Oude en vergeten beroepen van vroeger (T)

Henk van Hal

Expert in oude beroepen

Yory donatie banner vierkant

Oude en vergeten beroepen van vroeger (T)

Een overzicht van alle oude vergeten beroepen van vroeger, op alfabet met de letter T.

Bakker van taaitaai, dit is bruine zeer taaie koek. Gebakken van roggemeel en stroop in de vorm van speculaas. Taaitaai is een typisch Sinterklaaslekkernij en dus Hollands product. De specerijen in de koek komen oorspronkelijk uit Azië en zijn meegenomen door ontdekkingsreizigers uit de 17e eeuw. Toch blijkt er in de Filippijnen een koek gemaakt te zijn, waar de Spaanse handelsreizigers zo dol op waren, dat zij een fort bouwden op het grootste eiland van de Fillipijnen: Palawan, om de handel in deze koeken te beschermen.  De hoofdstad van dit eiland was destijds Taytay.

De koeken, gemaakt van bloem, honing, stroop en specerijen als nootmuskaat, kaneel, anijs en kruidnagel, werden in het fort bewaard en verscheept naar Spanje. In 1660 veroverde een Nederlandse vloot de Spaanse vloot die volgeladen was met koeken. De Nederlandse vloot nam de koeken in beslag en bracht ze mee naar Nederland. De reis naar Nederland duurde maanden en de koeken waren hard en taai geworden.  Daarom werden de Taytay koeken taaitaai genoemd.

Tegenwoordig worden de taaitaai poppen vooral met Sinterklaas gegeten, mogelijk omdat de specerijen in de koeken vroeger nog erg prijzig waren en daarom alleen bij feestelijke aangelegenheden werden gebruikt. De smaak van taaitaai lijkt veel op de smaak van speculaas, maar de smaak van anijs overheerst in de taaitaai. Bovendien is de textuur van taaitaai heel anders. De speculaas is knapperig en bros, terwijl de taaitaai letterlijk taai is en hierdoor minder makkelijk te eten. Je moet er zelfs wat moeite voor doen.

Vaak stelt de figuur de goedheiligman zelf voor, of een van zijn pieten. Vroeger gaf een jongeman zijn geliefde een hart van marsepein of een vrijer van klaaskoek, maar als hij taaitaaikoek gaf dan werd dat door zijn geliefde niet in dank afgenomen. Taaitaai stond dus niet hoog op de ladder van lekkernijen.

Een taalman was een advocaat. In de middeleeuwen in Groningen nam een taalman deel aan het kiescollege, de Gezworen Gemeente. In de graafschappen Holland en Zeeland traden in de latere middeleeuwen tijdens zittingen van rechtbank taalmannen op. Dit waren speciale raadslieden, met grote juridische kennis van het gebied. Zij zorgden voor de bewaking van de procesgang en de handhaving van vaste rituelen. Zij formuleerden ook de aanklacht en waren bij alle plechtige en ook mindere vormelijke handelingen aanwezig.

Bron: Corien Glaudemans, Om die Wrake wille. Eigenrichting, veten en verzoening in laat-middeleeuws Holland en Zeeland (Hilversum 2004) p. 90).

Een taander (taender, taenman) was iemand die taan bereidde. Taan is een (gele) verfstof, gemaakt van eikenschors, waarin visnetten en zeilen werden gekookt om ze voor bederf te behoeden.

Visnetten en zeilen van vissers- en binnenvaartschepen werden vroeger vaak in taan gekookt, waardoor ze sterker en duurzamer werden. Men onderscheidde de taander of taanbaas en de taanknecht.

Tanen is een techniek waarmee vissers hun netten, zeilen en touw laten conserveren. Het proces is gebaseerd op een eeuwenoud procedé om plantenvezels als katoen, hennep, manilla en sisal te verduurzamen. De taan, gemaakt van boombast, gaat schimmel en verrotting tegen. Rond 1860 werd gebruikgemaakt van eek/eikenschors om te tanen. Daarna werd cachou (gatechu) toegepast, dit is een looistofhoudende organische kleurstof. Cachou is afkomstig uit de bast van tropische bomen, vooral van de acacia, betelpalm en mimosa. De cachoubast wordt tot poeder vermalen in verfmolen De Kat in Zaandam.

De bewerking heet cachouën of tanen. Dit gebeurt in een taanketel die wordt gestookt op hout. Door het koken van de bast, nu vermalen tot poeder, wordt de taan verkregen. Touw en netten werden vervolgens in de taanketel gekookt. Door de teerdampen die erbij vrijkwamen, was tanen geen plezierig werk. Cachou heeft een conserverende werking. Vooral vissers gebruikten het om touw, visnetten en katoenen zeilen te tanen en het rottingsproces door schimmels of bacteriën te voorkomen. Het tanen geeft een roodbruine kleur.

Een tabakskerver (tabakswerker) was iemand die tabaksbladen verwerkte. Het tabaksblad was niet zonder meer geschikt voor consumptie. Het werd eerst verwerkt door tabakskervers die er bruikbare producten van maakten. Zij sneden, kerfden daartoe de tabaksblaren. Kerftabak was een gewild halfproduct voor de vervaardiging van sigaren. Kerftabak was verder geschikt als pijptabak, pruimtabak en later voor sigaretten en shag. Vroeg in de negentiende eeuw werd het handwerk vervangen door machinale productie.

Kerverijen waren tabaksfabrieken die tabak verwerkten tot kerf- of snijtabak, een halffabricaat dat geschikt was om verder verwerkt te worden als pijptabak, als pruimtabak en als shag voor zelfgerolde sigaretten. Vanaf het interbellum werd in kerverijen vooral uitheemse tabak verwerkt. Deze tabak was immers veelal minder duur dan de tabak voor sigaren, wat evenwel niet betekende dat kerftabak minder kwalitatief was. Ieder tabakssoort heeft echter bepaalde eigenschappen die haar geschikt maken voor een bepaald product. Zo is Sumatra-tabak door zijn dunne en fijne structuur zeer geschikt als dekblad voor sigaren, maar precies daardoor niet geschikt voor verwerking tot kerftabak. Het eindproduct was ook goedkoper. In vergelijking met sigaren vroeg de productie van kerftabak immers maar een vijftal bewerkingen.

Een tabaksteler (tabakker, tabaksplanter) verbouwde tabak. In de periode van ongeveer 1620 tot 1750 was de markt voor agrarische producten niet zo gunstig, zodat naar alternatieven werd gezocht. Een daarvan was de tabaksteelt. De eerste tabak zou omstreeks 1615 verbouwd en geoogst zijn in Zeeland en te Amersfoort. Het was vooral voor kleinere boeren een belangrijke bron van bestaan.

Een gezin met twee kinderen kon al leven van de opbrengst van een stukje tabaksland van 0,4 ha. De meeste tabak ging naar de tabakskervers en tabaksspinnerijen in Amsterdam, waar de tabak tot pijptabak werd verwerkt. De tabak uit ons land was in het buitenland in trek. Weliswaar was de kwaliteit van de uit Engeland geëxporteerde tabak beter, maar veel duurder omdat die tabak uit Amerika gehaald moest worden.

Het zaaien en het opkweken van het plantgoed vergde veel zorg. Omstreeks half mei werd het plantgoed uitgeplant op bedden die beschermd werden door hagen van els of wilg of door heggen begroeid met klimbomen om de tabaksplanten tegen windschade te beschermen. Na het planten werd het groeiproces begeleid. Dit begon met het inschoppen, het aanaarden van de planten, waardoor ze steviger kwamen te staan.

Verder werden de planten getopt, dat is het met de vingers afknijpen van de toppen of harten van de plant met de bloemtros, waardoor de voedingsstoffen de bovenste bladeren ten goede kwamen, die daardoor zwaarder, dikker en breder werden. Als de planten getopt waren, vormden zich zijscheuten uit de knoppen in de bladoksels. Ook deze moesten worden verwijderd.

Breken van tabak

Het plukken of afsnijden van de bladeren na de groeiperiode noemde men het breken van de tabak. Eind juli en in augustus werden de onderste bladen, het “zandgoed” en het “aardgoed”, die het eerst rijp waren, geoogst. Deze bladen werden gebruikt voor het binnenwerk en het dekblad van sigaren. Het bovengoed of bestgoed, de bladen die het hoogst aan de stengel zaten waren in september rijp en werden dan geplukt. Dit blad was geschikt voor pruimtabak. Vervolgens werden de nog aanwezige zijscheuten, de zuigers geoogst.

