Oude en vergeten beroepen van vroeger (O)
Een overzicht van alle oude vergeten beroepen van vroeger, op alfabet met de letter O.
Wat was een olderman?
Een olderman was een ambtenaar in de Friese en Saksische regio's. Zij waren hoofden van gilden (o.a. het wantsnijdersgilde), vertegenwoordigers van het volk in stadsbesturen en rechters.
Wat was een oliekoop?
Oliekoop was een vroegere benaming van rondzwervende geneesmeesters of kwakzalvers, die, veelal in een blauwe, met lint omboorde manteljas gehuld, en getooid met een breedgerande hoed, vooral door het verkopen van allerlei geneeskrachtige wonderoliën de kost probeerde te verdienen.
Het waren lui met een aparte benadering van de ziekteleer. Zij zagen gelijk aan het gezicht of de ogen wat de patiënt mankeerde en altijd hadden zij de vereiste, heilzame geneesmiddelen bij de hand. Dit viel te lezen in een hekelend vers tegen de kwakzalvers, in de achttiende eeuw:
Ja ook die oliekoop, die, door den nijd gedreven,
De kwakzalver schuin begluurt, is een van zijn neven;
Een gauwdief ingelijk, naar algemeen gerucht
Ook in zijn land 't schavot ternauwernood ontvlucht,
Die vent zijn waren ook, om voor die slechte prullen,
Tot schaê van 't Algemeen, zijn maagre beurs te vullen,
Wacht, kindren, wacht' u dan' in het vervolg van tijd,
Als gij volwassen en uw eigen meester zijt.
Wat was een oliemeester?
De oliemeester geeft de (raap- en lijn)olie uit aan de lantaarnvullers. In 1544 werd in Amsterdam de eerste bekende kaarslantaarn van de Lage Landen ontstoken. Al snel volgden er meer, ook in andere steden. Sommige van deze eerste lantaarns werden door de overheid geplaatst, anderen waren particuliere lampen, die aan huizen hingen. Veel gemeenten hadden in deze periode een verordening volgens welke aan elk zoveelste huis verplicht en op kosten van de bewoners een lantaarn moest hangen. Eind zestiende eeuw werd het zogeheten ‘lantaarngeld’ ingesteld; een belasting die iedereen naar draagkracht diende te betalen.
In 1663 vond Jan van der Heyden een lantaarn uit, die voorzien was van een door hem ontworpen brander. Hij had ook uitgezocht welke olie gebruikt moest worden. De lampolie bestond uit een mengsel van 2/3 raapolie en 1/3 lijnolie. In de tijd van de olieverlichting, vanaf het midden van de zeventiende eeuw, waren de lampvullers verantwoordelijk voor het onderhoud van de lantaarns. Naast het bijvullen van olie zorgden ze er ook voor dat de pitten op orde waren. Verder voerden ze reparaties uit en hielden ze de lampen schoon.
In 1767 stonden er te Amsterdam 2815 straatlantaarns, die ‘...sedert eenige jaren, het gantsche jaar door, bij donkere maan, en 's avonds of 's nagts, aangesteken en lichten, ten kortste drie en een half of vier en ten langste veertien uuren.’. Het personeel bestond toen uit 1 opziender;1 oliemeester; en 17 ‘vullers.
De aansteker stak dan vervolgens de lantaarn aan. Iedere lantaarnopsteker had ongeveer 20 lantaarns te vullen en aan te steken. Daarbij zat hij vast aan een strak tijdschema. Vanwege economische redenen mocht hij de lamp namelijk niet voor het donker aansteken. Tegelijkertijd moest de burger echter ook niet te lang hoeven wachten op brandende lantaarns. Daarom diende hij exact te beginnen op het uur dat in het dagregister was aangegeven en dat op de tijd van het jaar was afgestemd. Zodra hij de lantaarns in zijn wijk had aangestoken werd er nog eens rondgelopen om te controleren of alle lampen wel brandden.
