zijn uitgesloten van de meeste christelijke gilden. Dit dwingt ze om zich op vrije beroepen te storten, waaronder marskramer. Zelfs na de opheffing van de uitsluiting, associeert men het beroep met de bevolkingsgroep; in het bijzonder op het platteland.

Het uiteindelijke verdwijnen van het beroep valt hierdoor in de loop van de eeuwen te verklaren door gecombineerde factoren. Niet alleen werd het beroep al een stuk minder beoefend na het opgelegde plakkaat en de verplichte vergunningen; de vervolgingen door de nazi’s tijdens de Holocaust doen de laatste overgebleven marskramers verdwijnen.

Een drogist werd in de 16e eeuw een materialist genoemd. Zij werden stelselmatig buiten de gilden van de apothekers en cruydeniers gehouden. Toch verkochten ze veel kruiden, al dan niet op recept. In oorsprong staan cruydenier en drogist dicht bij elkaar.

Drogisten waren zij, die uit de drie natuurrijken, doch hoofdzakelijk uit het plantenrijk die ruwe stoffen verzamelden en de eerste bewerking deden ondergaan, welke voor de genezing van mensen en dieren dienstig geoordeeld werden of waaraan door de geneeskundigen een herstellend vermogen toegekend werd.

"De geneeskundige planten enz. bijeen te brengen; dezelve te droogen of op andere wijzen tegen bederf te behoeden; daaruit vervolgens aftreksels, geesten, zouten enz. te bereiden, ten einde deze geneesmiddelen aan apothekers, geneesheeren, of heelmeesters te verkoopen”: dit alles behoort tot hun vak. Hieruit laat zich dus gemakkelijk begrijpen, dat tot dit beroep een grondige kennis van de eerste stoffen, behandeling en bewaring, bereiding tot geneesmiddelen, en ook van de scheikunde, alsmede oplettendheid, ondervinding en kunstvaardigheid vereist worden.

Het vak van drogist is zeer nauw aan dat van apotheker verwant; doch is hiervan onderscheiden, doordien de apotheker veeltijds van de drogisten de eerste geneeskundige voortbrengselen ontvangt en daarna aan een verdere scheikundige bewerking, samenstelling of ontbinding onderwerpt; alsmede, dat de apotheker de onderscheidene bestanddelen van de geneesmiddelen, door de geneesheren zijn voorgeschreven, bereidt, mengt, kookt en tot gebruik in gereedheid brengt, hetgeen niet rechtstreeks tot het gebied van de drogisten behoort. Ook wordt van de apotheker meerdere kunde geëist; terwijl hij ook aan een streng toezicht onderworpen is en van alles nauwkeurig aantekening moet houden, waarvan de drogisten vrijgesteld zijn.

Hieruit volgt dus, dat het altijd veiliger is, om met de voorschriften van de geneesheren naar de apotheker, dan naar de drogist te gaan.

Een matrassenmaakster maakte matrassen. Dit was oorspronkelijk een zitkussen, later een beddenzak, die de koper zelf vulde met stro, kapok, wol, vlokken of zeegras, of paardenhaar. e.d.

Stro werd ook gebruikt om op te slapen voordat het eeuwenlange tijdperk van de bedstee zou aanbreken. Het stro zat in juten zakken die simpelweg op de vloer werden gelegd, waarna het gehele gezin zich verzamelde en dicht tegen elkaar aan kroop om zo de koude Middeleeuwse nacht door te komen.

Slapen op de grond was toentertijd heel normaal. Alleen welgestelden konden zich een bed veroorloven. Dit waren zeer eenvoudige bedden van hout of brons met een harde hoofdsteun. Deze bedden stamden nog uit de Romeinse tijd. Pas na de Middeleeuwen werden er bedden gemaakt van gietijzer; in het hout zaten namelijk vaak insecten.

De Romeinen brachten veel tijd door in bed. Naast slapen gebruikten ze hun bed om in te eten en drinken, een gesprek te voeren of iets te lezen. Toch hebben de roemruchte Romeinen het niet zelf verzonnen om te slapen in een bed, maar dit keken ze af bij een ander beroemd volk.

De Egyptenaren

Het waren de Egyptenaren die rond 3400 voor Christus als eersten bedachten om hun slaapplek door middel van een bed van de grond af te houden. Dit waren korte houten bedden die licht naar beneden afliepen, met een bedbodem van gevlochten leer of touw. Ze hadden ontdekt dat ze op die manier minder last hadden van de tocht en ongedierte. Deze gewoonte verspreidde zich vervolgens snel naar andere gebieden. De Egyptenaren waren erg vooruitstrevend en hadden zelfs al een soort matrassen en kussens die ze maakten van palmtakken.

Een matres was zowel een kleuterleidsters als iemand die naailes gaf. Vrouwen- of matressenschooltjes varieerden sterk in kwaliteit en vorm. Ze ontstonden in de 16e eeuw ter vervanging van de scholen van nonnen, begijnen en monniken, toen de hervormden allerlei scholen oprichtten en die scholen ondergeschikt maakten aan hun geloof.

Op deze scholen was er vrijwel geen ruimte voor spel en de discipline was streng. Het was een bron van inkomsten voor oude bakers en kostersweduwen. De kinderen werden gehouden in allerlei ruimtes, denk aan natte kelders, benauwde kamers en zolders.

Een mattenschipper werd ook wel een negotieschipper genoemd. Ze verhandelden zowel de producten van de matterij als andere producten op dat gebied. Het plaatsje Blokzijl telde in de negentiende eeuw op het hoogtepunt zo’n zestig mattenschepen, die allemaal hun eigen afzetgebied hadden om hun waren aan de man te brengen. De verkoop gebeurde vanaf de schepen of per kruiwagen, later ook met de fiets. Als de voorraad aan de man was gebracht werden lokale producten als kaas, boter, aardappelen of hard fruit ingekocht voor de thuismarkt.

De mattenschipperij was in sterke mate seizoensgebonden. In de zomer werden de biezen gesneden in het brakke water voor de kust. Na droging werden de biezen op een weefgetouw tot matten geweven. Een andere techniek was het biezenvlechten, waardoor stroken ontstonden die daarna in blokken aan elkaar genaaid werden. Op 2

Februari begon voor de mattenschipper het nautische jaar. Knechten werden ingehuurd, en het schip werd ingeladen. Na Biddag, de tweede woensdag in maart, voer de hele vloot uit. Het mattenseizoen duurde ongeveer tot Pinksteren, daarna was de schoonmaaktijd voor huisvrouwen voorbij en werd er niet meer verkocht. Ieder schip had z’n eigen mattenland, waarmee niet het land van productie werd bedoeld, maar het afzetgebied. Zo’n afzetgebied was het domein van één schipper; overlapten twee gebieden elkaar, dan werden onderling afspraken gemaakt.