De geoogste tabaksbladen moesten verder worden verwerkt. De geplukt bladen werden in een mand of op een kruiwagen naar de schuur gebracht. Daar werd van de bladen van het zand- en eerdgoed in het onderste deel van de middennerf een insnijding gemaakt van ongeveer 10 cm. De dikke nerf kon hierdoor beter drogen.

De ingesneden bladen werden door de ingesneden spleet aan (tabaks)spijlen, aangepunte stokken van essen- of wilgenhout, 150 – 180 cm lang en ± 2 ½ cm dik geregen. Na dit opspijlen werden de bladen over de spijl verschoven, zodat zij onderling op gelijke afstanden kwamen te hangen en elkaar nergens raakte. Daarna werden de spijlen opgehangen om de bladen te laten drogen Dit noemde men het schokkeren of schokeren van de tabak.

Rijpen

De tijd om af te rijpen voor het bovengoed was in onze korte zomers nauwelijks voldoende en de niet geheel gerijpte bladen droogden moeilijk. Het bovengoed werd daarom niet direct aangespijld, maar onderging een voorbehandeling: het zweten. De bladen werden daartoe gedurende acht dagen bedekt met stro of met een wollen deken. Hierbij moest men wel opletten dat de bladen niet gingen rotten.

Het droogproces duurde 4 tot 6 weken, waarbij de bladen langzaam afstierven om een goede kleurzetting te krijgen. Als het in de nazomer en herfst vochtig was stookte men vuren in de schuren en op andere plaatsen waar tabak werd gedroogd. Op plaatsen waar geen schoorstenen waren was dit in verband met brandgevaar verboden. Later ging men speciale vuurpotten gebruiken die minder gevaarlijk waren.

Wanneer de bladen zo droog waren dat ze niet meer gingen rotten of schimmelen, terwijl ze nog voldoende vocht bevatten voor de latere verwerking tot echte tabak, reeg men de bladen van enkele spijlen opeen, zodat de bladen dicht tegen elkaar zaten. Deze dicht bezette spijlen werden dan vlak bij elkaar opgehangen. Ook legde men de spijlen op elkaar zodat ze vierkante stapels of putten vormden. Men dekte deze af tot men ging opbossen, waarbij men ook de beschadigde bladen uitsorteerde.

Tabaksschuren

Oorspronkelijk hing men de tabaksbladen te drogen op alle plaatsen waar ruimte was. Omstreeks 1660 is men begonnen speciale tabaksschuren te bouwen om het droogproces goed te kunnen regelen door meer of minder te ventileren. Reeds in de zeventiende eeuw heeft men de wanden van deze tabaksschuren van draaibare luiken (kleppen) voorzien, zodat men de luchtstroom kon versterken, verzwakken en bij vochtig weer kon afsluiten.

De productierisico’s bij de tabaksteelt waren groot en de oogstopbrengsten waren sterk fluctuerend. De teelt was ook erg arbeidsintensief. De schimmelziekte" Blue Mold" heeft vanaf 1959 definitief een einde gemaakt aan de Nederlandse tabaksteelt. Tussen de 150 en 200 kleinschalige tabaksverbouwers waren toen nog actief in Nederland, waarvoor het van de meeste toch nog het hoofdmiddel van bestaan was. I959 was al een rampjaar omdat naast het uitbreken van de ziekte ook de droogte voor een slechte oogst zorgde. In 1960 breidde de ziekte zich nog verder uit  toe en was de teelt over zijn hoogtepunt.

Een tabellioen was een ambtenaar die de akten van erfenis en onterfenis van gronden grosseerde, die verleden werden voor de notarissen binnen zijn ambtsgebied. Het ambt van tabellioen van de stad werd ingesteld met de Vrede van Utrecht op 11 april 1713.

Een tagrijn was iemand die handelde in tweedehands scheepsbenodigheden.

Een tammaker (tammer) maakte zeven die werden gebruikt om meel en melk schoon te filteren van vuiligheid.

Een tapijtwerker was een vervaardiger en verkoper van (wand)tapijten. Anders dan door de borduurwerkers werden de wandtapijten, tafelkleden en stoelbekledingen geweven. In Nederland kwam deze tak van industrie van de grond door Vlaamse tapijtwevers. De vervaardiging vindt plaats door een bepaalde weeftechniek, eigenlijk een techniek die tussen weven en borduren in staat.

Er wordt gebruikgemaakt van twee soorten weefgetouwen, die echter in principe gelijk zijn. Bij de ene staat de ketting verticaal, bij de andere ligt ze horizontaal. Met een groot getouw konden tapijten van bijv. 5 meter breedte worden gemaakt. De modellen voor de wevers werden vervaardigd door kartonschilders.

Het borduren op stramien wordt soms ook als tapisserie omschreven, maar hoort qua middeleeuwse handwerkslieden thuis bij de borduurders.

Een tapper (b.v. ook biertapper) verkocht bier, wijnen en andere alcoholische dranken.

Een tarrameester was een ambtenaar die lakens en/of garen keurde en door hem geconstateerde onvolkomenheden op tarcedel noteerde. In Leiden keuren de tarrameesters de volaarde die de vollers gebruiken en stellen zij eventueel de tarra vast, de schade die door de vollers aan de lakens is veroorzaakt.

Aan de rechterkant van de Saaihal was een poort, waarboven in steen gehouwen stond "INT.TARHOF". Daar werd getarreerd, ofwel de aftrek bepaald op het gewicht van het laken dat in de Saaihal werd vervaardigd. Het was ook de plaats, waar de tarrameesters de gebreken in het laken aantoonden en de tarra, de korting, bepaalden.

De tasman zet bij het wegen van de kaas de gewichten op de weegschaal. Elke twee jaar wordt in ieder veem een voorman, ’de overman’, benoemd. Hij is herkenbaar aan een zilveren schildje met een lintje in de kleur van het veem. De waagmeester ziet erop toe dat het juiste gewicht aan de koper wordt doorberekend. Na het wegen markeert de tasman de houten berrie door er een stempel op te zetten.

In de Middeleeuwen was het gebruikelijk om per beroepsgroep een gilde op te richten. De kaasdragers deden dit op 17 juni 1593. Het kaasdragersgilde bestaat uit 30 man plus de kaasvader. Een drager kan diverse functies bekleden.

Elk veem heeft z’n eigen weegschaal (dit rouleert wekelijks) waar de ‘tasman’ bij staat om de gewichten op de schaal te zetten. De oudste kaasdrager van het veem wordt de ’tasman’ genoemd en hij - het kaasdragersgilde kent geen vrouwen - is herkenbaar aan een zwart leren tas voor zijn buik.

Een tasscher werkte in de baksteenindustrie. Door de eeuwen heen is de vervaardiging van bakstenen uit leem of klei een modderig gebeuren geweest dat weinig in aanzien stond. De ambachtelijke productiewijze bleef tot in de 19e eeuw nagenoeg onveranderd.

Het opzetten van de winddroge stenen op stapels (‘tassen’) was weer voornamelijk vrouwenwerk, dat echter bepaald niet tot de lichtere werkzaamheden gerekend kon worden. Al bukkend, beurend, heffend en lopend moest de vrouw een aantal stenen met een totaalgewicht van 10 tot 18 kilo verplaatsen van de baan naar de steentas, en dat gedurende zeven à tien uren per dag. Ook het verplaatsen van beladen kruiwagens met circa 80 kilo stenen in en uit de oven, het instapelen en zelfs het stoken van een oven konden tot het takenpakket van een op de steenoven werkende vrouw behoren.

Was de oven vol gezet - er ging soms meer dan een miljoen stenen in - dan werden de voor- en bovenzijde dicht gestapeld met dek- en scheerstenen en voorzien van een laag zand ter isolatie. De benodigde baktemperatuur voor metselstenen lag tussen 900-1125C, voor straatklinkers lag de temperatuur hoger, tussen 1150-1250C. Daarna volgden vier weken bakken in hoog vuur en ten slotte nog veertien dagen afkoelen.