In sommige gemeenten was straatverlichting aanwezig in de vorm van een gespannen koord tussen tegenover elkaar staande gevels. Aan één gevel was een katrol bevestigd. Hiermee kon de lantaarnaansteker de straatverlichting op straat laten zakken om die aan te steken.
Wat was een oliemolenaar (olieslager)?
Een oliemolenaar (olieslager) werkte in een oliemolens waar olie werd onttrokken aan oliehoudende zaden. Oorspronkelijk gebruikte men koolzaad en raapzaad, later ook lijnzaad en hennepzaad. In de olieslagerij wordt het zaad onder toevoeging van water geplet en onder de kantstenen fijngewreven. De twee kantstenen lopen 'op hun kant' in het rond over een vastgemetselde platte, liggende steen of ijzeren plaat, die rust op een gemetseld onderstel, het zogenaamde doodsbed omdat dit niet meedoet aan de beweging, dus 'dood' is, en waar een opstaande houten rand omheen is bevestigd.
Deze wijze van malen, de kollergang, werd uitgevonden door Cornelis Cornelisz. van Uytgeest, die in 1597 daarop octrooi kreeg. Hierdoor wordt het zaad niet verpulverd, maar geplet. Een houten strijker zorgt ervoor dat het weggeschoven zaad steeds weer voor de kantstenen terechtkomt. Na een bepaalde tijd wordt het geplette zaad (nu meel genoemd) opgevangen om te worden verwarmd omdat dit het uitpersen van de olie vergemakkelijkt. Dit gebeurt in de vuister, een gemetseld fornuis met daarop een ijzeren plaat met een opstaande ring. Een ronddraaiend roerijzer moet voorkomen dat het zaad zou aanbranden.
Wollen zak
Nadat het meel is verwarmd, wordt het opgevangen in een 'buul', die lijkt op een wollen zak. De buul gaat in een dikke dubbel te vouwen mat van paardenhaar die is verstevigd met leder. De buul wordt tussen twee ijzeren platen geplaatst die met grote kracht naar elkaar toe worden gedrukt. De buul wordt samengeperst en de olie die eruit stroomt, wordt in een vat opgevangen. Het samenpersen van de buien en het weer los slaan wordt gedaan door het slagwerk dat bestaat uit enkele lange palen, een slaghei en een loshei, die door een nokkenas worden opgeheven en weer losgelaten.
Met ongeveer vijftig tot zeventig slagen zorgt de slaghei dat een wig naar beneden wordt gedreven waardoor de buien worden samengeperst. De loshei zorgt dat een andere wig wordt losgeslagen zodat de buul weer kan worden weggenomen. De samengeperste meelkoeken worden in het 'pottenblok' door stampers weer tot meel fijngemaakt, nogmaals verwarmd en ten tweede male geslagen. Deze tweede persing, de 'naslag', is van mindere kwaliteit.
De hardgestampte zaadschilletjes worden uit de buul genomen en als veekoeken verkocht. De veekoek was als handelswaar net zo belangrijk als de olie. Het werk in een oliemolen moest worden uitgevoerd in het oorverdovende lawaai van de heien en de stampers en in de walm van de verwarmde zaden. De molenaar woonde daarom niet in de molen maar meestal in een huisje ernaast. Bij de molens waren vaak één of meer schuren aangebouwd voor de opslag van zaad, olie en koeken.
Wat was een omloper?
Een omloper was 1. een venter met muizenvallen en kooien. 2. Een werkman in een textielfabriek. 3. Een visverkoper (man/vrouw).
Wat was een omnibusconducteur?
Een omnibusconducteur bereed een omnibus, een groot rijtuig. Op de wagen is een zitplaats aangebracht voor de conducteur, die de voerman door het blazen op een hoorn het sein geeft om stil te staan. Hij rijdt op een gewoon wegdek, dus niet op rails, en wordt voortgetrokken door een of meer paarden. Hij volgt een vaste route en rijdt op vastgestelde tijden.
