Oude en vergeten beroepen van vroeger (E)

Henk van Hal

Expert in oude beroepen

Yory donatie banner vierkant

Een overzicht van alle oude vergeten beroepen van vroeger, op alfabet met de letter E.

afbeeling op yory
Bron: Wikimedia

Een ebbenwerker was iemand die met ebbenhout werkte, echter hij werkte ook met andere soorten hardhout. Ebben is een houtsoort afkomstig uit Afrika en Azië. Het is diepzwart, zeer hard en zwaar: het zinkt in water. Desondanks is het zeer goed te bewerken: het laat zich snijden, zagen, draaien, polijsten, schaven en boren. Maar het vereist wel gespecialiseerd gereedschap, daar was men het vroeger al over eens. In 1625 beweren ‘ebbenhoutwerckers’ te Amsterdam dat ‘de gereetschappen van de gemeene kistemaeckers niet bequaem en sijn, noch oock niet gebruycke en cunnen werden om ebbenhout te wercken’.

Ebbenhout heeft een homogene structuur, een korte draad en het splintert vrijwel niet. Bovendien werkt ebbenhout maar weinig na droging. Hoewel ebbenhout bekend is als zwart hout uit tropische gebieden, bestaat er ook gestreept ebben en zijn er ook soorten die uit niet tropische gebieden komen. Van de soorten binnen dit geslacht zijn er maar enkele die ebben leveren.

Ebbenhout wordt en werd vooral toegepast als snijwerk en beeldhouwwerk, in muziekinstrumenten, schaakstukken, sierwerk en lijsten. Als inlegwerk werd het gebruikt in meubelen. Door de donkere kleur contrasteert het mooi met lichtere houtsoorten. Vanwege dit contrast werd het ook dikwijls gecombineerd met ivoor. Mogelijk dat Anthonij van der Wiel daardoor in zowel de ivoorhandel als in het ebbenwerk terecht is gekomen. Anthonij Gerritsz van der Wiel was een veelzijdig man, hij was niet alleen lijstenmaker, maar handelde in kunst en ivoor en was daarnaast ook nog ebbenwerker.

 

Bron: Wikimedia, ca. 1860, horlogeketting, medaillon en bewaardoosje
Bron: Wikimedia, ca. 1860, horlogeketting, medaillon en bewaardoosje

Een ebonietmaker werkt met eboniet, eboniet wordt gemaakt van rubber. Hieraan wordt een overmaat aan zwavel toegevoegd. Eboniet ontstaat door middel van het vulkaniseren van rubber met zwavel. Door het vulkaniseren ontstaat een hard en stug materiaal.

Daarnaast is eboniet een goede isolator, het materiaal heeft een hoge weerstand tegen elektrische stroom. Daardoor geleidt het materiaal elektrische stroom nauwelijks. Verder is het materiaal goed bestand tegen zwavelzuur. Het wordt ook gebruikt voor art-deco klokkenkasten, wekkerklokjes en als isolatiemateriaal.

Eboniet is een materiaal dat in verschillende producten wordt verwerkt. Zo wordt het materiaal onder andere toegepast in elektrotechnische installaties en schakelborden. Ook wordt het materiaal gebruikt ter ondersteuning van klemmen. Ook accubakken kunnen van eboniet worden gemaakt omdat het materiaal goed bestand is tegen zuren zoals accuzuur. Verder wordt eboniet ook als hoofdbestanddeel toegepast van gummiknuppels.

Een edelsteenbewerker werkt met edelstenen. Hij beoordeelt ze eerst op zuiverheid en kwaliteit, beslist vervolgens over hun bruikbaarheid en geeft ze de gewenste vorm en de juiste snit.

Het gebruik van edelstenen is gebaseerd op hun mooie uiterlijk en hardheid samen of alleen op hun hardheid. In het eerste geval worden ze gebruikt voor sieraden, in het andere voor bepaalde technische doeleinden waarvoor een bijzonder hard materiaal vereist is. Verreweg de meeste, en vooral de mooiste en kostbaarste in hun meest waardevolle exemplaren, worden gebruikt als edelstenen.

Hiervoor zijn ze echter in hun natuurlijke, zogenaamde rauwe staat, als het zogenaamde 'broed' van de edelstenen handel niet erg geschikt, omdat ze daarin meestal een lelijke uitstraling hebben. Pas nadat ze zijn bewerkt, door slijpen en polijsten, komt hun volle schoonheid naar voren; ze zijn pas geschikt voor sieraden als ze gepolijst zijn.