Na het uitkruien werden de stenen op het ‘tasveld’ gesorteerd. De sorteerders keurden de stenen op klank en kleur. Daarbij klopten zij de stenen tegen elkaar en krasten met de punt van een steen over een andere steen. Bij een harde soort steen leverde dat een witte streep op, bij een zachtere soort een rode. Goede sorteerders waren hun loon meer dan waard, want zij bepaalden mede de winstmarges van de steenfabrikant.

Een teemsmaker maakte teemsen, ofwel een fijne zeef van paardenhaar of dun koperdraad en werd gebruikt om de melk te zeven. Zo’n zeef bestond uit een hoge, koperen ring met daarin een doek gespannen dat als filterdoek fungeerde. De ring had een trechtervorm om de doorloopsnelheid van de melk te vergroten.

De teems werd op de melkbus geplaatst waarna de melk er doorheen gegoten kon worden en de ongerechtigheden op het filterdoek achterbleven. In later tijden verving men het filterdoek door een fijnmazige koperen filter.

Omdat de diameter van de zeef groter moet zijn dan die van de opening van de melkbus, het morsen en de doorstroomsnelheid niet te laag te hebben, zit onder de zeef een trechtervormig overgangsstuk. Het spreekwoord: 'Zo lek als een teems', spreekt dan ook voor zich.

Een teenschiller sneed tenen van takken. Dit beroep kwam veel voor in de negentiende eeuw in de gebieden langs de grote rivieren in Nederland. Daar lagen tussen de dijken en het water van de rivieren vaak nog stroken land, grienden. Wilgen hielden het prima uit in de grienden en omdat het hout van de wilgen een veelgebruikte grondstof was, ontstonden er in delen van Nederland kleine plantages langs de rivieren.

Vooral langs de rivieren in Zuid-Holland en in de Biesbosch werden dit soort grienden aangeplant. Het doel van die grienden was tweeledig. De aanplant van grienden zorgde ervoor dat de buitendijkse grond steviger werd en aanslibbende modder en klei beter bleef liggen. Na een aantal decennia kon een griend op die manier droogvallen en alsnog geschikt worden als landbouwgebied. In de tussentijd kon men het hout van de grienden oogsten en gebruiken in de houtindustrie.

Het belangrijkste product dat van de grienden kwam, waren de wilgentakken, beter bekend als de wilgentenen. De dunne tenen werden vooral gebruikt voor vlechtwerk zoals manden, en toepassingen waarbij flexibel hout nodig was, zoals hoepen die rondom tonnen kwamen. De dikkere takken werden vaak gebruikt bij dakbedekkingen, bezems en soms ook voor meubels.

Het snijden van de tenen was zwaar werk. Niet alleen het sjouwen met de grote bossen hout was zwaar, ook de weersomstandigheden waar de griendwerkers in moesten werken was vaak slecht.

De gesnoeide tenen werden in grote bossen verzameld en een enkele maanden in een laagje water gezet. Dat zorgde ervoor dat de tenen na een aantal maanden uit begonnen te lopen. Het hout dat weer begon te leven, werd daardoor flexibel en dus uitermate geschikt om in vlechtwerk verwerkt te worden. De teenschillers hadden daarvoor een ‘schil-ijzer’, maar desondanks was het werk van de teenschillers zwaar en repetitief. Een teen werd tussen de einden van het ijzer gezet, waarna de teenschillers de teen er in één vloeiende beweging doorheen moest trekken. Daarna konden de tenen verder verwerkt worden.

Een teermaker was iemand die teer maakte. Dit ontstaat bij het verhitten van plantaardig materiaal zoals hout (wat bruine teer oplevert) of steenkool (wat koolteer geeft), onder uitsluiting van lucht.

Hij maakte houtskool door hout te stapelen tot een luchtdichte hoop. Onder gecontroleerde omstandigheden met lage temperatuur en weinig zuurstof ontstond houtskool, waaruit de vluchtige stoffen verdwenen. Houtteer vraagt een slimmere aanpak, je maakt een trechter, door de stammetjes andersom te stapelen. Het rook komt tegen het plafond van de plaggen. Alles, zowel de vloeibare als vluchtige stoffen vang je op in vaten. De samenstelling van houtteer is niet goed bekend, het is een complex vetzuren uit hout, terpentijn. De houtsoort maakt uit, de wortels van de grove den zou de beste teer maken.

Gasproductie

Koolteer bestond al, maar komt op in de 19de eeuw met de oprichting van gasfabrieken, voor de productie van brandbaar gas voor gasverlichting. De gedestilleerde koolteer is een restproduct van de gasproductie. Deze koolteer kan verder gedestilleerd en bewerkt worden. Hierdoor ontstaan producten als carbolineum, pek en harpuis.

Teer is een dikke, donkerkleurige en brandbare vloeistof, die o.m. werd gebruikt voor het verduurzamen van houtwerk en voor verlichting (teertonnen – pektonnen).

Bruine teer werd voornamelijk gebruikt voor sommige historische gebouwen, boerderijen, schuren en historische schepen. Teer is veelvuldig gebruikt bij boerderijen en is terug te vinden op houten en ijzeren onderdelen en in de schoorsteen in de brandmuur.

Een tekenverwaarder was iemand die het stadskeurmerkteken of het brandmerkteken onder zijn hoede had. Brandstempels worden gebruikt voor het markeren van een tekst of logo op diverse soorten materialen. Onder andere geschikt voor het brandmerken van hout, leder, kunststof, brood en vlees. Het markeren van voorwerpen wordt gebruikt om een merknaam of keurmerk aan te brengen.

Het brandmerken in de kunst gebeurde op de achterzijde van panelen. Zij komen onder meer voor in de 15e en 16e eeuw te Antwerpen. De gilde-reglementen aldaar schreven voor dat geen schilderij in de handel gebracht mocht worden, voordat het door het gildebestuur op zijn materiële kwaliteiten, afwerking en vakkennis was gekeurd. Bij goedvinden werd aan de achterzijde van het paneel een brandmerk aangebracht.

Bij schepen bestaat het brandmerk uit een volgnummer van inschrijving, vanaf 1927 een letter als aanduiding van het soort schip, de plaats van registratie, en het jaar van registratie.

Het brandmerk is gekoppeld aan registratie in het Kadaster. Het unieke brandmerk legt de registratie van het schip vast waarmee het schip internationaal is geïdentificeerd.

Een telegrafist (ook marconist genoemd) kon via radioapparatuur berichten versturen en ontvangen (ontcijferen) in morse-code. Hij kon ca. 100 lettertekens per minuut verwerken.

Voor het gebruik van de telefoon, werden spoedberichten per telegram doorgegeven. Men kon op een post- en telegraafkantoor de gewenste tekst (eventueel met hulp van een loketbeambte) op een formulier zetten en dat werd dan in morse per telegraaf doorgezonden naar de woonplaats van de geadresseerde. Daar werd het bericht omgezet in leesbare taal en door de telegrambestellers ter plekke afgeleverd.

Telegrafie is officieel het overbrengen van boodschappen zonder dat er daarbij een brief aan te pas hoeft te komen. Wanneer iemand een boodschap wilde doorgeven aan iemand die ver weg was moest diegene de boodschap eerst doorgeven aan de zogenoemde telegraaf. De telegraaf zette de boodschap vervolgens om in morsecode en verstuurde het via een netwerk van kabels naar een telegraaf aan de andere kant van die lijn.

Die tweede telegraaf vertaalde de morsecode vervolgens weer, om de boodschap vervolgens door te geven aan de telegrambesteller. De telegrambesteller zorgde ervoor dat het bericht bij de persoon waarvoor deze bestemd was terecht kwam.

Per woord betalen

Op veel postkantoren zat een telegraaf die per woord betaald werd. Hierdoor koos men ervoor berichten zo kort en bondig mogelijk te formuleren ook losse leestekens kostten een woord en werden daarom vaak weggelaten. Waar er eerst twee telegrafen voor een bericht nodig waren, werden deze later vervangen door slechts één telegraaf en twee teleprinters.

De telegrambesteller was verantwoordelijk voor de bezorging van een verzonden telegram. Een telegram dat binnenkwam bij de ontvangende telegraaf, werd vervolgens door de besteller op de fiets bezorgd. Vaak werd dit werk gedaan door jonge mannen en in de vakanties door jongetjes. Doorgaans waren het formele berichten die bezorgd moesten worden.