De omnibus was een transportmiddel dat in de 19de eeuw veel gebruikt werd. De eerste omnibus reed in 1829 in Londen. In veel gevallen werd hij tegen het einde van de eeuw door een paardentram vervangen. Een paardentram, op rails, loopt lichter en comfortabeler en kan dus met minder paarden toe dan een omnibus. Hiertegenover stond wel de dure aanleg van de rails.
De omnibus werd meestal door twee paarden getrokken, als het gehele traject vlak was. Als er een helling in het traject was van meer dan 7 graden, dan werd er een derde paard toegevoegd. Bij alle bussen zat de koetsier gewoon voor op een bok.
Kort gezegd was de omnibus een uit de kluiten gewassen koets. De wagen van de meeste bussen was langwerpig en dicht met raampjes. Van binnen liepen er twee banken langs de zijkanten van voor naar achter, waardoor de passagiers tegenover elkaar zaten. Dat was dus in de andere richting dan bij koetsen het geval was. Er was plaats voor ongeveer 26 personen.
Voor ons is het moeilijk voor te stellen, maar de 19e-eeuwers kregen het voor elkaar om binnen deze tamelijk uniform overkomende 26 zitplaatsen drie verschillende klassen te onderscheiden, ieder met hun eigen prijs.
Het ideaal dat de eerste omnibusondernemers voor zich zagen was een vorm van openbaar vervoer waar je overal langs de lijn in of uit kon stappen en zo geschiedde aanvankelijk ook (er waren dus nog geen haltes). Binnen dat kader gingen de bussen wel een nauwgezette dienstregelingen aanhouden, waarbij ze op bepaalde tijden vanaf hun startplaats vertrokken. Op zich was het idee van een dienstregeling niet nieuw (er werd al langer mee gewerkt op het water), maar de manier waarop de omnibus deze ging gebruiken binnen het stadsverkeer, was toch ongekend.
Ondertussen waren er nog voor 1830 omnibusondernemingen met personeel in uniform en kenden sommige steden al snel vaste tariefprijzen voor bepaalde afstanden.
Wat was een (tv) omroepster?
Een omroepster was iemand die op televisie de programma’s aankondigde. Op 2 oktober 1951 ging de eerste officiële Nederlandse televisie-uitzending van start. Toentertijd waren er twee blokken zendtijd van anderhalf uur. De televisie startte met vijf omroepen, waarvan elke omroep één vaste dame had die de aankondigingen verzorgde.
Vanaf de start van de televisie in Nederland waren de omroepsters er om kijkers door de tv-avond te loodsen. Ze waren noodzakelijk als verbindend element tussen de programma’s. De eerste beelden werden aangekondigd door Jeanne Roos, die afkomstig was van de NTS, de voorloper van de NOS.
Opstapje naar grotere baan
In 1956 nam het aantal televisietoestellen toe van 35.000 naar 80.000. Hierdoor drongen de omroepsters tot meer woonkamers door en hun populariteit groeide. In de jaren zestig groeide de uitzendtijd op de Nederlandse televisie fors. Als gevolg hiervan werd het aantal omroepsters uitgebreid. Beginnende omroepsters werden vooral in de middaguitzendingen ingezet.
Een baan als televisieomroepster was meestal een opstapje naar een grotere baan in de televisiewereld. Omroepsters in de jaren zeventig waren meestal jong en ambitieus, en in de lente van hun leven. Elke omroep had één of meerdere vaste gezichten. Bij de AVRO was dit bijvoorbeeld Lous Haasdijk en bij de VARA praatte Elles Berger de programma’s lange tijd aan elkaar.
De NOS was de eerste omroep die in 1988 de omroepster afschafte. In 1992 namen ook de KRO, NCRV en de AVRO afscheid van de omroepsters.
Wat was een onderkruiper?
Een onderkruiper werkte aan boord van VOC schepen, en waren de hulpjes van de opperkruiper. Hij verdiende 14 gulden per maand (1749).
Wat was een oorijzermaker?
Een oorijzermaker maakte oorijzers. Het oorijzer is een onderdeel van de klederdracht voor vrouwen in met name de noordelijke provincies van Nederland en Zeeland. Het vormde oorspronkelijk een onderdeel van de burgerdracht, dat in de streekdrachten is overgenomen.