Een mazelaar was een zakkendrager. Deze naam komt van het 'Gilde van der Mase', die zijn naam dankt aan de oorspronkelijke werkzaamheden van de leden, namelijk het overladen van de koren over de rivier de Maas, wat werd vervoerd op kleine vletten. Mazelaars werkten later ook op de wal, daar heette ze zakkendragers.

De mazelaar is kenmerkend voor Dordrecht waar oude straten te vinden zijn als de Maselaersgang, Mazelaarspoort, Mazelaarsbrug en Mazelaarsstraat.

Bron: Mieke van Baarsel, De straatnamen van de Historische Binnenstad van Dordrecht.

Een medebrander was een brouwer die honingdrank bereidt. Mede is een alcoholische drank die gemaakt wordt door honing en water te laten vergisten, het wordt ook wel honingwijn genoemd.

Mede is een alcoholische drank gemaakt van honing. Zo is mede de enige alcoholische drank die gemaakt is van een dierlijk product, alle andere alcoholische dranken worden verkregen door vergisting van plantaardig materiaal. Het mooie aan mede, is dat het bijzonder veelzijdig is. Zo heeft elke honing zijn eigen smaak, afhankelijk van de planten die in de buurt van de korf staan. Deze planten zijn vaak te proeven in de honing.

Zo is ook de tijd van het jaar waarop de honing werd geoogst van belang, omdat andere planten dan in bloei staan. Vervolgens is het mogelijk om de smaak aan te passen door kruiden, specerijen en fruit toe te voegen. Ook is de tijd van toevoeging sterk van invloed op de smaak. Zo kan een smaakmaker tijdens het bereiden van de must (mede voor contact met de gist) worden toegevoegd, maar ook later, tijdens het gisten, of zelfs nog later, op fles. Zo ziet een heldere fles goudgele mede met een lavendeltakje of een rode peper er zeer feestelijk uit en smaakt nog lekker ook.

Zo heeft de verhouding honing-water een invloed op het uiteindelijke suikergehalte en bepaalt ook de gistsoort de smaak en het uiteindelijke alcoholpercentage van de mede. Uiteindelijk is ook de duur van het rijpingsproces van belang en natuurlijk de methode. Zo wordt de smaak van de mede, ook al lijkt deze al perfect, flink verbeterd door enkele maanden rijping in een eikenhouten vat.

Druivenwijn

In de Lage Landen heeft druivenwijn mede al heel vroeg verdrongen. Overal werd bier gebrouwen omdat het eenvoudig en goedkoop was, maar mede was lastiger. Het ambacht van de Imker was veel minder wijdverbreid en de bijenkast (waardoor de bijenvolkeren telkens gedood moesten worden voordat de honing uit de korf gehaald kon worden) was nog lang niet uitgevonden. Honing was toen een bijzonder luxeproduct en mede was des te bijzonderder.

De Lage Landen, in die tijd pioniers in internationale handel, wisten al snel wijn uit het Rijngebied en Frankrijk binnen te halen, waardoor mede in populariteit waande. Zo zien we dat eerst de definitie van mede verschoof van wijn exclusief bereid uit honing naar druivenwijn bereid met honing, waarna mede definitief het veld moest ruimen voor wijn. Wijn was populairder, veelzijdiger en vooral in grotere hoeveelheden verkrijgbaar. Mede en het ambacht van medebrander verdween zo gestaag, totdat ze in de 19e eeuw vrijwel geheel waren vergeten.

Een meelbuiler was iemand die met een buil (zeef) de zemelen van de bloem scheidde. Nadat tarwe, of een andere graansoort, is gemalen hou je volkorenmeel over. Dit meel kan door de molenaar eventueel gebuild worden en het resultaat is dan gebuild meel. Tijdens het builen worden de grootste delen uit het meel gezeefd. Een deel van de zemelen en gries worden daarmee uit het meel gezeefd.

Afhankelijk van de mate waarin gezeefd is, hou je meel over met veel, weinig of geen zemelen. Met licht gebuild meel bak je bruinbrood, sterk gebuild meel wordt gebruikt voor lichtbruin brood en het sterkst gebuild meel heeft geen zemelen meer en wordt bloem genoemd en wordt gebruikt voor het bakken van witbrood.

Het woord buil verwijst naar het woord buidel, een oud woord voor zak. Vroeger builde de molenaar een deel van het meel. Het volkorenmeel werd dan in een grof geweven zak gedaan waarna de zak langdurig werd geschud. Hij gebruikte ook wel een zeef van fijngeweven stof. Tussen de kleine gaatjes van het weefsel van de zak kwamen alleen de allerfijnste delen uit het meel. De zemelen en het gries bleven achter in de zak.

Alleen voor de rijken

Deze manier van zeven was arbeidsintensief, daardoor was gebuild meel duurder dan volkorenmeel. Alleen de rijke konden zich vroeger permitteren het meel te laten builen. Vandaar dat initieel alleen de rijken wit brood aten, de rest van het volk kon zich dit niet permitteren en moest tevreden zijn met gemalen meel, dat feitelijk volkorenmeel was.

Dan doet zich een bijzonder verschijnsel voor, door de mechanisatie wordt het builen eenvoudiger en wordt gebuild meel goedkoper en zelfs betaalbaar voor de armen die massaal wit brood gaan eten. Bij de rijken zijn tegelijkertijd de gezondheidsaspecten van volkorenmeel doorgedrongen en schakelen zij massaal over van wit brood naar volkorenbrood.

De molenaar built het meel niet meer met een zak of zeef, dat is veel te arbeidsintensief. Hij gebruikt daarvoor een builmachine. Dit is doorgaans een machine waarin cilindervormige zeven met verschillende maasgroottes ronddraaien, vandaar dat deze machine ook centrifugaalzeef of centrifugaalbuil wordt genoemd. De roterende zeef staat meestal iets scheef waardoor het meel dat aan de hoogste kant ingebracht wordt langzaam naar het lager gelegen gedeelte verplaatst wordt terwijl de zeef draait.

Een meedelver is een opgraver van meewortels, destijds een belangrijke verfstof voor de verfindustrie.

Een groep veldarbeiders bestaande uit tien tot twintig man, die elke morgen in de herfst naar het land trok om mee te delven, heette een 'bende'. Vooroploopt de 'voorman', die een zeker gezag over de anderen uitoefent. Daarop volgt de 'neusman' (mogelijk een verbastering van het woord 'nevensman') en daarna komen de 'volgers'.