Bewerkingen van de edelstenen

In het begin is er de edelsteen als grondstof. Door in regelmatige vormen te slijpen, komt de ware schoonheid van de edelstenen aan het licht. Kleinere, zuivere exemplaren (zoals bijvoorbeeld diamanten en robijnen komen vaak van nature voor) kunnen rechtstreeks aan het maalproces worden toegevoerd.

Zoals vaak het geval is bij andere edelstenen (bijv. Aquamarijn), zijn de stukken die in de natuur voorkomen voor een enkel sieraad te groot of zijn (zoals vaak het geval is bij edele opalen, enz.) alleen afzonderlijke delen van een groter stuk met voldoende helderheid en zuiverheid. En deze zijn omgeven door troebele, defecte en daarom onbruikbare delen, moet de ruwe steen voor het slijpen op de juiste manier worden voorbereid door hem in verschillende delen van geschikte grootte te verdelen, of door de onbruikbare onderdelen te verwijderen door een bewerking die minder tijdrovend en duurder is dan slijpen.

Het zagen gebeurt met diamantsplinters die in plaatmetaal of koperen schijven worden gestoken. Ze krijgen hun vorm en grootte op carborundumwielen. Vervolgens worden de voorgemalen transparante edelstenen op plamuurhout gecementeerd, deze worden in geperforeerde platen gestoken en onder een bepaalde hellingshoek op horizontaal lopende loden schijven met carborundum geslepen. Ook worden koperen ringen gebruikt waaraan diamantstof is toegevoegd. Ten slotte werden ze gepolijst op tinnen of koperen schijven met verschillende oxiden, triples of diamantpoeder.

Een eekschiller schilde letterlijk de eek van de eik. Dit werd veel door boeren gedaan als leuke bijverdienste of door speciale eekschillers, die met hun gezin er op uittrokken om hun armoedig bestaan wat op te vijzelen.

Het beroep van eekschiller is een oude vorm van seizoensarbeid, wat tot het begin van de 20e eeuw op grote schaal uitgeoefend werd. “Eek” is een andere naam voor de bast van de eik. Deze bast bevat looizuur, wat gebruikt kan worden om dierenhuiden tot leer te looien. Over het algemeen was de eekschillerij een klus voor in de late lente. De rest van het jaar hielden de eekschillers zich in leven door het verrichten van andere klussen, bijvoorbeeld als dagloner.

Tegen de maand mei trokken de eekschillers de bossen in, waar de bast van de eik op dat moment door de toegenomen sapstroom goed losliet van de stam van de boom. Om te beginnen werden de eikenbomen met de hand omgekapt. Een zware klus, want eikenhout is één van de hardste houtsoorten die in Nederland groeit.

De gekapte bomen werden vervolgens in stukken verdeeld, en vervolgens werd de bast los geklopt.  Dit werd vaak door kinderen gedaan, met de achterkant van een bijl of met een speciale hamer. Hierdoor liet de bast veel gemakkelijker los van de stam. Met behulp van scherpe messen werd de los geklopte bast vervolgens van het eikenhout afgestroopt. Meestal werd dit klusje gedaan door een potige eekschiller die tot aan zijn middel in een kuil in de grond stond. Door zijn lagere positie ten opzichte van de stam, hoefde hij niet te bukken en was het eenvoudiger werken.

Gebruik van de eek

De bast werd in repen bij elkaar gebonden en gedroogd. Hij werd dan verkocht aan de uitbaters van eekmolens, die de bast vermaalden tot een soort kruim, de zogenaamde run. De run kon vervolgens weer doorverkocht worden aan leerlooiers. Pas na de uitvinding van synthetische looistoffen in de 20e eeuw werd de eek snel minder waard. Hierna was het dan ook gedaan met dit eeuwenoude en zware beroep.

Het geschilde eikenhout dat overbleef, ging echter niet verloren. Het werd in grotere en kleinere stukken gekliefd en doorverkocht. Onder andere bakkers kochten graag dit lang brandende hout om hun ovens mee te stoken. En ook de locomotieven van de nieuwe spoormaatschappijen werden vaak gestookt met de grote blokken eikenhout, welke dan ook als spoorhout bekend stonden.