Aanvankelijk was het oorijzer een metalen beugel om de mutsen op hun plaats te houden. Het werd over een ondermuts gedragen en een luxueuze bovenmuts werd er op vastgezet. In de loop der tijd groeide het oorijzer uit tot een pronkstuk. Aan de voorzijde van de oorijzers staken versierde gouden plaatjes of krullen uit. Mutsspelden werden gebruikt om de kap aan het oorijzer te bevestigen.
Pas in de 19e eeuw ontstonden in Nederland uiteenlopende vormen van het oorijzer als een specifiek onderdeel van de Nederlandse streekdrachten. Nadat in de Franse tijd de tot dan toe zelfstandige gewesten van de Republiek der Verenigde Nederlanden onder één bewind komen, ontstaat in de regio's de behoefte om de eigen identiteit te behouden. De welvaart is groot, waardoor het oorijzer steeds groter wordt. Bovendien wordt de grote duitse muts, vervangen door een mantelmuts of sluiermuts, waaronder het oorijzer beter te zien was.
Wat was een opdoener?
Een opdoener (man/vrouw) werkte in de textielindustrie met meekrap.
In een advertentie is te lezen: "Eene bekwame opdoenster kan geplaatst worden aan de bleekerij "De Lelie".
Wat was een opperbottelier?
De opperbottelier (vroeger de opperschenker) had een functie aan boord van VOC schepen. Daar hield hij zich bezig met de distributie van voedsel en drank, o.a. aan de kok en zijn maat, die de gehele bemanning van voeding voorzagen. Hij moest dagelijks het rantsoen aan de kok leveren.
Dit was tot in de negentiende eeuw vooral op lange reizen een belangrijke functie, omdat schepen vaak weken op zee verkeerden zonder een haven aan te doen. Te weinig of bedorven voedsel kon allerlei ziekten aan boord van het schip doen uitbreken.
Hij moest de schipper wekelijks op de hoogte houden van de voedsel- en drankvoorraden. Hij werd bijgestaan door een botteliersmaat, de kuipers en enkele matrozen (ruimgasten genoemd). Naast de hoofdtaak had de bottelier in later tijd ook andere taken, waaronder het indelen van het wachtsvolk.
Wat was een opperkoopman?
Een opperkoopman was verantwoordelijk voor de lading en de handel. Tot 1742 was in theorie de opperkoopman degene met de hoogste positie.
Een opperkoopman was de hoogste functionaris aan boord van een VOC-schip, hoger dan de schipper! Om in zo’n functie aan te treden moest hij wel connecties op hoog niveau hebben. Vaak door familie. Hij had connecties met een hofleverancier aan de VOC en de Admiraliteit.
VOC-schepen hadden vreemd genoeg niet één kapitein. Er waren twee mensen de baas: de schipper en de opperkoopman. De schipper moest het schip en de bemanning heelhuids in Batavia zien te krijgen. De opperkoopman werd door de VOC meegestuurd om te zorgen dat de reis zo snel en winstgevend mogelijk verliep. Vreemd genoeg was de opperkoopman eigenlijk hoger dan de schipper. Als zij ergens ruzie over kregen, had de opperkoopman het laatste woord.
In de kajuit, de mooiste ruimte, werkten en sliepen de opperkoopman en de schipper. Aan een eettafel met mooi servies en stoelen aten de belangrijkste mensen. Voor hen werd speciaal gekookt; veel lekkerder dan voor het gewone scheepsvolk.
Wat was een orgelman?
Het beroep orgelman is nog niet geheel uitgestorven. Het draaiorgel werd van plek naar plek getransporteerd door man-, paarde- of motorkracht, waarna allerlei populaire deuntjes werden afgespeeld, meestal door een man, die het mechanisme met een draaiwiel in beweging bracht en hield. De af te spelen melodietjes waren in orgelboeken geponst. Door de ponsgaten werd lucht geblazen die het betreffende instrument in beweging bracht.