Een telixist (man/vrouw) werkte met een telex, een uitvinding uit jaren 1920. De naam Telex is een verkorting van het Engelse Teleprinter Exchange. Het is een manier om geschreven berichten in “real time” over grote afstanden te versturen. Degene die een bericht wil verzenden zit aan het toetsenbord van de machine en tikt het bericht.

Via een kabelverbinding gaat het signaal naar de ontvanger waar een telexmachine de signalen gebruikt om de typefunctie te activeren. Het bericht is direct beschikbaar. Terwijl het bericht wordt opgesteld kan het meteen op een ponsband worden vastgelegd. Wanneer een ponsband door de ponsbandlezer wordt gevoerd is het bericht snel verzonden. Dit is handig wanneer een standaardbericht meerdere keren moet worden verzonden.

Ponsband

Makkelijker is het om eerst een bericht te typen en vast te leggen op een ponsband. Die kun je zelf bewaren. Je plaatst de ponsband in de 'lezer'. Je maakt verbinding met de kiesschijf en dan 'speel' je de ponsband af waarbij de codes worden doorgestuurd. Aan de andere kant kunnen ze ook weer een ponsband uit de 'schrijver' laten komen en/of de tekst meteen afdrukken.

Het systeem van de ponsband kun je vergelijken met een draaiorgelboek. Ook bij het ontvangen kan de boodschap op ponsband worden vastgelegd voor latere lezing. Een telexmachine is een zwaar apparaat, de moderne computer maakt het versturen van tekst en andere informatie een stuk lichter. In plaats van een uitgebreid kabelnet kan men nu draadloos communiceren.

Een terpetijnbrander brandde terpentijn, een olie, door distillatie gewonnen uit de hars van verschillende boomsoorten o.m. van de terpentijnboom. Het is een geel gekleurde stroperige vloeistof, die door verwonding van de schors uit de boom vloeit en wordt opgevangen. Als terpentijn wordt gedestilleerd ontstaan terpentijnolie.

Terpentijnolie wordt gebruikt bij het schilderen met olieverf om de verf te verdunnen. Het is een prima oplosmiddel voor lijnolie en voor standolie, die beide gebruikt worden om de verf vetter te maken. Standolie en lijnolie drogen echter zeer langzaam; ook als de terpentijnolie allang uit de olie is verdampt blijft de verf nog nat. Terpentijnolie wordt ook gebruikt om de vernis op een olieverfschilderij te verdunnen.

Terpentijnolie is ten opzichte van het aardolieproduct terpentine vrij kostbaar. Daarom wordt voor het schoonmaken van de kwasten meestal terpentine gebruikt. Terpentijn heeft een groter oplossend vermogen en kan damarhars oplossen. Terpentijn en terpentine lijken uiterlijk veel op elkaar, beide zijn het dunne kleurloze vloeistoffen. De geur van terpentijn is echter harsachtig; die van terpentine lijkt wat meer op benzine.

Een terpexploitant was iemand die een of meer terpen liet afgraven om de vruchtbare grond te verkopen (exploiteren).

Vanaf 1840 tot 1920 zijn veel terpen geheel of deels afgegraven om de vruchtbare grond elders te kunnen gebruiken. Sommige terpen waren onbewoond. Van de bewoonde terpen werden meestal alleen de onbebouwde delen afgegraven. De terpen werden loodrecht naar beneden afgegraven in de vorm van taartpunten. Hierdoor ontstonden “steilranden” tussen de wel en niet afgegraven gedeeltes.

De terpaarde werd per schip afgevoerd. In het begin gebeurde dit door er een kanaal naar toe te graven. Later gebruikte men smalspoor tussen terp en schip. In het begin werden kruiwagens gebruikt om de terpaarde van de afgraving naar de kade te vervoeren. Aan de kade lag doorgaans een voorraad terpaarde. De terpaarde werd door de “terpbaas” aan schippers verkocht en die verkochten het weer in bijvoorbeeld de Veenkoloniën en de Friese Wouden.  Het afgraven was seizoensarbeid.

De “terpgraverij” was een belangrijke economische activiteit. In Friesland werd de piek rond 1920 bereikt. Er waren toen circa 50 terpen in commerciële exploitatie. Het afgraven van een terp nam minimaal 6 jaar in beslag. Ondernemers kochten voor veel geld een deel van een terp en dachten die investering met veel winst terug te verdienen door het afgraven en verkopen van de terpaarde. Een voorbeeld: van de terp in Ezinge is 200.000 ton terpaarde afgegraven. De gebruikte scheepjes konden zo’n 50 ton laden, dan gaat het om 4.000 scheepsladingen.

Een tiendheer was iemand die belasting inde. Op vele landbouwgronden en dieren heerste vroeger, het eeuwenoude tiendrecht, dat door de boeren jaarlijks betaald moest worden aan tiendheren (tiendheffers of -gaarders), ofwel eenzijdige (oneerlijke) belasting.

De oorsprong van het tiendrecht is moeilijk vast te stellen. De tiend is een belasting in natura, die drukt op landerijen en levend vee. De overheid heft in het algemeen de tienden. In het verleden heeft de overheid het tiendrecht meermalen geschonken aan kerken en kloosters, wanneer die zich bijzonder verdienstelijk hadden gemaakt. Die instellingen nemen vervolgens de inning van het recht ter hand.

Weerstand

Wanneer na de oogst het koren in hopen op de akker staat, worden vanwege de tiendheffer de tiende, de twintigste, de dertigste en de veertigste hoop gemerkt. De vijftigste is belastingvrij. Vervolgens haalt de boer de oogst binnen, maar laat de gemerkte hopen op het veld staan. Dan worden de overgebleven gemerkte schoven op de akker verkocht. De opbrengst is voor de tiendrechtbezitters. Deze vorm van eenzijdige belasting was voor de boeren een doorn in het oog, en riep dan ook de nodige weerstanden op.

In 1907 werd het afgeschaft. Op verschillende plaatsen in ons land kent men nog tiendwegen, die herinneren aan deze vorm van belastingheffing.

Een tijdingkramer was een rondtrekkende koopman (kramer) die gedrukte nieuwsberichten (tijding) en 'vliegende blaadjes' verkocht. Het woord tijding wordt nog steeds gebruikt als in doodstijding, jobstijding en scheepstijding.

Een tijnmeester was de ontvanger van tijnsen, ofwel vergoedingen die de gebruiker van bepaald onroerend goed aan de eigenaar dient te betalen.

De tijns is een aan onroerend goed gerelateerde jaarlijkse betaling aan de grondheer. Meestal betreft het landbouwpercelen, maar soms ook andere onroerende zaken, zoals molens. Het recht om tijnsen te innen, het zogenaamde tijnsrecht, is een van de heerlijke rechten. Het is ontstaan in de vroege middeleeuwen en werd opgeheven na de val van het ancien régime. De tijns werd aanvankelijk voldaan in natura. Het meest voorkomend was betaling met kapoenen en granen.

Betalen met geld

In de late middeleeuwen werd betaling in natura gaandeweg vervangen door betaling in geld. Deze verschuiving leidde ertoe dat de persoonlijke band tussen heer en horige werd verbroken, het werd meer en meer een zakelijke betrekking. Mede hierdoor hield de horigheid op te bestaan. Betaling van de tijnsen in geld had het eerst plaats in de westelijke streken van de Nederlanden, waar de opkomende handel ertoe leidde dat geld het algemeen ruilmiddel werd.

Reeds in de 11e eeuw werden de tijnsen aan de kerk in klinkende munt betaald. In de oostelijke en zuidelijke streken daarentegen bleef de voldoening van tijnsen in natura nog lang bestaan. Eerst in 1602 werd de voldoening van de tijns in natura afgeschaft, dus lang nadat de horigheid hier had opgehouden te bestaan

Omdat de eenmaal vastgestelde tijns voor een perceel grond eeuwig en onveranderlijk was, bleef in tijnsboeken en schepenakten de vermelding van in natura gestelde grondtijnsen onveranderd gehandhaafd, ook al werd de tijns al lang in gefixeerde geldbedragen betaald.