Ter plekke krijgen de arbeiders hun taak toebedeeld. Het meespitten vergt bijzonder veel spierkracht, maar gaat door tot in de middag, onderbroken door een pauze van een half uur, het z.g. 'halfschof', wanneer de hoorn of trompet zich weer even laat horen. In die pauze wordt een boterham gegeten.

Voor het delven werd het meeste loof afgehakt: er bleef nog maar een centimeter of vier op de krop staan. Gedolven werd de meekrap in september of oktober. Het delven van de wortels werd gedaan door sterke mannen, meestal arbeiders die ter plekke woonden, aangevuld met trekarbeiders. Voorkomen moest worden dat de wortels bij het delven zouden breken, dus ervaring was wel vereist. De akker werd met een zware delfspade (meespa) omgespit. De meespa was breed van boven en erg smal vanonder. De soms wel 70 cm diep zittende wortels werden zo uit de grond gehaald. Ook werd de meekrap wel met een ploeg, getrokken door vijf tot acht paarden, uit de grond geploegd.

Het delven werd door een groepje arbeiders aangenomen tegen een van tevoren afgesproken bedrag per gemet. De delvers klopten de meekrapwortels uit en legden ze netjes op rijtjes  om te drogen. De driejarige meekrap, wel 60 of 70 cm lang, werd op stapels gezet, in twee rijen naast elkaar.

Een meekrapkeurder was een keurder van meekrap, een plantensoort. De keur van de meekrap was streng vastgelegd in verschillende keuren. Het oudst bekende Zeeuwse keur gedateerd van1444 en heeft betrekking op de landen van "Scouwen, Duvelant, Noortgouwe”. Hieruit bleek dat de meekrap-industrie in de 15e eeuw hier al aanwezig was.

Deze ordonnatie, uitgevaardigd door Philips van Bourgondie, was een reactie op de vele klachten die door de 'coopluijden' bij de Schepen en Raad van de stad Zierikzee ingebracht werden. Deze meekraphandelaren dreigden, 'niet meer enige Meede te willen coopen uit de lande van Zeelant'. De door hen gekochte meekrap vertoonde vele gebreken, men delfde namelijk de meekrap veel te vroeg. Bij deze dus nog niet volgroeide meekrap was de kleurende werking van het eindproduct onvoldoende.

Vier soorten kwaliteit

Na behandeling in de meestoof ontstonden er vier soorten kwaliteiten meekrap. De "onberoofde" meekrap was de beste kwaliteit en kon na het stampen en zeven direct worden verhandeld. Bij de "twee en één" was het resultaat na bewerking, dat tweederde van de meekrap bestond uit betere kwaliteit (krap) en een derde uit slechtere kwaliteit. Bij "één en één" bestond de helft uit krap en de andere helft uit slechtere kwaliteit. Ten slotte werd het afval de "mullen" genoemd. Deze mullen werden soms voor een tweede maal gemalen, waardoor een betere kwaliteit verkregen kon worden. Niets ging verloren, want zelfs het stofvaagsel werd verkocht.

Op de kwaliteit werd nauwlettend toegezien door speciaal aangestelde keurmeesters. In een meestoof werden de wortels gedroogd en vermalen, waarna de meekrap werd verhandeld. Hoe beter de kwaliteit, hoe hoger de prijs. Om te controleren of de meekrap wel aan de gestelde eisen voldeed, waren speciale keurmeesters aangesteld. Het waren ervaren vaklieden die grove vervalsingen konden proeven met de tanden.

Keuringsmethode

De betrouwbaarste keuringsmethode was echter het uitwrijven het meekrappoeder met een zilveren spateltje op een hardhouten plankje, waarbij een eventuele verontreiniging al snel aan het licht kwam. Monsters werden genomen door met een holle boor in het vat te boren. Deze monsters werden gedurende meerdere jaren bewaard op het gemeentehuis. Na de keuring kreeg het vat diverse brandmerken. Zo gaf men aan: het soort, het jaartal, de eigenaar, de plaats, het gewicht van het lege vat, de naam van de stoof en een doorlopend nummer per stoof.

De handelaars hadden monsterbusjes van hun meekrap bij zich en de potentiële koper(s) kon dit poeder uitstrooien op een houten plankje en controleren of het overeenstemde met de kwaliteitsmerken op het vat. In veel gevallen stelde de plaatselijke overheid zich garant voor de kwaliteit tegenover buitenlandse kopers. Klachten werden dan ook nauwgezet onderzocht en bij gegrondheid konden de schuldigen op krasse maatregelen rekenen.

De meekrap was een duur goedje. Het fijne meekrappoeder werd verhandeld in grote vaten. Zo'n vat met een gewicht tot zo'n 700 kg. was een kapitaal waard. Rotterdam en Zierikzee waren bekende meekrapcentra. De prijzen waren soms zeer wisselvallig. Zo schreef de 16 eeuwse kroniekschrijver Reygersberg, dat de meekrapteelt en -handel "...vele luyden rycke ofte byster [arm] gemaeckt heeft." Uit de 18e eeuw zijn gevallen bekend, dat een gemet een opbrengst had van ƒ 1.000,- nettowinst. Er was nota-bene een meekrapsoort, die "de Rijkmaker" werd genoemd.

Bron: Erfgoedlijn Goeree-Overflakkee

Een meekrapteler teelde meekrap, een plantensoort. Het voorttelen van meekrap kan zowel door zaaien als door planten gebeuren. In ons land gebruikte men de laatste manier. Als het land gemest is wordt het opgedeeld in bedden. Omstreeks mei plukt de kiemzetter de jonge spruiten van de twee jaar oude plant en poot deze met zetspaden in lange rijen. Het loof van dit kruid laat men afsterven of men maait het om als veevoer te gebruiken.

Na de derde zomer, ongeveer 20 maanden na het planten zijn de wortels dik genoeg om ze in september te oogsten. Na het oogsten laat men ze in hopen op het land liggen, waardoor ze enigszins taai werden. Ze werden dan naar de Stoof vervoerd, waar ze in de koude stoof (een grote schuur) per eigenaar op stapels werden gelegd. Van daar gaan ze naar de Toren, een ruimte met vier verwarmde zolders boven elkaar, waarop de meekrap achtereenvolgens wordt gelegd voor een eerste droging. Hierna wordt de meekrap gedorst, dat wil zeggen dat schil, aarde en andere ongerechtigheden ervan losgemaakt worden. Het dan ontstane product had de Franse naam: 'racine'.