Rond 1850 bouwde de Italiaan Ludovico Gavioli het eerste draaiorgel. De eerste buikorgeltjes waren gemakkelijk mee te dragen door de orgeldraaiers. Gaandeweg werden de orgels groter en was er een paard voor nodig om het orgel te kunnen verplaatsen. Weer later werd het instrument zelfs gemotoriseerd.
In eerste instantie werd de muziek voortgebracht door een houten cilinder met uitstekende pinnen, die de ventieltjes van het orgel aanstuurden. Rond 1890 kwam het kartonnen orgelboek met gaatjes. Later werden deze boeken vervangen door rollen van papier. Door te draaien aan het wiel, bracht de orgelman de rol en dus de muziek in beweging.
Wat was een orgelpijpmaker?
Een orgelpijpmaker was een orgelbouwer, hij ontwerpt en fabriceert de met de handgemaakte pijporgels. Dit vergt naast muzikale kwaliteiten vakkennis betreffende constructie van het orgel, hout- en metaalbewerking.
Een orgel bevat vele orgelpijpen. Het basismateriaal voor deze pijpen is koper, zink of tin. De lengte van een pijp varieert van vijftien cm tot tien meter. Elke pijp wordt met de hand gemaakt. De platen worden of ingekocht of zelf gegoten, dan geschaafd, gebogen en gerold om stalen leesten. Een orgelpijp bestaat uit een voet, een kern, een stemspleet, het corpus en het labium. Na het construeren volgt het intoneren waardoor de pijp de juiste stemming krijgt.
Ambacht
De vervaardiging gebeurt veelal op historisch ambachtelijke wijze. De metalen worden gesmolten in een grote gietijzeren ketel, de smeltkroes. Na het bovendrijvend vuil afgeschept te hebben, giet men het vloeibare orgelmetaal in een gietlade, een trechtervormige bak met een spleet onderaan. De gietlade wordt in een aan snelheid afnemend tempo getrokken over de giettafel: een tafel bespannen met linnen doek of een zandbed.
Tegenwoordig giet men ook op zeer stevig glas. Na afkoeling is de plaat orgelmetaal klaar voor verdere bewerking. Indien de plaat van hoog loodgehalte is, wordt ze omwille van stevigheid gehamerd. Daarna wordt de plaat op dikte geschaafd en/of gewalst. De plaat wordt uiteindelijk bestreken met een bolusverf, waarop kan getekend worden. De onderdelen van de pijp worden uitgetekend en uitgesneden op de plaat. De verschillende onderdelen van de pijp worden aan elkaar gesoldeerd.
Wat was een orgeltrapper (caltant)?
De orgeltrapper, ook wel caltant of pomper genoemd, voorzag in de tijd dat er nog geen elektriciteit was, het orgel tijdens het bespelen door de organist van een constante luchtdruk. Hij moest daartoe op de aan de daar voor aanwezige blaasbalgen gemonteerde hefbomen treden om het orgel van voldoende lucht te voorzien. Bij grote orgels was meer dan een orgeltrapper noodzakelijk. Meestal was dit een klus voor arme mannen, die zo wat konden bijverdienen. Een enkele maal wordt een vrouw als orgeltrapster genoemd, waarschijnlijk in een dorpskerk met een klein orgel.
Sinds eeuwen bleef deze taak voorbehouden aan arme mannen die zo een centje konden bijverdienen. Bij grote orgels zijn meerdere grote blaasbalgen aanwezig en is er dus een volledig team aanwezig om het orgel te voorzien van voldoende lucht. Het werk is soms vermoeiend en menig organist klaagde wel over het feit dat de winddruk niet constant was.