Een eggenmaker maakte eggen. Een eg is een land- en tuinbouwwerktuig waarmee grond zaaiklaar wordt gemaakt. Een eg moest heen en weer schommelen om de grond goed te verkruimelen. Het werktuig zag er simpel uit maar er was een hoop vakmanschap nodig om het te maken. Een nieuw exemplaar kostte, afhankelijk van de uitvoering, tussen de 200 en 400 gulden.

De klassieke houten eg - in driehoeksvorm of vierhoekig - was het werk van de eggenmaker. Eggen bestonden in alle maten en soorten, naargelang het uit te voeren werk en de structuur van de grond. Voor het verkruimelen van de kluiten grond na het ploegen werden de eerder zware types gebruikt, met lange en sterke houten of ijzeren tanden. Om de eg voldoende diep in de grond te houden, werd ze wel eens verzwaard met stenen. De tanden steken meestal aan de bovenzijde uit om bij slijtage door te slaan zodat een gelijke diepte bleef behouden. Fijner egwerk was bijvoorbeeld het ineggen van zaaigoed. Dan waren de - doorgaans driehoekige - eggen voorzien van fijnere en kortere tanden. De eg werd door één paard of meerdere paarden getrokken, later het werk van de trekker, met de tanden naar voren gericht.

De eg werd in diagonale stand door een paard over het land getrokken. Een eg moest "goed lopen"; dat wil zeggen automatisch heen en weer bewegen zodat het zaad goed "ondergewerkt" werd. De begeleider tilde regelmatig de eg op als er vuil aan de tanden bleef hangen. De handgreep was meestal van een koehoorn of een bot.

In de negentiende eeuw kwamen de volledig ijzeren eggen op, allen industrieel vervaardigd.

Een egger (egwerker) werkte op het land om met een eg de grond om te ploegen of fijn te maken. Eggen werden zowel met handkracht als met paardenkrachten en een trekker voortgetrokken.

Een ellenmaatstokmaker was een vervaardiger, meestal een gespecialiseerde timmerman, van ellenmaten (maatstokken). Een el is een oude lengtemaat die, althans in Nederland, circa 69,4 cm bedroeg. De maat werd lokaal, in ieder belangrijk handelscentrum, vastgesteld, waardoor er verschillen optraden.

De naam is afgeleid van de lengte van de onderarm, de ellepijp. De afstand van de oksel tot het uiteinde van de middelvinger is bij de mens, 67 à 73 cm. De el is onderverdeeld in 32 eenheden. Men kon zo op een eenvoudige manier lengtes meten. Omdat niet ieders arm even lang is, werd de el in 1725 gestandaardiseerd op de Haagse el.(69,4cm). De el was speciaal gebruikt in de textielhandel, daar ca. 69 cm.

Vaak werd voor de el een algemeen gemiddelde genomen van 68 cm. In verband met de heffing van accijns werd de Haagse el (69,4 cm) in 1725 de nationale standaard. Bij de invoering van het Nederlands metriek stelsel in 1820 werd de el gelijkgesteld aan een meter. Ter onderscheiding van de oude ellenmaten werd hij dan meestal ‘Nederlandsche elle’ genoemd. Met de Wet van 7 april 1869 werden oude benamingen, waaronder de el, afgeschaft en vervangen door de tegenwoordig gebruikelijke aanduidingen.

Beroep Elsenmaker
Bron: Wikimedia, priem of els met ruw gesneden houten handgreep, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed

Een elsmaker (ook elstmaker) maakte een gereedschap voor de schoen- en zadelmakers. Een els is een stuk gereedschap dat bestaat uit enerzijds een stalen stift met een scherpe punt, en anderzijds een hecht dat soms van hout, maar meestal van kunststof is gemaakt. Tegenwoordig noemen we dit een priem.

De els kan worden toegepast om een klein, ondiep gaatje in een voorwerp te prikken. Zo'n gaatje wordt bijvoorbeeld gebruikt om ervoor te zorgen dat een boor niet 'wegloopt' als er een gat moet worden geboord. Bij leerbewerking wordt hij gebruikt om onder meer stikgaatjes te maken. Een els wordt ook wel toegepast voor het nauwkeurig aftekenen op harde en donkergekleurde houtsoorten. Hierop zijn lijnen gemaakt met een timmermanspotlood slecht te zien. Ook zijn die lijnen minder precies. In zachthout wordt hij aangewend om gaatjes voor niet al te grote schroeven voor te prikken. Dan hoeft er niet geboord te worden.