Stamphuis

Daarna transporteert men de wortels, in stukjes gebroken, de racine naar de ast, en naar een daarmee verbonden lang kanaal of 'vuurwerk'. In dit kanaal ondergaat de meekrap een tweede drogingsproces van ongeveer 24 uur waarna ze gestampt kan worden. Dit gebeurt in het stamphuis, het domein van de stamper en de drijver, welke laatste een groot molenrad door drie paarden in beweging wordt gezet. Het rad staat in verbinding met een dikke as, waaraan een aantal houten vuisten zitten die de stampers moeten opheffen.

Deze stampers vallen in een massief eikenhouten bak waarin de gedroogde meekrap ligt, die dus fijngestampt wordt. Door een bepaalde manier van zeven kan men vier soorten meekrap krijgen, die in vier afgesloten bakken terecht komen. De onberoofde: de gedroogde krap wordt dan in zijn geheel voldoende fijn gestampt en in vaten verpakt.

Werkwijze

Twee en één: onder het stampen breekt eerst het buitenste en slechtste deel van de wortels. Dan wordt de krap gezeefd. Wat gebroken is valt er door, maar het taaiere en betere deel van de wortels dat niet gebroken is, blijft in de zeef achter. Dit beste deel, twee derde van het totaal, stampt men opnieuw en bergt het in aparte vaten, dat is de krap. Het slechtere deel, één derde van alles, komt ook in een vat en heet gemeene. Eén en één volgt weer dezelfde bewerking als hierboven, maar nu is de verdeling half om half.

Mullen, de schillen met daaraan nog stukjes van de wortel en het afval, door nog grotere zuivering van de onberoofde en de twee en één. Het stampen van de krap moest 's nachts gebeuren omdat deze onder invloed van het daglicht gemakkelijk verkleurt. Stamper en drijver waren ondergeschikt aan de droger, die de verantwoordelijke bedrijfsleider was. Tijdens de bewerking bleef de meekrap het eigendom van de boer. Iedere partij werd apart verwerkt, zodat iedere meekrapteler zijn eigen partij aan de handel kon overdoen.

Een meerschuimsnijder sneed pijpenkoppen uit meerschuim. Niet voor niets wordt het materiaal de witte godin genoemd.

Standaard gaat het bij meerschuim pijpen om de vervaardiging van losse koppen, voorzien van een korte afgeknotte steel. Klompen meerschuim zijn namelijk nooit groot genoeg om er een steelpijp van te maken, bovendien zou het voorwerp niet sterk genoeg zijn. De afgeknotte steel, al dan niet met een manchet wordt aan een separaat roer bevestigd. Hoewel bij de productie van meerschuim pijpen altijd gesproken wordt van het snijden kent het eigenlijke pijpen maken veel meer handelingen.

Als eerste worden de gladgemaakte brokken meerschuim met een mes tot ruwe pijpen voorgevormd. De belangrijkste handeling van het pijpen maken is het definitief vormgegeven dat grotendeels op een draaibank gebeurt. Vanwege de kwetsbaarheid van het materiaal moet dit draaiwerk zeer behoedzaam gebeuren. Met een lepelboor worden de ketelruimte en de opening in de steel aangebracht.

Cilindervorm

Daarna wordt de pijp uitwendig vormgegeven en dit gebeurt ook op een draaibank om er zeker van te zijn dat het voorwerp een mooie, strakke cilindervorm krijgt. Na het vormgeven worden de pijpen twee tot drie weken te drogen gelegd en dan volgt de nabehandeling die vaak het geheim van de fabriek is.

De afwerking vervolmaakt niet alleen het product in esthetisch opzicht, maar is ook van groot belang voor de doorrookkwaliteit van de pijp. Als eerste wordt het voorwerp nagelopen op eventuele oneffenheden. Deze stopt men met een mengsel waarvan meerschuimgruis het hoofdbestanddeel is. Dan volgt het licht schuren of polijsten eerst met kalk of beenderas, soms ook met puimsteen. Vervolgens wordt het voorwerp in een talkbad gedaan om een mooie egale kleur te krijgen.

De belangrijkste nabehandeling is echter het koken van de pijp in was of stearine of een combinatie van beide. Deze was dringt in het oppervlak en geeft de pijp een mooie glans en een aangenaam glad oppervlak. De meest luxe afwerking wordt aangeduid met double cire, die vooral bij versierde pijpen werd toegepast. Soms wordt de pijp na de wasbehandeling nog gepolijst met een dot paardenhaar gevolgd door het wrijven met een wollen doek.

Een "meester van en met den zweerde" was een ambt wat in bepaalde families erfelijk was. Hij ontving naast een vaste vergoeding de gelegenheid neveninkomsten te verwerven. Ook werd hij voor ieder karwei nog eens apart betaald. Daarnaast kreeg hij nog wel eens steekpenningen van familieleden van de veroordeelde om bij folteringen matig te werk te gaan of de genadeslag vlug en trefzeker aan te brengen. De beul moest de onthoofding met één slag voltrekken. Het hoofd moest echt bij het lichaam wegrollen. Mislukte dit dan had hij de smaad en soms erger van de toeschouwers te verwachten. Dit mee uit bijgeloof.

Vaak ook verleende de scherprechter, al dan niet toegestaan, diensten als chirurgijn. Gezien de aard van zijn ambt was hij qua kennis van het lichaam goed onderlegd.

Te Haarlem was de vaste wedde van ouds  1 guld. van 20 gr. t stuck  in de week of 10 stuiv .  en bovendien had hij een stoop wijn en een paar handschoenen van elken persoon aan den lijve te straffen

De meester van en met den zweerde, ontleende zijne benaming aan het scherp examen of de pijniging. Hij was verpligt in een der stads torens te wonen. Toen deze ambtenaar, met name Gerrit Hoofdstad , in het jaar 1642 een paar huizen had aangekocht , verstond de raad , ten einde de verontruste inwoners dier steeg voor zijne nabuurschap te vrijwaren „ dat de beul wel huizen in de stad mogt aan koopen , doch dat hij in het van ouds aangewezen huis moest blijven wonen ” Weinige weken later werd hem echter het wonen in die steeg , na voorafgaand verhoor van buren , toegestaan ter consideratie van de diensten , die hij onder de schamele gemeente met zijne kuren dagelijks is doende , en mede op „zijne belofte van zich in zijn handel en wandel zoodanig „ te zullen betoonen , dat zijne naburen goed contentement  aan hem zullen hebben "

Een meijer was een pachter of huurder van een stuk grond.

Een melkmonsternemer werden speciaal opgeleid en kwamen naar de boerderijen en verzamelden van elke koe een beetje melk. In het begin ging dat door emmers melk te wegen. Met een speciaal maatschepje namen ze vervolgens een beetje melk apart dat in de fabriek nader werd onderzocht op onder meer de vet- en eiwitgehaltes. Ook het celgetal werd bepaald.