Calcantenbel
Op grote orgels bevindt zich vaak bij de speeltafel een knop waarmee de organist een belletje, de calcantenbel, kan laten rinkelen, zodat de trappers weten dat ze weer aan het werk moeten gaan. Bij gemoderniseerde orgels, die naderhand van een elektrische pomp zijn voorzien, is deze knop soms nog steeds in gebruik, maar nu om de motor te starten. Tegenwoordig heeft bijna ieder orgel een elektrische motor om voor de orgelwind te zorgen
Vandaag vinden we op de meeste oude orgels nog steeds de pedalen of hendels van de calcanten, die vaak nog in goede staat zijn, hoewel ze niet meer worden gebruikt. Sinds de invoering van de windmotor komen calcanten alleen nog in de historische uitvoeringspraktijk te pas, bij het bedienen van handbalgen. Zo wordt bij alle concerten in de Pieterskerk in Leiden op het Van Hagerbeer Orgel uit 1643 de windvoorziening verzorgd door het Orgeltrappersgilde.
Bij kleinere orgels, en ook bij het harmonium, zorgt de organist zelf voor de orgelwind. De pedalen voor de blaasbalgen bevinden zich dan onder de speeltafel.
Wat was een ornamenteur?
Een ornamenteur was een ambachtsman die ornamenten aanbrengt bijvoorbeeld op lijstwerk van deuren, kasten en ramen.
Ornamenten, of, zoals in het 17de-eeuwse Nederlands, 'versierselen', zijn traditioneel onder meer toegepast aan pilaren, kroonlijsten, moerbalken, trappen, lambriseringen, deuren enzovoort. Op architraven rond deuren bijvoorbeeld maakten men in de Renaissance weelderig versierlijstwerk met guirlandes, festoenen en bladslingerwerk.
Niet alleen gebouwen werden voorzien van ornamenten maar ook schepen, schilderijlijsten, meubels, muziekinstrumenten en kunst-en gebruiksvoorwerpen werden rijkelijk versierd. De ornamenten werden door ornamentsnijders in zacht gesteente, hout, been en ivoor vervaardigd. Het vervaardigen van ornamenten heet orneren. De term ornamentsnijder is een typisch 19e-eeuwse benaming. Vaak werd nog een uitsplitsing gemaakt naar specialisatie zoals florale ornamenten of geometrische ornamenten.
Verenigd in Gilden
In de middeleeuwen was het de kistenmaker die de kisten voorzag van ornamenten en was het nog geen apart ambacht. Vanaf de Renaissance werd de term antieksnijder gebruikt. Het woord antiek verwijst hier naar het teruggaan naar de antieke stijlen van de Grieken en Romeinen. De meeste ornamentsnijders waren verenigd in gilden.
In Nederland hebben tot de vroege Middeleeuwen tot het begin van de 19e eeuw in totaal bijna 2000 ambachtsgilden bestaan. De ornamentsnijders waren aangesloten bij het timmermansgilde. De patroonheilige van het timmermansgilde was Sint Jozef. De gilden waren goed georganiseerd en het vakmanschap stond op een kwalitatief hoog niveau.
Leerlingen werden intensief opgeleid in het atelier van de leermeester. Door het opheffen van de gilden in 1790 verdween een effectieve manier van kennisoverdracht. De enorme kennis van de vroegere ornamentsnijders is vrijwel verdwenen en het ambacht wordt nog nauwelijks op het vroegere niveau uitgeoefend.
Wat was een ouderman?
De ouderman was binnen een gilde de hoogste gezagsdrager. Hij was bestuurder van een gilde. Hij regelde de “innerlijke aangelegenheden“ en vertegenwoordigde het gilde naar buiten.
Sinds het tweede kwart van de 16e eeuw is de naam deken in gebruik gekomen. Het gildebestuur bestond, meestal, uit een of twee oudermannen/dekens en enkele bestuursleden. Het is niet geheel duidelijk door wie de bestuursleden werden benoemd.
Het gilde zorgde goed voor zijn gildeleden. Zo kocht het gilde elk jaar rogge om uit te delen in de winter voor de arme leden. En als je dood ging, werd je begrafenis geregeld door het gilde.
Maar om gildebestuurder te worden, moest je soms eerst het burgerrecht kopen met 8 rijnse goudguldens. Zo kwamen alleen de rijke handelaren en de rijke ambachtslieden in het bestuur van sommige gilden.