Er zijn elsen met een ronde- en met een vierkante schacht. De vierkante schacht kan gebruikt worden om het gat iets 'uit te vreten' door een draaiende beweging te maken. Zadelmakers gebruiken een ruitvormige els. Niet om de steken te markeren maar om gaten in het leer te prikken.

De ruitvorm zorgt ervoor dat, wanneer alle gaten in dezelfde hoek worden gemaakt, er een stiksel kan worden gemaakt waarbij de steken allen schuin in het leer vallen hetgeen een nette aanblik geeft. Een els is door het zachtere staal type waar deze uit gemaakt is niet geschikt voor het markeren en centreren bij metalen.

De emaillebewerker brengt emaille op voorwerpen van metaal of aardewerk om deze te beschermen, te isoleren of om deze te versieren. Email bij aardewerk wordt meestal glazuur genoemd.

Een emaillelaag heeft verschillende bruikbare eigenschappen: email is zeer glad en het is erg hard, onbrandbaar en duurzaam. Metaal wordt door de emaillelaag tegen corrosie beschermd. Bij aardewerk wordt de oppervlakte dichter en minder waterdoorlatend, terwijl het ook krasbestendiger wordt. Door toevoeging van gekleurde oxiden wordt de emaillelaag ook decoratief.

In het Oude Egypte werd email toegepast bij aardewerk en bij gouden, bronzen en stenen voorwerpen. Rond 1850 werd in Oostenrijk en Duitsland voor het eerst email toegepast op plaatstaal. Vanaf omstreeks 1920 ontstond de emaille-industrie. Ook in Nederland gingen verschillende fabrieken email produceren. Voor het aanbrengen van de glazuurlaag werd een mengsel van kwarts, kaolien, borax en veldspaat in een oven gesmolten en op het te emailleren voorwerp gebrand.

Keukenartikelen

Bij het petroleumstel en bij pannen werden ook andere kleuren toegepast, zoals reseda groen, donkergroen, petrolblauw, zwart, rood, oranje gevlamd, mintgroen, creme en grijsgewolkt. Een aantal van deze uitvoeringen is echter verouderd. Voorbeelden van emaille keukenartikelen zijn: zand-zeep-sodastel, melkkoker, koffie- en theepotten, pannen, voorraadbussen, broodtrommels, lepelrek, nestschalen, vergiet, petroleumstel, zeepbakje, maatbeker, blaker, lampetkan, fluitketel, emmers en nog veel meer.

Ook werden metalen buitenreclame en bewegwijzeringsborden vaak geëmailleerd vanwege de kras- en roestbestendigheid van email en omdat het tot 50 jaar kleurvast kan zijn.

Een emmerbaggermolenaar werkte met een emmerbaggermolen, een werktuig in de baggerindustrie dat met een emmerladder met emmerketting zand en slib met behulp van baggeremmers van de waterbodem schept. Deze emmers worden rondgedraaid om de ladder en snijden daardoor erg nauwkeurig de grond af.

De emmerbaggermolen is een van de oudste werktuigen in de waterbouw welke aanvankelijk door spierkracht van mens of dier aangedreven werd. In 1750 werd in Frankrijk de eerste ladderbaggermolen van ijzeren emmers voorzien. De baggermolen zelf staat eigenlijk gemonteerd op een stalen bak of ponton. Vanaf de voorsteven tot ongeveer in het midden in de bak in de lengte as heeft men een insnijding (bun of beun genoemd) aangebracht.

Midden op het vaartuig staat de hoofdbok, een van staal geconstrueerde portaal, waarop de emmerladder scharnierend rust. Deze emmerladder wordt aan het onderkant opgehangen aan de ladderbok, die vlak bij de voorsteven van het vaartuig is opgesteld. In de ladderbok zit een hefmechanisme die de ladderbok op de gewenste diepte laat zakken om de grond af te graven. Bij transport van de emmerbaggermolen wordt de ladderbok grotendeels uit het water getild.