Deze melkmonsters zijn nodig om het vet- en eiwitgehalte te bepalen en hoeveelheid liter melk per koe te noteren via weging. De monsternemer ging  's morgens om 4.30-5.00 uur al uit bed moest om naar de boeren te gaan.

Het eerst werd op het vetgehalte gelet: hoe hoger het percentage vet in de melk hoe meer boter men kon maken (omstreeks 1900 was het gemiddeld circa drie procent). In die tijd ontstonden veel melk-controle-verenigingen die als doel hadden de melkgift van de koeien te controleren op gewicht en vetgehalte. Eenmaal per drie tot vier weken kwam de (melk)monsternemer op het bedrijf en die woog met een unster de kilogrammen melk van de koe. Dan nam hij met een zogeheten monsterschepje een beetje melk en deed dat in een flesje, waarvan de inhoud vervolgens werd onderzocht in een gezamenlijk laboratorium op de samenstelling daarvan.

Melkboekje

Dit alles werd bijgehouden in het “melkboekje”. Dat gebeurde heel secuur – want er mochten geen fouten worden gemaakt - allemaal met de hand door de “melkcontroleur”, een officieel beëdigde functie. Elk jaar kreeg de boer een nieuw melkboekje, waarin ook bijzonderheden over de koe stonden, zoals de leeftijd, wanneer tochtig en gekalfd, van de stal in de wei en dergelijke. Dat laatste had een directe invloed op het vetgehalte.

Vroeger wisten boeren uit ervaring dat wintermelk vetter was dan zomermelk. Maar hoeveel zomer- en wintermelk van elkaar verschilden, was echter gokken. En welke koe nou echt de hoogste gehaltes had, ook.

Dat maakte gerichte fokkerij lastig. Wie toe wilde naar een veestapel die economisch het meest opleverde, moest eigenlijk weten wat elke koe precies produceerde. Daarom werd begin vorige eeuw de melkcontrole in het leven geroepen.

Meten is weten en de melkcontrole maakte veel duidelijk. Koeien die het op het oog aardig deden, bleken soms bijvoorbeeld torenhoge celgetallen te hebben. Door deze dieren af te voeren, of door iets aan het bedrijfsmanagement te doen, verbeterde de kwaliteit van de melk. De samenstelling van de melk bleek vervolgens heel gericht te sturen met behulp van aangepaste rantsoenen. Door verder te fokken met dieren die de hoogste vet- en eiwitgehaltes hadden, steeg ook het inkomen van de boer.

Een melkrijder bezorgde melk aan huis. Omdat de afstanden van de boerderij naar de fabriek kort moesten zijn, was er in een paar dorpen een melkfabriek te vinden. De nog warme melk moest snel worden afgevoerd van de boerderij naar de melkfabriek, zomers gaf dat best wel eens problemen, vaak werden de bussen met melk dan in een bak met koud water gezet om te koelen, zure melk kwam dan ook regelmatig voor in die jaren. De bussen stonden ook zomers in een “wel” met koud water.

De volle bussen werden bij de melkfabriek gelost op een kettingbaan het gebeurde dan wel eens dat de deksel van een melkbus niet meer los ging, dit kwam dan meestal doordat deze per ongeluk was omgewisseld bij de boer of na het spoelen in de fabriek. Met geweld werd de deksel dan verwijderd, dat deed men dan vaak door met een deksel van een andere bus deze los te rammen.

Na het monsteren, wegen, legen en schoonspoelen van de bus in de melkfabriek, nam de melkrijder dezelfde, maar nu schone en lege bussen, meteen weer mee terug, deze werden dan bij zijn volgende rit (de melk werd toen, behalve op zondag, twee maal per dag opgehaald) weer afgezet bij de boer, en de volle weer opgeladen.

Een melkslijter (melkboer) was iemand die dagelijks langs de deuren ging met melk en zuivelproducten. Soms had hij ook een winkel met producten.

Een mijnwerker, ook wel koolwerker genoemd, delft delfstoffen zoals steenkool diep onder de grond. Dit beroep omvat het winnen van materialen, het onderhouden van mijngangen en het bedienen van machines. De werkomstandigheden zijn zwaar en gevaarlijk, met risico's op instortingen, gasexplosies en stoflongen door blootstelling aan kolenstof. Veiligheidsprotocollen zijn cruciaal in deze fysiek veeleisende en risicovolle omgeving. Ondanks moderne verbeteringen blijft het een riskant beroep.

Een modderman werkte op een moddermolen, een varende baggerinstallatie. De emmers die ze gebruikten om te baggeren werden voortbewogen door mannen die in tredmolens liepen. Later werden zij door paarden(kracht) vervangen.

Een modelmaker of matrijzenmaker was vroeger een ambachtsman die gespecialiseerd was in het maken van matrijzen, gereedschappen of die vormen werden gebruikt om onderdelen van producten in serie te producenten. Dit beroep was essentieel in de metaalbewerking. Matrijzen voor de productie van wielen van stoomlocomotieven waren zeer specifiek en van cruciaal belang, gezien de zware belasting en hoge eisen aan duurzaamheid van deze onderdelen. Het maken van dergelijke matrijzen was een hoogwaardig vakmanschap en speelde een grote rol in de vroege industriële productie.

Het maken van vormen omvat sterk uiteenlopende activiteiten, afhankelijk van het gewenste gietstuk. Voor de gietstukken moeten modellen worden gemaakt, die door de modelmaker uit aan elkaar gelijmde en op maat gemaakte houten onderdelen werden samengesteld. Vakmanschap en precisie zijn hierbij vereist. Omdat bijvoorbeeld het gietijzer bij het afkoelen iets krimpt, is het nodig om het model iets ruimer te maken.

In de modelmakerij maakt men dus de buitenkant van de gietstukken na, meestal in hout. Het maakt daarbij geen verschil, of het gaat om holle of massieve gietstukken. Daarna ging het naar de ijzergieterij waar gietijzer wordt gesmolten en in gietvormen wordt gegoten zodat de wielen in de gewenste vorm ontstaan.

Als de opening van het gietstuk kleiner is dan de omsloten holte, wat het meeste voorkomt, kan deze kern alleen maar van zand worden gemaakt, dat na afkoeling uit het gietstuk wordt verwijderd door het via deze opening te verkruimelen en weg te bikken. Deze kernen krijgen hun stevigheid door het zand te mengen met water en lijnolie, hars of bentoniet (Bentoniet is een in de natuur voorkomende natrium-kleisoort met deeltjes die zo klein zijn dat ze de grond waterdicht kunnen maken). Het in de gietholte binnenstromende vloeibare gietijzer oefent immers vooral op deze kern een grote kracht uit. Deze vastheid wordt verkregen door de zandkernen in een oven te verhitten tot 220° (' bakken').