Een tilburymaker was een ambachtsman die grotendeels verantwoordelijk was voor de bouw en reparatie van karren, wagens en later ook koetsen was de wagenmaker. Eventueel was er ook een stelmaker, die gespecialiseerd was in het bouwen van de onderstellen van wagens.

De wagenmaker maakte ook wel eens andere machines zoals eggen, ploegen en handmolens. De meeste wagenmakers dankten hun inkomen dan ook vooral aan het boerenbedrijf, al kregen ze er door de tijd heen steeds meer stadse opdrachtgevers bij. Het meest specifiek aan het werk van de wagenmaker was het vervaardigen van de wielen, wat een nauwkeurig procedé was. De rest was eenvoudiger timmerwerk.

Niet alles aan de wielen of de rest van de kar of koets kon door de wagenmaker worden gedaan. Er was ook smeedwerk nodig; in ieder geval voor het bevestigen van de wielband, maar soms ook op de laad- of personenbak. Dat werd uiteraard gedaan door een smid. Vaak werkten wagenmaker en smid zo nauw samen dat ze hun werkplaatsen dicht bij elkaar in de buurt hadden, soms zelfs in hetzelfde pand.

Koetsen bestonden al lang, maar waren vaak duur, zeker als je er een wilde aanschaffen. Daarom waren er ook karren en wagens die uitsluitend bestemd waren voor personenvervoer, al begeven die zich altijd op het grensvlak tussen kar en koets. Een aantal bekende en veel gebruikte typen waren:

Meer dan vierduizend jaar na de uitvinding van het wiel kwamen er verbeteringen die het gebruik van alle karren en wagens een stuk aangenamer maakten. Voor de kar waren de middeleeuwen dus helemaal niet zo donker.

De onderstaande uitvindingen veranderden veel:

Het gareel

Dit werd rond 800 bedacht en was waarschijnlijk een grote opluchting voor het paard. Het gareel was een toevoeging aan het tuig dat de treklast over de schouders van het dier verspreidde in plaats van dit op zijn nek te laten rusten. Ossen en buffels hebben overigens geen gareel nodig.

De disselboom

Deze stamt uit de 11de eeuw en is een horizontale balk die in het midden van de wagen op de dissel is bevestigd. Hierdoor werd het mogelijk om meerdere paarden tegelijk in te spannen.

Veerophanging

De eerste primitieve veerophanging is waarschijnlijk in de 15de eeuw bedacht. Veren die boven de wielen werden aangebracht fungeerden voortaan als schokdempers. In principe was deze vering ook de opmaat voor de uitvinding van de koets. Vering was vooral interessant voor stadse karren. Boerenkarren die over landbouwgrond moesten rijden hadden er weinig nut van.

De Tilbury is een tweewielig rijtuig, de lamoenbomen lopen door en de bak rust op de lamoenbomen. De bak kon voorzien zijn van een afneembare kap of een opvouwbare kap. De bak en de lamoenbomen rusten op een raamwerk van bladveren, aan de achterzijde zijn de lamoenbomen aan elkaar verbonden.

Gedurende de gehele 19e eeuw was de tilbury zonder noemenswaardige veranderingen in gebruik.

Tilbury's werden graag door mensen gebruikt die snel korte afstanden moesten afleggen, zoals handelsreizigers, boeren en artsen. De tilbury was tot in het begin van de 20e eeuw typisch een vervoermiddel van dorpsartsen.

De Tilbury was in de HW veruit favoriet voor eveneens snel en luxe 2-persoonsvervoer. De Tilbury is – net als de sjees – ook een tweewielig rijtuig met een burrie voor één paard, maar de carrosserie van de Tilbury is ruimer en praktischer en wat zwaarder en degelijker uitgevoerd dan van een sjees. Een Tilbury heeft een leren kap, die aan de voorkant open is en die neergelaten kan worden. Dat gaf bij nat en koud weer meer bescherming. Veel boeren hadden vroeger, naast ander gerij, een Tilbury voor het doen van boodschappen verder weg en voor beurs- en kerkbezoek e.d. De grotere boeren, zeker die afgelegen woonden, hielden er speciaal een ‘lux paard’, d.w.z. een licht en slank gebouwd type tuigpaard voor aan.

Met dank aan Willy Spaan.

Een tinlakwerker werkte met tinlak, een tinglazuur. Een witte, dekkende (onder)laag, die op aardewerk wordt aangebracht. In de tweede helft van de zeventiende eeuw wordt Delft het centrum voor de productie van hoogwaardig aardewerk met tinglazuur.

Tinglazuur is een wit en ondoorzichtig glazuur. Door eenmaal gebakken aardewerk onder te dompelen in een bad met tinglazuur ontstaat een witte ondergrond waarop kan worden geschilderd. Dat gebeurt uit de vrije hand of met behulp van een sjabloon. Voor een sterkere kleur en glans krijgt het voorwerp daarna een laag transparant loodglazuur. Dan wordt het een tweede keer gebakken.

Plateel

In Nederland wordt dit aardewerk gemaakt vanaf de late zestiende eeuw. Aardewerk met tinglazuur is te onderscheiden in majolica en faience. Beide typen worden in Nederland ook wel plateel genoemd, oorspronkelijk de benaming voor een platte schotel.

Tin-geglazuurd aardewerk is aardewerk bedekt met loodglazuur met toegevoegd tinoxide dat wit, glanzend en ondoorzichtig is, meestal biedt dit een achtergrond voor felgekleurde decoratie. Het aardewerk lichaam is meestal gemaakt van rood of bleekgeel aardewerk en het witte glazuur is nagebootst van Chinees porselein. De versiering op met tin geglazuurd aardewerk wordt meestal aangebracht op het ongebakken glazuuroppervlak met een borstel met metaaloxiden.

Een tingieter (tinslager) smolt tin om voorwerpen van te maken. Tinnen voorwerpen hebben eeuwenlang een belangrijke plaats ingenomen in de huishoudingen.

Door het lage smeltpunt (plm 230 gr. C.) kan het betrekkelijk gemakkelijk in allerlei vormen worden gegoten zoals eet- keukengerei en siervoorwerpen. De mallen, voor het gieten gebruikt, zijn van brons. De diverse onderdelen van gecompliceerdere tinnen voorwerpen worden los gegoten en worden daarna aan elkaar gesoldeerd. Het tin dat ruw en dof uit de vormen komt wordt gepolijst. Naast gegoten tin werd platwerk vervaardigd uit tinnenplaten. In dit beroep ontstonden verschillende specialisaties.

Om metalen te bewerken tot bruikbare producten bestaan diverse methoden. Sommige metalen zoals koper en goud kunnen zowel mechanisch tot eindproducten bewerkt worden als gegoten. Andere metalen, waaronder tin, werden voornamelijk gegoten.

Tin heeft echter het nadeel dat het aangetast wordt door zuren die zich o.a. in fruit bevinden wat vlekken veroorzaakt. Daarbij was men zich onvoldoende bewust van de giftigheid van lood.

Meesterteken van tinslager

Een meesterteken is een door een tinslager van tinnen voorwerpen ingeslagen symbool. Vaak gaat het om letters die de initialen van de meester vormen maar ook "sprekende" meestertekens komen voor.

Aan de jaarletter kan worden gezien in welk jaar het voorwerp, een ring, stuk bestek, onderscheiding of brandewijnkom werd gekeurd. Het jaar van fabricage kan eerder zijn, maar dat ligt niet voor de hand; ongekeurde voorraden mochten immers niet verkocht worden en kostten geld.

In de tijd van de gilden mocht een leerling na het afleggen van een meesterproef en toelating in het gilde zijn meesterteken in een door het gilde bewaarde plaat, de insculpatieplaat, aanbrengen. Veel van deze platen gingen tijdens de periode waarin de gilden werden opgeheven, verloren zodat wij soms moeten raden naar een naam bij een meesterteken. Het vervalsen van keuren en jaarletters is in Nederland een misdrijf.

Een toeslager kwam voor in Dokkum tijdens de Franse tijd. Een toeslager sloeg eenmaal gevulde vaatjes dicht, klopte de deksels vast en werden naar de schepen voor de vaart gebracht. De vaatjes waren meestal gevuld met haring of vlees, en diende dus als proviand voor de bemanning.

Met dank aan Erik Wiersma

Een togenaar was een drijver of geleider van paarden die legerwagens of schepen voorttrokken.