Emmerketting

De emmerladder dient voor de geleiding van de emmerketting. Dit is een ketting zonder eind met lange schalmen, waarop de emmers zijn bevestigd. De emmerketting loopt aan het boveneind van de ladder over een vijfhoekige trommel, en aan de onderzijde over de zogenaamde zeskant, en verder over rollen, die op de emmerladder zijn bevestigd. Het aantal emmers bedraagt 30 à 40 stuks en is de inhoud afhankelijk van de capaciteit van de molen.

De capaciteit van een emmer ligt tussen de 300 en 850 liter. De emmers hebben verwisselbare randen van gehard staal langs de bovenkant om de grond van de rivier- of zeebodem af te schrapen. In de bodem van iedere emmer bevinden zich een of meer gaten, om het water, dat zich in de emmer bevindt, tijdens het ophalen zo veel mogelijk te laten wegvloeien.

De volle emmers worden naar boven gehaald en de inhoud wordt bij het kantelen om de vijfkant opgevangen in een stortbak. De twee daar aangekoppelde stortgoten voeren de opgebaggerde grond af in een, naast de molen, liggende bak of beun. Is een stortgoot niet in gebruik, dan kan het onderste gedeelte in loodrechte stand worden gebracht, zodat de goot niet buiten het vaartuig uitsteekt. In de stortbak is een beweegbare klep aangebracht, waardoor het mogelijk is of de linker of de rechter stortgoot al dan niet te gebruiken.

Een emmermeester was iemand die het toezicht heeft op de aanwezigheid en het onderhoud van de brandemmers. Wie in de directe omgeving woonde, zal er de voorkeur aangegeven hebben om zijn bezittingen in veiligheid te brengen, wetende dat de schade meestal niet tot één pand beperkt bleef. Maar alleen de ontruiming van 10 huizen die t.o.v. de brand benedenwinds- en 5 huizen die bovenwinds gelegen waren was toegestaan!

Mogelijk als gevolg van rampen in 1481 beval een keur uit 1528 dat in tijd van oorlog de priesters, monniken, smeden, dragers én de vrouwen zich naar de brand moesten begeven terwijl de overige poorters net als vroeger de wacht op de vestingwerken betrokken. Alleen in dergelijke gevaarlijke tijden en wanneer zij familieleden in de omgeving van de brand hadden wonen was het aan vrouwen toegestaan om assistentie te verlenen. De schutters die inmiddels de toegangen naar de brand hadden afgezet moesten hun de mantels 'sonder misdoen' afnemen. Blijkbaar was dit voorschrift een probaat middel om diefstal te voorkomen.

Ieder huis een brandemmer

De keur van 1528, in latere jaren steeds aangevuld en verbeterd, was vooral wat het materiaal en de organisatie betreft een grote verbetering ten opzichte van het daarvoor gevoerde beleid. Al het materiaal moest van de letter van het dorp of stad zijn voorzien, persoonlijke eigendommen tevens van de naam van de eigenaar. In elk huis moest minstens één leren brandemmer aanwezig zijn. Tot 1528 waren daartoe slechts de meer gegoede burgers en kloosters verplicht en konden de overige poorters volstaan met een hoosnap.

De beter gesitueerden en de kloosters, brouwerijen en ververijen moesten thans meer dan één emmer bezitten, die men nergens anders dan alleen voor het blussen mocht gebruiken. Nieuw werd toen ook de functie van emmermeester. Hij moest na elke brand de emmers controleren, eventueel repareren, en naar de eigenaars terugbrengen. Verbrande of onbruikbaar geworden emmers verving hij op eigen kosten. In elk huis moest een korte ladder aanwezig zijn om desnoods op het dak te kunnen klimmen.

Voorts beschikte elke buurt over lange brandladders die van boven van haken waren voorzien. De uitrusting bestond verder uit z.g. brandhaken en touwen, waarmee men schoorstenen en muren omver kon halen, alsmede zeilen om de daken van de naast de brand gelegen huizen mee af te dekken.

Een enter is iemand die bomen en struiken ent, zoals vruchtbomen en rozen. Enten is het vermeerderingen of verbeteren van een bepaalde plant. Vroeger waren er veel mensen die dit beroep konden uitoefenen, tegenwoordig wordt enten nog steeds gebruikt.