Een molenaccijnser was een ambtenaar welke het maalrecht (belasting) inde.

Graanpenningen waren een accijns, geheven op het bij de molenaar ter vermaling aangevoerde graan. Deze belasting was nogal fraudegevoelig. Er kwamen in de loop der tijd dan ook steeds nieuwe aanpassingen en regels om fraude en misbruik tegen te gaan. Zo werd het op een gegeven moment bijvoorbeeld niet meer toegestaan dat een molenaar tevens een bakkerij had, of meel verkocht. Hij kon dan niet stiekem graan malen en daar meteen broden van bakken.

Graanpenningen werden gebruikt om te controleren of de impost op het gemaal was betaald. De inner van het gemaal verstrekte als bewijs van betaling aan de aanbrenger van het graan een loodje welke bij de molen aan de molenaar moest worden overhandigd. Bij controle moesten de loodjes op de molen overeenkomen met de zakken meel en/of graan op de molen.

Vanaf ongeveer 1605 werden de graanloodjes vervangen door papieren biljetten. In 1605 werd namelijk door de Staten Generaal van de Nederlanden een uitgebreide ordonnantie opgesteld. Hiermee werd het gebruik van biljetten algemeen voorgeschreven, maar uit historisch onderzoek blijkt dat dit niet altijd is opgevolgd.

In 1806 werd een nationaal belastingstelsel ingevoerd. De belasting op het graan malen vormde hierin een zeer voorname inkomstenbron. In verschillende delen van het land werd in dat jaar de molenbus ingevoerd. Hierin moesten de kwitanties van de betaalde belasting worden gestoken. Die kwitanties dienden overeen te komen met de administratie van de belastingontvanger. In 1855 werd deze belasting definitief afgeschaft. De molenbus zat dus bevestigd aan de molen en de sleutel ervan bevond zich elders bij de belastingdienst van die tijd.

Een molensteenbiller was een werker die de groeven in molenstenen aanbrengt en/of bijwerkt. Dit heet billen.

Het billen van een molensteen is het scherp maken voor gebruik. De molenstenen vormen samen een koppel: de ligger en een loper. Beide delen zijn voorzien van uitgehakte groeven. De ligger is de onderste steen die stil ligt en de loper draait door aandrijving van het gaande werk. Door het gebruik slijten de loopvlakken van de molenstenen en deze moeten dus regelmatig opnieuw worden gescherpt. Door de groeven opnieuw dieper uit te kappen met een bilhamer worden de stenen weer op scherpte gebracht. Hiertoe worden met behulp van een steenkraan de stenen eerst uit het loopwerk getild, zodat ze makkelijker bewerkt kunnen worden. Na het billen worden de stenen teruggeplaatst en opnieuw gesteld. Het scherp houden van de molenstenen is essentieel om een goede maalwerking te behouden.

Een momhandelaar handelde in bier. De bieren die over zee kwamen was o.a. Mommen bier. Eeuwenlang kwamen deze bieren binnen als handelswaar, en ze werden gezien als lekkere, gezonde en kostbare drank. Het waren robuuste bieren die bestand waren tegen het vervoer en ze zaten vaak langere tijd in het vat.

Veel verschillende soorten van ander Mom zien we dan ook verschijnen in accijnslijsten uit de tweede helft 17e eeuw. Het Brunswijker Mom is een begrip geworden. Soms werd de geografische aanduiding gewoon gehandhaafd als bier elders werd gebrouwen, zo brouwde men in Dordrecht 'Mum' en ook in Hamburg was er altijd voldoende 'Brunswijker Mom' te krijgen. Ook in Amsterdam werd mom gemaakt voor de VOC door de brouwerij de Haan.

Braunschweiger Mumme bestond al in de middeleeuwen. Het recept gaf het bier een lange houdbaarheid waardoor het over grote afstanden verscheept kon worden. Mum was een van de belangrijkste exportproducten van de VOC naar India.

De bemanning op de schepen van de VOC dronken veelvuldig de goedkope bieren, de Mombieren waren voor de handel.

Tussen 1602 en 1795 heeft de Vereenigde Oostindische Compagnie in totaal bijna 1800 schepen ingezet die 4722 uitgaande en 3359 terugkomende reizen naar en van Azië maakten. Goed houdbaar bier was heel belangrijk aan boord van een schip en met de lange zeereizen van deze tijd deed men hiermee veel ervaring op. Brouwerij De Witte Haan uit Amsterdam was een belangrijke leverancier.

Een morsetelegrafist stuurde berichten in morsetekens. Omdat de berichten in morsecode werden verstuurd, moest de telegrafist in staat zijn deze code snel te gebruiken om tekst in code om te zetten en code weer naar tekst te "vertalen". Het coderen van de tekst gebeurde meestal met een seinsleutel, het decoderen door de elektrische impulsen in korte en lange geluidssignalen om te zetten, die meestal via een hoofdtelefoon werden beluisterd.

De morsecode bestaat uit combinaties van punten en strepen van een nauwkeurig gedefinieerde lengte ten opzichte van elkaar. Elke combinatie is voor elk karakter (l, 2, 3. . . a, b, c. . ) verschillend.

Draadloze telegrafie is het verzenden van morse-berichten via radiogolven, dit gebeurde op schepen door de marconist.

Tijdens de Franse Revolutie experimenteerde de Fransman Chappe met diverse methoden om snel berichten over grote afstanden door te geven. In 1793 werd zijn semafoor- of optische telegraafsysteem tussen Parijs en Rijsel (ca. 220 km) voor het eerst in gebruik genomen. De snelheid waarmee deze telegraaf werkte was voor die tijd verbluffend. Via de vijftien seinposten deed een bericht er dertien minuten over. Een koerier te paard had daar minstens twintig uur voor nodig.

Behalve de kortstondige aanwezigheid van de telegraaf van Chappe van Antwerpen naar Vlissingen en Amsterdam, kende Nederland in de tijd van de Bataafse Republiek (1795–1806) en de daaropvolgende Franse overheersing een kusttelegraaf die zich uitstrekte van Den Helder tot Zeeland. Er waren tussen Texel en Vlissingen 42 seinposten.

Op 25 mei 1845 kwam de eerste telegrafieverbinding tot stand, langs de spoorlijn Amsterdam-Haarlem werd een draadverbinding aangelegd en in bedrijf genomen die later, na verlenging van de spoor- en telegraaflijnen, werd doorgetrokken naar andere plaatsen.

Een mortelman maakte mortel, een metselspecie.