Uit Heemkundekring Engelen:
In het begin van de negentiende eeuw woonden er zeventien togers in Engelen. Ze werden ook wel genoemd 'paardelieden' en 'schuiten- of schepenvoedersbaas'.

Zeilschepen konden in die tijd op de Maas en andere brede rivieren gebruik maken van wind. Moeilijker werd het als deze boten de Dieze opvoeren: de zeilschepen vingen er minder wind en konden daarom dikwijls moeilijk vooruitkomen. De togers nu trokken met hun paarden de schepen van Crevecoeur naar 's-Hertogenbosch (en omgekeerd) als de wind dat niet deed.

De Engelenaren maakten van dit gebruik misbruik: ze gingen een steeds hogere vergoeding vragen. Het kan ook zijn dat de paardelieden hun wachttijd in een Engelens café doorbrachten en de gemoederen wellicht daardoor wat verhit waren. De schippers protesteerden daar eerst tegen, maar toen dat niet hielp, zochten ze naar andere mogelijkheden.

Inwoners van Veen waren bereid de schepen voortaan van Crevecoeur naar 's-Hertogenbosch (en terug) te trekken tegen een veel lagere vergoeding. De eerste maal dat de nieuwe togers hun werk deden, gebeurde nogal provocerend. De inwoners van Veen hadden hun paarden feestelijk versierd met palmtakken. Een forse ruzie dreigde. Deze werd echter opgelost door de schout van Engelen die in het geschil bemiddelde.

Contract

De kwestie werd opgelost en in 1819 sloten de Engelense paardelieden en de Bossche schippers een contract. Bossche schippers zouden alleen de togers contracteren. Anderen mochten geen gebruik maken van het paardepad, ook wel toogbaan genoemd. De schippers die het contract niet zouden tekenen, moesten 20% meer betalen aan de togers dan afgesproken was.

Bij oostenwind of bij windstilte zouden er steeds twee drie paarden bij daglicht aanwezig zijn om de schippers een bedrag van twaalf stuivers aan de armekas te betalen. Als tijdens het rijden met de paarden de wind toch op zou steken, dan hoefden de schippers slechts de helft van de kosten te betalen. Het loon werd berekend per paard. Immers zeer zwaar geladen schepen zouden wellicht twee paarden nodig hebben.

De prijs voor een lege boot was twaalf stuivers, terwijl per paard vanaf de Maas naar Den Bosch vijftien stuivers betaald moest worden. Het contract was nogal voordelig voor de schippers. Maar ja, de Engelense togers wilden het contract graag tekenen om hun broodwinning van de inwoners van Veen terug te krijgen.

Tolgaarder of tolpachter werd men als men de hoogste pachtsom voor het verkrijgen van het recht van tolheffing had geboden. In de meeste gevallen betrof de pachttermijn een periode van 3 jaar. De tolbomen of tolhekken stonden op vaste plaatsen, dikwijls geflankeerd door een tolhuis. Na het aangaan van de pachtovereenkomst was de tolgaarder verplicht het tolhuis te bewonen.

Er werd tol geheven op vele manieren, zowel in ons land als elders zowel te land als te water. Het heffen van tolgelden was alom verbreid. Zowel op wegen, bruggen als op waterwegen werd op vele plaatsen tot geheven.

De pachters waren verplicht de tol van één uur na zonsondergang tot één uur voor zonsopkomst door middel van een lantaarn, waarin een lamp met petroleum brandt, behoorlijk te verlichten. Aan de door de concessionaris bepaalde tarieven had hij zich te houden. Bovendien was hij verplicht, zowel bij nacht als bij dag bij de tolboom te plaatsen en de verschuldigde tol te ontvangen, zonder oponthoud te veroorzaken. Hij moest altijd voldoende wisselgeld bij de hand houden.

Van de tolgaarder werd verwacht dat hij integer en betrouwbaar was. Hij moest stevig in zijn schoenen staan, zeker wanneer een voorbijganger bij het passeren van het tolhek de van tevoren vastgestelde tol weigerde te betalen. Normaliter droeg de tolgaarder eens per maand één twaalfde deel van de jaarlijkse pachtsom af. Verder mocht hij niet het nevenberoep van logement of vergunninghouder uitoefenen. Tenslotte moest hij de lange lijst van verleende vrijstellingen uit zijn hoofd kennen.

Doorn in het oog

Vooral bij de plaatselijke bevolking was het betalen van tol een doorn in het oog. Vandaar dat menigeen op grond van uiteenlopende argumenten een vrijstelling daarvan probeerde te krijgen. Zo betaalde men in de negentiende eeuw bijvoorbeeld bij het passeren van het tolhek voor elk paard of ezel 5 cent, voor een kalf, schaap of varken 1 cent.  Voor elke bok of hond die voor een rijvoertuig op twee of vier wielen was aangespannen anderhalve cent. Voor elke grote wagen betaalde men 15 cent.

Een tondelaarmaker was een maker en verkoper van tondels. Een tondel is een lichtontvlambare stof, bestaande uit niet geheel verkoold linnen of katoen, of het geprepareerde vruchtlichaam van sommige kurkachtige zwammen, zoals de tondelzwam, gebruikt om de bij het vuurslaan ontstane vonk op te vangen.

In de prehistorie werd mogelijk vuur gemaakt met behulp van vuursteen en pyriet, ook wel gekkengoud genoemd, waarmee men vonken sloeg die werden opgevangen in de tondel. Een andere methode van vuur maken was door middel van wrijving van hout op hout, zoals met de vuurtol of de vuurboog. Er werd veel gebruikgemaakt van de tonderzwam. Dit is een zwam die vooral op de berk voorkomt, maar ook wel op beuk en populier.

De bereiding

  • De zwam werd eerst geprepareerd, daartoe werd als eerste de buisjeslaag verwijderd en het overgebleven gedeelte in reepjes gesneden en gedroogd.
  • Daarna werd de tondel gekookt in paardenurine of een salpeteroplossing en weer gedroogd. Deze laatste behandeling maakt de tondel nog beter ontvlambaar.
  • Voor het maken van een vuur werd een reepje geprepareerd tonderzwam met een scherp voorwerp geschraapt, hierdoor ontstaat een pluizig materiaal dat zeer geschikt is om tot ontbranding te brengen.

Ook tondel als verkoold linnen werd wel behandeld met urine of een salpeteroplossing.

De tondel werd droog bewaard in een tondeldoos. De tondeldoos diende om vuur te maken en is de voorloper van de lucifer. Het was een doosje waarvan de inhoud bestond uit tondel, een licht ontvlambaar materiaal. Dit kon bijvoorbeeld een stukje gedroogde tonderzwam zijn. Hiernaast had men nog een vuursteentje en een metalen ring, het vuurslag, nodig. De ring bestond uit koolstofhoudend ijzer.

Terwijl de vuursteen dicht genoeg bij de tondel werd gehouden, probeerde men met de metalen ring een genster op de stof te doen belanden. Dit vergde behoorlijk wat behendigheid van de gebruiker die verder met blazen een vlammetje verkreeg.

Een tonnenbrander ijkte de vaten waarbij deze voorzien werden van een brandmerk. Dit brandmerk werd met een zogenaamd brandijzer in het hout van de ton geschroeid. De eigenaar van de ton was voor het ijken leges aan de gemeente verschuldigd. Veelal gebeurde het ijken door kuipers of voormalige kuipers. Het ging om allerlei soorten tonnen; van biertonnen tot kalktonnen en van haringtonnen tot zeeptonnen.

Op de Digitale Arena vinden we een document uit 1609 waarin een aantal van deze tonnenbranders genoemd wordt. Het betreft daar zowel Delftse branders als branders der tonnen uit Enkhuizen.

Hoewel ijkers doorgaans door het gemeentebestuur beëdigd werden kwamen er toch malversaties voor zoals blijkt uit de Groene Hart Archieven. Hierin wordt melding gemaakt van een tonnenbrander genaamd Gijsbrecht Gerritsz die in 1484 de gilderegels had overtreden. Gijsbrecht had jarenlang betaald leges voor het ijken van de tonnen achterovergedrukt, maar werd gesnapt. Bovendien liet hij het ijken vaak over aan zijn vrouw en kinderen die uiteraard daartoe niet bevoegd waren. Immers, zij waren niet beëdigd als tonnenbrander. Bovendien waren er bij het ijken ook nog eens verkeerde maten gebruikt. De straf die Gijsbrecht kreeg loog er niet om: een geldbedrag aan boete en als voorwaardelijke straf een bedevaart naar Rome.