Een enterij was een tuin- kwekerij, waar men zich op het enten toelegde. Planten kunnen vegetatief vermeerderd worden door entloten of enten. Hierbij wordt een deel van een plant (de ent) vastgemaakt op een deel van een andere plant (de onderstam). Vaak ter verbetering (veredeling) van de plant, bijvoorbeeld rozenknoppen op een wilde onderstam. Dit kan op veel verschillende manieren.

Na het enten wordt de ent vastgebonden met entband of raffia en de wond bij gebruik van raffia afgedekt met entwas of dipwas.

Enten is een veel gebruikte methode in de fruitteelt. Vruchtbomen worden bijna altijd geënt op een onderstam van een gastheer. Ook rozen zijn vaak geënt op een onderstam.

Een entreposeur was de beheerder van een entrepot, dit is een opslagplaats van goederen die nog niet ingeklaard zijn.

De entrepots waren meestal een grote loods, een pakhuis of ook een koel- en vrieshuis, waar aangevoerde goederen uit het buitenland onder douanetoezicht opgeslagen worden waarvan de bestemming, met name verbruik in binnen- of buitenland, mogelijk nog niet vaststaat. De lading is entre of "tussen" herkomst en bestemming.

Zolang de goederen in het entrepot zijn opgeslagen (en de uiteindelijke bestemming niet vaststaat), zijn er over deze goederen (voorlopig) geen invoerrechten verschuldigd. Bij het verlaten van het entrepot moeten invoerrechten betaald worden. Aan de opslag in een douane-entrepot zijn geen termijnen verbonden. Ook mogen er bepaalde behandelingen in een douane-entrepot plaatsvinden.

Het douane-entrepot wordt gekwalificeerd als een publiek entrepot. Dit betekent dat iedereen in dit entrepot goederen kan opslaan. Toezicht vindt plaats aan de hand van de aangiften tot plaatsing onder de regeling douane-entrepot en de aangever van de goederen is aansprakelijk voor de opgeslagen goederen.

Een epaulettenmaker was een maker van epauletten, meestal, schouderbedekkingen bij militaire en andere uniformen. Een epaulet is een versiering die op de beide schouders van een jas of overhemd wordt gedragen.

Hiertoe moet de schouder van de jas of het overhemd van een speciale korte band voorzien zijn, die in de mouwinzet is vastgenaaid en bij de hals met een knoop wordt vastgemaakt. De epaulet moet dan om deze band geschoven worden, waarna de band met de knoop wordt vastgemaakt. Epauletten zijn gebruikelijk bij veel uniformen; ze tonen van welke rang of dienst de drager van de epaulet is. Het is dus een herkenningsteken.

Een epaulet wordt ook wel schuifpassant genoemd. Dit omdat de epaulet (plat buisvormig) over een lus van het overhemd of jas wordt geschoven. Deze schuif epaulet wordt veel gebruikt in vele overige beroepen, den aan brandweer, beveiliging, etc. en in de scheepvaart wereld.

Een ernstvuurwerker werkte met ernstvuur. Ernstvuur is een ontploffende, brandbare of lichtgevende stof die door militairen voor het ontsteken van ladingen, brandstichting, verlichting of voor het geven van seinen werd gebruikt. Het mengsel van ernstvuur was: salpeter, zwavel en houtskool. Dit alles in de juiste verhouding.

De militairen gebruiken lichtsignaalpatronen om een doel aan te geven of om een bepaalde plaats uit te lichten. Ook gebruiken zij rookgranaten om bijvoorbeeld de vijand in verwarring te brengen. In de scheepvaart worden reddingspijlen gebruikt als een schip in nood is. Door het afschieten van een reddingspijl weten te hulp komende schepen waar zij moeten zoeken.

De landbouw kent weer een andere vorm van ernstvuur. Als een boer op zijn land geplaagd wordt door een overlast aan kraaien of andere vraatzuchtige vogels dan kan hij gebruikmaken van schrik- en verdelgingspatronen. Door de knal worden de vogels verjaagd en gaan op zoek naar een rustige plek om aan voedsel te komen. De boer wordt zo van deze lastpakken bevrijd en kan een betere oogst tegemoet zien.

Verder gebruikte het leger vuurwerk. In de nacht werd het slagveld verlicht door vuurwerk. Natuurlijk kreeg het buskruit een belangrijke rol op het slagveld. Buskruit werd een wapen. Ontploffingen met buskruit waren dodelijk. Als later het buskruit in Europa terechtkomt betekent dat het einde van de kastelen in de middeleeuwen. Tegen de kracht van het buskruit is zelfs een kasteel niet bestand

Een essayeur (ook assayeur) was iemand die het zuivere gehalte aan zilver of goud in legeringen bepaalde.