Metselspecie is een specie die voor het metselen wordt gebruikt en hoofdzakelijk bestaat uit zand, cement en water. Soms zijn of worden hulpstoffen toegevoegd, om de werkbaarheid van de specie te vergroten. Soms is kalk toegevoegd, een bindmiddel vergelijkbaar met cement, om het vocht uit de specie langzamer in de zuigende steen te laten trekken. Metselspecie is nodig om stenen aaneen te kunnen hechten tot één muur en om eventuele openingen te vullen. Metselspecie moet dus, zeker als het uitgehard is, goed hechten aan de stenen. De metselspecie werd gemaakt door de opperman en deze bracht dit ook naar de metselaars. Een opperman moest de specie en de zware stenen en andere materialen bij de metselaars brengen, zo nodig bovenop een steiger zodat die metselaars door konden werken.

Vroeger bracht hij de metselspecie een kuip en later met een kruiwagen naar de metselkuip van de metselaar. Omdat er betrekkelijk weinig vakmanschap voor nodig was, verdiende hij minder dan de metselaars. Soms kreeg hij ƒ 0,20 per uur minder, dat wil zeggen ƒ 0,96 in de week. Rond 1850 was het loon van de opperman op zeven centen per uur bepaald.

Een mousselinewerker werkte met mousseline, een los geweven stof, oorspronkelijk van katoen, doch later ook wel van zijde of wol. Mousseline is een lichte en zachte, transparante stof, geweven in effenbinding, uit licht getwist garen. Er bestaan diverse kwaliteiten, van zeer fijn tot zeer grof. Het werd geïmporteerd in Europa vanaf de 17de eeuw.

De stof werd in 1298 door Marco Polo beschreven in zijn Il Milione, waarbij hij vermeldde dat het uit Mosoel kwam. De Portugese koopman Duarte Barbosa beschrijft de verschillende soorten mousseline in de vroege 16de eeuw. In de 17de en 18de eeuw was de meeste mousseline afkomstig uit Bengalen, met Dhaka als centrum. De stof werd in de 18de eeuw zeer populair in Frankrijk en van daaruit in de gehele westerse wereld.

Een mouter werkte in een mouterij, een bedrijf waar van granen, hoofdzakelijk gerst, mout wordt gemaakt door die granen in water te weken, het dan te laten ontkiemen en het vervolgens te drogen. Het wordt gebruikt als grondstof voor het brouwen van bier.

Een brouwer kan niet zonder mout. Het bewerkte graan is een van de vier basis ingrediënten van ieder bier. Meestal is het gerst maar je kan ook bier brouwen met andere graansoorten, zoals tarwe of rogge bijvoorbeeld. In dat graan zit zetmeel en dat kan je omzetten in suiker, waar gist uiteindelijk weer alcohol en koolzuur van kan maken. Voor dat omzetten van zetmeel in suiker zijn enzymen nodig. Die ontstaan wanneer graan ontkiemt. Het is dus zaak de omstandigheden waaronder dat gebeurt te simuleren. In zogeheten mouterijen doen ze dat door het graan te bevochtigen en te verwarmen.

Zodra de juiste verhouding tussen zetmeel en enzymen is bereikt, wordt het graan gedroogd. Dat kan op allerlei verschillende temperaturen gebeuren. Dit zogenaamde eesten kan daardoor mouten met verschillende kleuren opleveren. De schakering loopt van de bleke mout voor lichte bieren als pilseners tot de hele donkere, geroosterde varianten waar bijvoorbeeld zwart bier als een stout mee gebrouwen wordt.

Een muntheer (muntmeester) maakte munten. In de Nederlanden werden al vroeg munten geslagen. Friezen en Franken hadden in de zevende eeuw reeds een muntslag. De bisschoppen van Utrecht en Luik kregen al vroeg het recht om munten te laten slaan, onder de wereldlijke groten waren het de Brunswijkse graven. Zij die dat recht hadden waren de muntheren. Later kreeg ook een aantal steden dit recht. Vanaf de Middeleeuwen waren diverse munthuizen in bedrijf, waarvan de leiding in handen was van een muntmeester. Deze muntmeester was in wezen een particuliere ondernemer, die van de muntheer het recht ontving munten te slaan, uiteraard tegen betaling.

De fases van het muntmaken: het op dikte slaan van de metalenplaten, het knippen van de geldstukken in wording en het slaan van de munt. Het onderstempel was bevestigd in het aambeeld, het bovenstempel plaatste degeen die de munt sloeg, er boven op, waarna hij er een goede klap op gaf. De jongen verwijderde de geslagen munten en legde er een muntplaatje voor in de plaats. De voornaamste technische medewerkers van de muntmeester waren de stempelsnijder en de essayeur, die belast was met het controleren van de fijnheid van de grondstof en van de afgeleverde munten. Zij werden door de overheid benoemd en beëdigd.

Uiteraard was bij dit ambacht controle nodig, om te voorkomen dat er geknoeid werd met het gehalte en het gewicht. De eindcontrole vond plaats door de waardijn, die in beginsel geheel onafhankelijk was van de muntmeester.

Een musketmaker maakte muskets, dit is een verdragend schietgeweer met lont, dat bij het schieten op een vorket (draagstok) wordt gelegd. Een musket is een handvuurwapen uit de zestiende en zeventiende eeuw.

Heel handzaam was het musket niet. Het wapen was ongeveer anderhalve meter lang en woog minimaal zes kilo, maar vaak nog een stuk meer, tot zo’n negen kilo. Om een schot te lossen had de musketier vaak twee soorten kruit nodig. Kruit in het geweer om de kogel mee weg te schieten, maar ook zogeheten pankruit om het gewone kruit mee te ontsteken.

Een musket bestond uit een gladde loop, een houten lade en een ontstekingsmechanisme, meestal een lontslot. Soms werden musketten uitgerust met een radslot, maar dit mechanisme was te duur en te ingewikkeld om massaal te worden ingevoerd. De meeste musketten hadden een aparte laadstok die onder de loop geschoven kon worden; soms fungeerde de steunvork als laadstok. Het wapen werd via de voorkant van de loop geladen en schoot doorgaans ronde, loden kogels af, die de musketiers zelf konden gieten in een kogelgiettang. Om de verwondingen groter te maken, werden soms de kogels ingesneden, of werden ze per twee door middel van een metalen staafje met elkaar verbonden. Ook was het mogelijk om schroot of hagel af te vuren.

Het laden van een musket kostte veel tijd: eerst moest de pan (voor de ontsteking) met kruit worden gevuld, waarna het losse kruit, de prop en de lading via de voorzijde van de loop moesten worden geladen en met een laadstok worden aangestampt. Daarna werd de smeulende lont in de haan geklemd, waarna het wapen schietgereed was. In de 17e eeuw was de vuursnelheid veelal 1 schot per minuut.