Wat was een oudkleerklopper?
Een oudkleerklopper kocht inboedels van overledenen op, of organiseerde publieke verkopen in sterfhuizen. In Antwerpen (en wellicht andere steden) hadden ze zelfs een eigen gilde.
Wat was een ouwelfabrikant?
Een ouwelfabrikant leverde ouwel, een dun, wit ongedesemd baksel van rijstzetmeel of aardappelzetmeel. Het wordt ook nog gebruikt als label voor brood. Het wordt ook gebruikt op krentenbrood Ouwel wordt ook gebruikt als ondergrond voor verschillende soorten koekjes, bijvoorbeeld kokosmakronen maar ook voor noga. Een bekende fabrikant was vroeger Wed. R.Kok en zoon in de Zaanstreek.
Alhoewel ouwel in de hele wereld wordt gegeten, is het een echt Nederlands product. De grondstoffen worden namelijk uit de Hollandse aardappel gehaald. In de fabriek komt het aardappelzetmeel in poedervorm binnen. Daar wordt het gemengd met water en tot een beslag gemixt. Indien nodig, worden kleur en een klein beetje olijfolie toegevoegd. Die substantie gaat daarna naar de walsdrogers. Het vloeibare beslag komt op de walsdroger en wordt gekookt, gedroogd met een speciale walsdroogtechniek, en komt daarna in een heel dun laagje van de machine af. Het product wordt wereldwijd verkocht.
Wat was een ovaaldraaier?
Een ovaaldraaier is iemand die op een draaibank uit hout of metaal ovaalvormige voorwerpen maakt.
Ovaal draaien is een techniek die in de metaal draaihandel wordt toegepast. Bijzondere voorbeelden zijn de ovale bekers en kisten van ivoor in de schatkamer van de Saksische keurvorsten en koningen, de Groene Kluis in het kasteel van Dresden, waarvan de oudste stukken uit de 16e eeuw dateren. De ovale draaier was een goedbetaalde specialist onder de dragers.
Ovaal draaien is altijd gedaan op het ovale of ovale draaimechanisme. Het werd ook gebruikt om alledaagse voorwerpen te maken waarvoor de ovale - meer bepaald elliptische - vorm bijzonder geschikt is, zoals een broodschaal of tal van andere voorwerpen. De ovale beweging werd decennia geleden vervangen door productievere technologieën.
Rond 1980 begon een ontwikkeling om het oude, langzaam en luidruchtig lopende, ovale uurwerk te vervangen door een modern mechaniek dat rustig en snel loopt, maar toch de oude handvaardigheid vereist.
Wat was een overluider?
Een overluider was een begrafenisdienaar die de kerkklokken luidde bij een overlijden.
Overluiden is een traditie waarbij kerkklokken worden geluid ter boodschap dat een persoon is overleden. Afhankelijk van de regio zijn er verschillen in de uitvoering. Zo zijn er in enkele gebieden afspraken omtrent de tijden van overluiden, waarbij elk kerkdorp zijn eigen tijdstip heeft voor het overluiden van een persoon.
Een ander voorbeeld is dat er rekening wordt gehouden met de status van de persoon. Waar normaliter enkele minuten voor een overleden persoon wordt overluid, werd Willem III van Oranje gedurende negen weken, driemaal daags voor twee uur lang overluid.
In vroeger tijden wist ook bijna iedereen wel wat dit betekende. Aan de hand van het tijdstip en het aantal slagen konden de mensen namelijk afleiden in welke buurtschap iemand gestorven was en ook of het een kind was, een vrouw of man en of de overledene gehuwd of ongehuwd was. Het gebruik dat de klokken geluid worden als ergens een sterfgeval heeft plaatsgevonden heet “overluiden”.
Wat was een overtochtmeester?
Een overtochtmeester was een opzichter van een overtoom of overhaal, een installatie om schepen over een dam te trekken. Een overtoom is een installatie waarbij een schip over land van het ene in het andere water wordt getrokken, met het doel een peilverschil te overwinnen. De overtoom kan worden gezien als een voorloper van de schutsluis. Een andere term is overhaal.