Sinds 1815 is een essayeur een door het Rijk aangestelde controleur van het gehalte der goud- en zilverwerken en munten. Dat gold tot 1 maart 1987 zowel voor de controle op het edelmetaalgehalte van platina, gouden en zilveren werken als wel voor het slaan van munten van edelmetaal.

In de Nederlanden werden al vroeg munten geslagen. Vanaf de Middeleeuwen waren diverse munthuizen in bedrijf, waarvan de leiding in handen was van een muntmeester. Deze muntmeester was in wezen een particuliere ondernemer, die van de muntheer het recht ontving munten te slaan, uiteraard tegen betaling.

De voornaamste technische medewerkers van de muntmeester waren de stempelsnijder en de essayeur, die belast was met het controleren van de fijnheid van de grondstof en van de afgeleverde munten. Zij werden door de overheid benoemd en beëdigd. Uiteraard was bij dit ambacht controle nodig, om te voorkomen dat er geknoeid werd met het gehalte en het gewicht. De eindcontrole vond plaats door de waardijn, die in beginsel geheel onafhankelijk was van de muntmeester.

Het stadsbestuur van Kampen had in 1478 besloten:

Munten worden geslagen onder verantwoordelijkheid van een door de overheid aangestelde muntmeester. Dat was in het middeleeuwse Kampen niet anders. De Raad sloot met een tot het munten bekwaam geacht en betrouwbaar persoon een overeenkomst om munten te slaan van een door de stad vastgesteld gewicht, gehalte en beeldenaar.

De muntmeester stond met lijf en goed borg voor het naleven van de overeenkomst. De door de Raad aangestelde waardijns en assaymeesters, die zoals uit het voorgaande blijkt, ook de controle hadden op de goudsmeden en tingieters, moesten er op toezien dat de muntmeesters zich aan de voorschriften hielden.

Een estrikbakker bakte vloertegels, de z.g.n. estrik. De estrik is een gebakken, geglazuurde vloertegel. Meestal was de estrik rood aardewerk en eventueel bruin, geel of groen geglazuurd. Vroeger meestal in de maat 13x13cm. De estrik was een handgevormde tegel en vrij dik.

Een estrik, dient ter decoratie, bescherming van de vloer, of vergemakkelijking van het vervoer over de vloer. Een estrik wordt gelegd in een tegelvloer; op systematische wijze wordt er dan een serie estriktegels gelegd.

De estrikvloer kan verschillende doelen hebben. Wanneer de vloer puur ter decoratie is, zijn de tegels vaak mooi versierd. Maar estriktegels kunnen er ook toe dienen om de vloer gemakkelijk schoon te kunnen houden (wat bij een vloer bedekt met tapijt veel moeilijker gaat). De tegels voor dit doeleinde zijn dan ook vaak geglazuurd, zodat ze gemakkelijk schoon kunnen worden gemaakt met een sopje, wat water en schoonmaakmiddelen als een dweil.

Al in de tijd van de Romeinen werden wegen betegeld met vloertegels. Die werden vaak straatstenen genoemd. Deze stenen werden noch ter decoratie, noch om de vloer te beschermen gelegd, maar om het rijden met karren gemakkelijker te maken. Wielen draaien namelijk gemakkelijker op een vaste ondergrond, en ondervinden meer wrijving op zand- en modderpaadjes dan op verharde wegen.

Een etser is iemand die afbeeldingen en teksten o.a. in koperen platen graveert. De plaatsnijder kon rechtstreeks afbeeldingen in het koper graveren, maar ook indirect door de plaat te bedekken met een voor zuren ondoordringbare laag, waarop hij in en net door die laag de te vervaardigen voorstelling maakte. Eerst moet de plaat geslepen, gepolijst en grondig ontvet worden. Vervolgens wordt de etsgrond aangebracht en de plaat geroet.