Een tonnenman bevrijdde de bevolking van de stinkende poepemmers in de huizen. Vanaf de 15e eeuw moest er in de buurt van huurhuizen verplicht een beerput aanwezig zijn, om poepemmers in te legen. De verhuurder liet de beerput legen door ‘de heren van de beer’. De steden werden groter, waardoor er te weinig beerputten aanwezig waren voor het aantal inwoners. De oplossing kwam met de komst van de tonnenman. Die kwam twee keer per week met zijn stront- of beerwagen langs om de volle poepemmer om te wisselen voor een lege. Halverwege de twintigste eeuw werd in ons land het rioolstelsel aangelegd, waardoor de tonnenman uit het straatbeeld verdween.

Een tonstaander was een persoon die bij de tonnen staat om te controleren of er de juiste hoeveelheden kolen in worden gestort.

Keuren en ordonnantien der stad Haerlem, op auctorisatie en met goedkeuringe van de Burgemeesteren en Regeerders derzelver Stad, 5 augustus 1757

Dat aan den zogenaamden TONSTAANDER, zijnde een van de werkers, die by de ton staat, wanneer de Luycksche Koolen zijn gewerkt, door de dragers zullen worden betaald 16 stuyvers ‘t 110 waag en de door de Weegers 4 stuyvers. Behalven de Luycksche Koolen, welken altoos worden gewogen, zullen ook die van Dordrecht komen gewogen moeten worden, indien de Koopers zulks verkieen, doch anders niet.

Een toommaker maakte paardentomen, dit was het geheel van het gebit, hoofdstel en leidsels om paarden mee te mennen. Het spreekwoord 'in toom houden' is hiervan afgeleid.

Een touwkookster werkte op straat. Ze verzamelden oud touw wat zij in een grote ketel kookte. Hierdoor kwam teer en pek vrij wat ze van het touw scheidde. Het overgebleven pluizige touw verkochten ze aan scheepswerven. Zij gebruiken het als breeuwsel om de naden in scheepshuiden te dichten.

Een touwslager maakte touwen. Touwslagerijen behoorden hier te lande tot de voornaamste takken van nijverheid. Keurmeesters zorgden ervoor dat de hennep, destijds de grondstof, voor er touw van werd geslagen, aan bepaalde voorwaarden voldeed. Bij keuren werd bepaald, hoeveel vademen van de verschillende touwsoorten er uit een pond hennep gesponnen moest worden. Het touw, dat gereed was, werd opnieuw gekeurd en gemerkt.

Het vervaardigen van touw is van oudsher in de handen van touwslagers in de touwslagerij oftewel lijnbaan. Voor het in elkaar draaien van de hennepvezels werd gebruikgemaakt van het (houten) baanderswiel met een brede velg dat met de hand rondgedraaid werd door de baandersjongen. Dit draaien moest vrij snel en regelmatig gebeuren. Het was een saai en vermoeiend werk. De jongen mocht daarom op een houten bankje zitten dat bij het toestel stond. Eerst werden strengen vervaardigd. Op regelmatige afstanden waren bossen hennepvezels beschikbaar voor de touwdraaier. Deze had ook om zijn middel een jutezak vol hennepvezels om zijn middel hangen van waar hij achteruitlopend de streng liet ontstaan. Als zijn voorraad op was kon hij die door de klaarliggende vervangen.

De bok

Afhankelijk van de dikte van het te vervaardigen touw werden dan groepjes strengen aan haakjes het wiel bevestigd. Aan de andere kant werd het aan een haak, het lammeroen, van de z.g bok, vastgezet. De bok was een tweewielig karretje met een over de grond slepend uiteinde, waarop gewichten konden worden geplaatst om de kracht waarmee de touwen in elkaar werden gedraaid te regelen. De strengen werden door de touwdraaier met behulp van een klos, een taps toelopend en ingekerfd stuk hout, tot touw gedraaid. Het aantal kerven werd bepaald door het aantal strengen, waaruit het touw werd gedraaid. Voor dikker touw werden dunnere touwen op gelijke wijze in elkaar gedraaid. Het draaierswiel stond als regel onder een afdakje, de baan was al dan niet (gedeeltelijk) afgedekt.

Men onderscheidde twee soorten touwslagerijen: scheepstouw- en boerentouwslagerijen. De eersten leverden touw voor de scheepvaart, de boerentouwslagers vervaardigden touw voor de boeren als paardenleidsels, koeientouwen en ook touw voor de binnenscheepvaart, bijv. trekschuiten.

Naast de touwslagerijen, die het hele product leverden, waren er ook groot- oftewel grofgarenbanen, waar het grovere garen als halffabrikaat werd geslagen voor grote lijnbanen voor de scheepvaart. (Daarnaast waren er klein- of fijngarenbanen waar het fijnere garen werd vervaardigd voor visnetten).

Een traankoker werkte in de walvisvaart. Na de opheffing van de Noordse Compagnie kon iedereen ter walvisvaart gaan. In Nederland waren o.a. de Zaanstreek, Jisp, De Rijp, Harlingen en Dordrecht actief. In goede jaren werden wel 30.000 walvissen gevangen, waaruit een traanproductie van ongeveer 500.000 ton, die gedeeltelijk ter plekke werd gewonnen. Maar ook in Nederland werden op verschillende plaatsen traankokerijen opgericht waar het walvisspek werd gekookt en in traan werd omgezet.  Meestal werd het spek in vaten aangeleverd, maar een enkele keer werden er complete walvissen bij de traankokerijen afgeleverd.

De traankokerijen waren berucht om de stank die ze verspreidden. De traankokers werden daarom wel traanbok genoemd (een bok verspreidt ook een onaantrekkelijk luchtje). In Noord-Holland bezigde men roodkoperen pannen, in Zuid-Holland ijzeren.

Een trafikant was een koopman die zelf gemaakte producten verkocht, zoals branders, brouwers, stijfselmakers en andere 'trafikanten'.

Een trasbereider (trasmaker) maakte tras door tufsteen te vermalen. Dit werd gebruikt voor bijzonder vast en waterdicht metsel- en pleisterwerk.

Een trasmolenaar had een trasmolen, daar werd tufsteen zo fijn gemalen dat het kon dienen als metselspecie. Vaak fungeerde de molen ook als krijtmolen om de eveneens voor de cementproductie noodzakelijke kalk te vermalen. Het verouderde tras was een verbinding van gemalen tufsteen met vette kalk tot een metselspecie, die zowel onder water als in de lucht zeer hard werd. Meestal betrof het windmolens en deze waren vooral in West-Nederland te vinden, zoals in Dordrecht, de Zaanstreek en Utrecht. In 1858 waren er in Nederland nog 56 trasmolens, en wel 16 in Zuid-Holland, 14 in Friesland, 12 in Noord-Holland, 4 in Noord-Brabant, 4 in Gelderland, 3 in Utrecht, 2 in Limburg en 1 in Groningen.

Dit materiaal had de eigenschap dat het gemengd met fijngemalen tras een waterdichte mortel vormde (tras is verweerde lava). Grote stukken tufsteen werden eerst met mokers in stukken geslagen en vervolgens fijn gebeukt door een serie stampers. Het fijngestampte gruis werd met de molenstenen nog fijner gemalen. Het werk in deze molens was bijzonder ongezond vanwege het stof en gruis dat overal doordrong en vanwege de ongelooflijke herrie die het heien op de stukken steen veroorzaakte. Soortgelijk werkzaamheden werden in de cementmolens verricht. In de schelpzandmolens werden schelpen tot gruis vermalen, dat een onderdeel vormde voor de grondstof in de aardewerkindustrie. Ondanks de mechanisering verdwenen de meeste trasmolens tegen het einde van de 19e eeuw

De reden dat in Nederland maar weinig cement- of trasmolens hebben gewerkt, is gelegen in het feit dat de aanvoer der grondstoffen te kostbaar was om te kunnen concurreren met molens nabij de vindplaatsen. Daarbij kwam dat het procédé zeer eenvoudig was: er was nauwelijks sprake van een toegevoegde waarde. De trasmolen te Zaandam was in 1625 de eerste in zijn soort.