Een overtoom bestond vaak uit een helling met daarop balken die met vet ingesmeerd waren. Met behulp van een windas, opgehangen boven het hoogste punt van de overtoom, werd het schip uit het water getrokken en over de balken naar een ander water verplaatst. Op oude afbeeldingen zijn vaak de grote wielen te zien waarmee de takels werden bediend. Soms werden in plaats van balken boomstammen gebruikt, waarover het schip kan rollen.
Het overtrekken van de boten werd door 16 tot 24 sterke mannen uitgevoerd, de zogenaamde 'treckers' of 'overwinders'. Deze waren in dienst van de stad en werden door een overtochtmeester aangevoerd. Het overhalen moet een heel spektakel zijn geweest. Kleine groente- en visscheepjes vertrokken al rond 4 uur 's ochtends naar de markten en gedurende de dag kwamen de grotere schepen tot een uur of 10 's avonds als de stadspoorten sloten. Begin 1600 moeten het tientallen schepen per dag geweest zijn, maar gedurende de eeuw liep dat terug tot zes grote schepen per dag en meerdere kleinere schuitjes.
Schip over land
Tijdens de Gouden Eeuw ging er veel verkeer over het water, maar hoe stak je met een boot de weg over? De overhaal of overtoom werd gebruikt om een schip over het land te trekken, het werd eeuwen gebruikt om boten van vaarwater naar vaarwater te krijgen. De overtoom was een waterwegverbinding die twee vaarwegen met elkaar verbond. Kleine vaartuigen werden over de dam getrokken en konden hun reis voortzetten op een ander waterpeil.
In de Gouden Eeuw werd de overtoom steeds belangrijker, omdat steden een sterkere positie hadden als verschillende transportwegen goed op elkaar aansloten. Het beheer van een overtoom kon nog heel wat opleveren. Per oversteek betaalde de bezitter van een vaartuig een vast tarief, dat door de stadsbestuurders werd bepaald. In 1704 kostte het overwinden van een schip van 100 voet 80 gulden.
Een overtoom bestond vaak uit een centrum van activiteiten. Belangrijk was het café. Het overhalen van een boot ging niet zo snel en het was zwaar werk. Sommige mensen gingen wel eens een dagje naar de overtoom voor hun plezier, om te kijken naar de schepen die over de dijk werden getrokken.
Mis je een beroep in de lijst?
Laat me dit dan weten, bij voorkeur met de beschrijving van het beroep.
Vergeten beroepen met de letter O
Wel eens van een oliekoop gehoord, of wat dacht je van een opdoener? Andere voorbeelden zijn een oliemolenaar, oorijzermaker, ornamentist, ovaaldraaier of een overluider. Sommige beroepen lijken logisch, zoals de pasteibakker, maar daar kan je je flink in vergissen. Veel beroepen omvatte meer taken en verantwoordelijkheden dan je zou denken, maar het tegenovergestelde kwam ook vaak voor.
Veel van dit soort oude beroepen komen gelukkig tegenwoordig niet meer voor. Niet alleen omdat ze niet meer functioneel zijn en door de tijd zijn opgeheven, maar ook omdat de zware omstandigheden voor arbeiders zo belastend waren dat zij er vaak ernstige ziektes aan overhielden of zelfs kwamen te overlijden.
Afbeeldingen
Op Yory vind je ook – waar beschikbaar – een afbeelding van een oud beroep. Dit kan een prent, tekening of oude foto zijn. Dit soort afbeeldingen geven een goede indruk van de omstandigheden in alle jaarseizoenen. Ook is het interessant hoe een persoon in een bepaald beroep gekleed ging. Zo heette de aapjeskoerier niet voor niets zo; aan de kleding te zien is het al snel duidelijk waar zij zo werden genoemd.
Lees ook
Oude en vergeten beroepen van vroeger (O)























