Daarna kan getekend worden. Na het tekenen worden de onbeschermde delen van de etsplaat met asfaltlas of afdekvernis afgedekt, waarna de plaat in verdund salpeterzuur werd gedompeld voor de etsing. Als deze voltooid is wordt de plaat gereinigd en van etsgrond ontdaan. Daarna kan het afdrukken met behulp van een etspers plaatsvinden na het ininkten en afslaan van de plaat (het verwijderen van de overtollige inkt). Na het afdrukken en reinigen wordt de etsplaat gereinigd en geconserveerd.

Een explicateur was iemand die tijdens stomme films in bioscopen live uitleg gaf over wat er op het scherm gebeurde. Dit beroep was vooral populair in de vroege 20e eeuw, voordat films geluid hadden. De explicateur vertelde het verhaal, gaf context, en voegde soms humor of dramatiek toe om de filmervaring voor het publiek te verrijken.

Een exuwer is iemand die het exuegeld heft. Het recht van exue is een percentage van iemands vermogen, geheven van stedelingen die zich metterwoon elders vestigen.

Dit moest betaald worden wanneer een poorter zijn stad metterwoon verliet voor het niet meer voldoen van zijn omslag; eveneens geheven van nalatenschappen, opengevallen in de stad, die vererfden op niet-ingezetenen der stad en die dus uit de stad werden gevoerd. Later werden tussen de steden veelal overeenkomsten gesloten waarbij zij elkaars ingezetenen over en weer vrijstelden van deze heffing.

In Nederland is het recht van exue afgeschaft bij art. 26 van de Burgerlijke en Staatkundige Grondregels der Staatsregeling van 1798.

Het oudste keurboek van Rotterdam uit 1408, bevat keuren al uit de 14de eeuw en noemt 'der poorte clerc' in direct aan het begin. Maar ook bij hun vertrek uit de stad moesten de poorters betalen, omdat verlies van mensen tevens verlies aan inkomen en aan weerbaarheid betekende. Ook dit z.g. exuegeld werd door de secretaris/exuwer geadministreerd, totdat het door ondershandse overeenkomsten tussen de meeste steden wegviel.

afbeeling op yory

Mis je een beroep in de lijst?

Laat me dit dan weten, bij voorkeur met de beschrijving van het beroep.

Contact
Schrijf mij in voor de nieuwsbrief (iedere 2 maanden)
Bezig met versturen

Vergeten beroepen met de letter E

In je stamboom zul je vast wel eens beroepen van je voorouders zijn tegengekomen als sjouwer, dienstbode, commissaris of diamantslijper.

Maar heb je wel eens van een ebonietwerker gehoord, of wat dacht je van een ebbenwerker? Sommige beroepen lijken logisch, maar daar kan je je flink in vergissen. Veel beroepen omvatte meer taken en verantwoordelijkheden dan je zou denken, maar het tegenovergestelde kwam ook vaak voor.

Veel van dit soort oude beroepen komen gelukkig tegenwoordig niet meer voor. Niet alleen omdat ze niet meer functioneel zijn en door de tijd zijn opgeheven, maar ook omdat de zware omstandigheden voor arbeiders zo belastend waren dat zij er vaak ernstige ziektes aan overhielden en uiteindelijk jong kwamen te overlijden.

Mannen en vrouwen

Op Yory wordt geen onderscheid gemaakt tussen mannen- of vrouwenberoepen., alhoewel het opvalt dat de meeste beroepen door mannen werden uitgevoerd. Als vrouwen hetzelfde werk uitoefende dan een man, kregen zij veel minder betaald (wat overigens tot de dag van vandaag een strijd is). Daarbij mochten vrouwen uit de ‘hogere stand’ niet werken, zij kwamen de dag door met b.v. schrijven, schilderen of handwerken. 

Lees ook

Download hier gratis de Family Tree Builder
De njai – Het concubinaat in Nederlands-Indië
Cursus over vrijmetselaars en hun archieven
Stichting Levensportret maakt een waardevolle herinnering
GenSoftReviews, alle genealogie software beoordeeld
Wat is eigenlijk de missie van Yory?

Oude en vergeten beroepen van vroeger (E)

Reageer op dit artikel
Opmerkingen over artikel
Schrijf mij in voor de nieuwsbrief (iedere 2 maanden)
Bezig met versturen

Wil je een donatie doen?

Yory is non-profit, maar de kosten zijn zeker € 750 per jaar. Met donaties kan dit platform blijven bestaan.

Yory donatie banner
Yory donatie banner vierkant
ZOEK