28 tijdrovende handelingen

Even snel een schot lossen was er voor de musketier niet bij. Voor elk schot moest hij maar liefst achtentwintig tijdrovende handelingen verrichten. In de strijd was dat niet handig. Onder prins Maurits werd daarom een systeem bedacht waarbij de musketiers in verschillende linies werden opgesteld. De handelingen die de musketiers moesten uitvoeren werden vervolgens in een vast patroon gebracht. Na het gelijktijdig afvuren van een schot door de voorste linie, liepen de musketiers naar de achterste rij om opnieuw te laden. De tweede rij stapte ondertussen naar voren om ook een schot te lossen. Zij waren inmiddels voorbereid en hoefden alleen nog maar het furket te plaatsen, te richten en te schieten. Deze musketiers sloten vervolgens achter aan in de rij en begonnen ook aan het herladen van de musketten, waarop de derde rij naar voren liep om een schot te lossen. Enzovoort.

Dordrecht kreeg vanaf 1572 Metaalhandelaren en Smeden binnen haar muren, uit Wallonie/Vlaanderen en Brabant, die op de vlucht waren voor de Spanjaarden. Zij brachten voor Dordrecht de kennis van de wapenhandel.

Een mutsenmaker maakte mutsen. Een muts is een genaaid of gebreid hoofddeksel voor vrouwen, meestal sluitend om het hoofd en soms onder een ander hoofddeksel. Dankzij de toename van de welvaart ontwikkelde de muts zich vanaf 1860 als modevorm. Elk dorp had vroeger wel een mutsenmaakster. Deze dames gingen mee in de eisen die de klanten stelden en gingen de gevraagde muts zelf vervaardigen, schoonmaken en herstellen. Het maken van zo’n muts was echt vakwerk.

Mutsenmaaksters waren er in drie standen:

  • de ‘allerlaagste’ waren degenen die mutsen schoonmaakten en wasten;
  • de middenklasse werd gevormd door diegenen die de nieuwe mutsen maakten;
  • de ‘upper ten’ werd gevormd door de deftige vervaardigers van mutsen.

Deze laatsten gaven dus ook de mode aan. Mutsenmaaksters waren vaak ongehuwde dames.

De voorstroken van knipmutsen worden vaak op een plooiraam geplooid. Dit is werk van de mutsenmaakster. De gesteven stroken worden met behulp van de koperen staafjes in een golvende vorm gebracht. Dan worden ze, nog op het plooiraam, boven de stoom gehouden. Wanneer ze afgekoeld en gedroogd zijn, zitten de plooien er goed in en kunnen de stroken aan de muts genaaid worden. Bij iedere wasbeurt moet de muts uit elkaar gehaald worden en weer op deze wijze worden opgemaakt.

In Scheveningen wordt de plooischaar glad gehouden met een mengsel van bijenwas en kaarsvet. Zo wordt voorkomen dat er stijfsel uit de muts aan het metaal blijft kleven. Voor het wassen, stijven, strijken en weer in elkaar zetten ontving de mutsenmaakster 9 cent. Voor het maken van elke muts was ongeveer 1.50 mtr. Brussels kant nodig. Een muts maken kostte ongeveer 20 gulden.

Een vergelijking met andere beroepen: een goede vakman verdiende f. 8,- a f. 9,- per week, een losse arbeider f. 5,- a f. 7 Het maken van een muts kostte vaak 60 uur werk. Het schoonmaken van de muts, de muts werd losgemaakt en gewassen in groene zeep en nat op de bleek gelegd, op het gras in de zon. Dan drogen, repareren en dan stijven. Een stijfselpapje met een beetje blauwsel erin voor het geel worden.

De streekmuts was een duur stuk. Niet alleen kon je de muts niet zelf maken. Hij moest om de paar weken ook opnieuw worden gewassen en terug in model gebracht of ‘opgemaakt’ worden. Ook dat moest je uitbesteden en kostte dus geld. Veel boerenvrouwen waren daarom zuinig op hun muts. Ze droegen hem alleen op zondag. Maar vrouwen die hun streekmuts niet op hadden, liepen niet blootshoofds rond. Zij droegen een eenvoudige werkmuts of kap zonder versieringen. Ook wie in de rouw was droeg een eenvoudige muts, of je nu rijk of arm was.

Mis je een beroep in de lijst?

Laat me dit dan weten, bij voorkeur met de beschrijving van het beroep.

Contact
Schrijf mij in voor de nieuwsbrief (iedere 2 maanden)
Bezig met versturen

Vergeten beroepen met de letter M

Wel eens van een macadamsteenklopper gehoord, of wat dacht je van een maaksman? Andere voorbeelden zijn een maliemaker, manger, marodeur, marskramer, meelbuil of een marketenster. Sommige beroepen lijken logisch, zoals de mantelverhuurder, maar daar kan je je flink in vergissen. Veel beroepen omvatte meer taken en verantwoordelijkheden dan je zou denken, maar het tegenovergestelde kwam ook vaak voor.

Veel van dit soort oude beroepen komen gelukkig tegenwoordig niet meer voor. Niet alleen omdat ze niet meer functioneel zijn en door de tijd zijn opgeheven, maar ook omdat de omstandigheden voor belastend waren dat de arbeiders er vaak ernstige ziektes aan overhielden.

Afbeeldingen

Op Yory vind je ook – waar beschikbaar – een afbeelding van een oud beroep. Denk aan een prent(kaart), tekening of oude foto. Dit soort afbeeldingen geven een goede indruk van de omstandigheden van zo’n beroep in alle jaarseizoenen. Ook is het interessant hoe een persoon in een bepaald beroep gekleed ging. Zo heette de aapjeskoerier niet voor niets zo, en aan de kleding te zien is het al snel duidelijk waar zij zo werden genoemd.

Lees ook

Download hier gratis de Family Tree Builder
Registers van de Nijmeegse Hulpbank 1870-1928
Word wegwijs in de Duitse archiefterminologie
Protestantse archieven in België
Vergelijk jezelf met Compare-a-Face van FamilySearch
Stamboomonderzoek in het buitenland

Oude en vergeten beroepen van vroeger (M)

Reageer op dit artikel
Opmerkingen over artikel
Schrijf mij in voor de nieuwsbrief (iedere 2 maanden)
Bezig met versturen

Wil je een donatie doen?

Yory is non-profit, maar de kosten zijn zeker € 750 per jaar. Met donaties kan dit platform blijven bestaan.

Yory donatie banner
Yory donatie banner vierkant
ZOEK