Een treeftmaker maakte treeften. Oorspronkelijk was een treeft een ijzeren, soms koperen ring op drie poten en voorzien van een handvat. Deze werd gebruikt om een pan, pot of ketel boven een open vuur te kunnen plakken, later een rooster, al dan niet op poten met dezelfde bestemming. Ook kende men treeften zonder poten, opgehangen aan een ketting.

Men kende ook treeften om een brandijzer op te verwarmen. Een kunstenaar, die etsen vervaardigde, gebruikte de treeft om de etsplaten te verwarmen en zware ijzeren treeften om planken te buigen. Het maken van treeften kan men zien als een specialisme ven het smidsvak.

Een tremmer (man/vrouw) werkte 1. in een pijpenfabriek waarbij hij met een priem de randen van de pijpen bewerkte om deze te verwijden. 2. Een arbeider op een stoomschip die kolen moest verplaatsen van de bunker naar de stookplaats en de vuren schoonmaakte.

Een trenzenmaker (man/vrouw, ook trensster) maakte vlechten voor pruiken.

Een triakelmaker was een maker en verkoper van triakel. Triakel is een geneesmiddel, in de vorm van zalf of drank, waarin o.m. slangenvlees en opium verwerkt worden. Het werd gebruikt voor allerlei kwalen en als tegengif. Alleen apothekers mochten het bereiden, maar met de samenstelling werd geknoeid o.m. door kwakzalvers.

Triakel is een drankje (al dan niet met medicijn of vergif als ingrediënt) dat gedronken moet worden om een vermeende en bedoelde magische uitwerking te hebben. Het maken van toverdrankjes werd toegeschreven aan zowel magiërs, druïden als heksen.

Gedurende de 19e eeuw werden verschillende soorten toverdrank verkocht door rondreizende oplichters en kwakzalvers, die beweerden dat de drankjes hielpen tegen verschillende ziekten en pijnen. Deze dranken bevatten vaak ingrediënten die wij nu als giftig of ongezond beschouwen.

Het brouwen van verschillende toverdranken maakte ook deel uit van de praktijk van de alchemie en werd geassocieerd met hekserij. In het verleden speelde bijgeloof of volksgeloof een belangrijke rol in het dagelijks leven. Het verklaarde schijnbare toevalligheden en gaf de mogelijkheid om kans op ongeluk af te wenden.

Een ander bijgeloof of volksgeloof is:  Het paard zou goed werken tegen allerlei kwalen. Het vet van de manen werd gebruikt bij brandwonden en als reumazalf. Bij verkoudheid werd paardenmest gekookt en opgedronken (zie ook Triakel). Wie last had van zweren moest eelt van een paard als amulet dragen.

Een trieljemaker (trieljewever) maakte trielje, dat was linnen of katoen wat met een (glad)machine werd geglansd voor o.a. voeringstof.

Een trijpenier was een verkoper van trijp. Trijp wordt hier gebruikt in de betekenis van voor de consumptie toebereide ingewanden, hart, lever en longen van slachtvee. Vergelijk het Franse woord “tripe” oftewel ingewanden van vee.

Er is bij trip dus, net zoals bij het de benamingen voor ‘kop, hoofdkaas’, sprake van metonymie. De bloedworst wordt genoemd naar het omhulsel, een schoongemaakte varkensdarm. Mogelijk heeft ook een andere betekenis van trip, namelijk ‘slachtafval’ invloed gehad op de naamgeving. In een bloedworst wordt dikwijls minderwaardig vlees van het geslachte varken verwerkt. Vaak wordt de voorbepaling bloed gebruikt om het onderscheid aan te geven met de witte tripen, die geen bloed bevatten.

Pens is een soort eetbare voering uit de magen van verschillende boerderijdieren. De meeste pens is van runderen en schapen. Runderpens wordt gemaakt van de spierwand (het inwendige slijmvlies verwijderd) van slechts de eerste drie kamers van een koe is maag: de pens (deken / flat / glad pens), de reticulum (honingraat en pocket pens), en de omasum (boek / bijbel / bladpens). Lebmaag (riet) pens wordt minder vaak gezien vanwege de inhoud van klierweefsel.

Een trippenmaker maakte trippen, dat zijn houten zolen, vaak met een verdikking onder de hak en onder de voorvoet en met twee leren slippen die om de voorvoet sluiten. Ze werden in de 15e eeuw gedragen als overschoen, ter bescherming van de leren schoen of laars tegen het vuil van de straat. De schoenen waren vaak gemaakt van soepel leer dat aan de onderzool werd genaaid. In de loop van de 15de eeuw werden er voor de zool meerdere lagen leer toegepast waardoor de schoen aanmerkelijk steviger werd. Lopen op ongelijke ondergrond werd daardoor gemakkelijker. Trippen hadden een speciaal soort sluiting. Aan weerszijden van de voorvoet werden driehoekige stukjes leer aan de houten zool vastgenageld. Soms waren deze driehoeken open. De ene driehoek eindigde in een lip, de andere had inkepingen, waar de lip doorheen werd geschoven. Het geheel sloot met een ijzeren pen.

Vanaf de 16e eeuw gebezigd als muil of sandaal, later ook nog gedragen in de zomer. Later ook bij de laagveenverwerking de plankjes die de veenarbeider met riempjes onder de voeten bevestigde om het veen aan te stampen (tripplankjes). Ook wel plankjes, die onder de voeten van paarden werden bevestigd, als het land, dat bewerkt moest worden, erg drassig was.

Een tripper was een veenarbeider die het veen aanstampte met rippen aan zijn schoenen (veentripper).

Een troubadour was een muzikant in de poëzie die zijn hoogtijdagen kende van de 11e tot de 13e eeuw in voornamelijk de Provence (Zuid-Frankrijk) en ook in het noorden van Italië. Ze vonden een soort vorm van lyrische poëzie uit die gekarakteriseerd werd door complexiteit van rijm en meestal een romantische stam.

Een troubadour was oorspronkelijk een reizende muzikant die van het ene dorpje naar het andere dorpje trok en vaak ook naar het buitenland. Sommige troubadours reisden naar de grote steden van Europa, terwijl anderen naar het Heilige Land gingen om de kruisvaarders te vergezellen. Het reizen van de troubadours had ook nog een ander aspect: het zorgde ervoor dat zij de mensen waren die het laatste nieuws konden verspreiden.

De teksten van liedjes van de troubadours gingen vooral over thema’s zoals ridderlijkheid en hoofse liefde. Veel liedjes hadden een getrouwde minnaar als onderwerp, waarschijnlijk door de overvloed aan gearrangeerde huwelijken in die tijd. In de volkscultuur worden ze vaak gezien als de uitvinders van romantische liefde en ze waren dan ook de eerste dichters in het Westen die het vertellen over de liefde tussen een man en vrouw als een vorm van hoge kunst zagen. Ook gebruikten ze de dansa orbalada, een dansliedje met een refrein; en de pastorela, waarin het verhaal wordt verteld over de liefdesverklaring van een ridder aan een herderin. Nog een vorm was de jeu parti of débat, een debat over liefde tussen twee dichters. Andere veel voorkomende onderwerpen waren historische gebeurtenissen en verhalen over verre landen.

Het beroep turfmeter komt in de archieven van Hardinxveld voor op 2 februari 1762. 'Aanstelling van Pleuntje Willemsdr. Baardman als turftmeter'.

Meer informatie over dit beroep wordt op prijs gesteld.

Een turfteller was een ambtenaar die voor de turfaccijns de turven telt die verkocht zijn. De accijns op turf werd in het begin van de jaren 1830 ingevoerd.

Bij het lossen van turf, heeft de schipper te betalen: turfaccijns. De schipper zelf is verplicht op de wal de geloste turf netjes op te stapelen; de knecht moet behulpzaam zijn bij het tonnen. De kluiten (gebroken turfen) zijn bestemd voor de turfdragers, en de laatste ton* turf voor de tonder. Voor die brandstof ontvangt de schipper geen betaling. Telkens als er 50 ton turf is gelost, is de schipper verplicht om het werkvolk dat met lossen bezig is een borrel te schenken. Aan het eind van de middag, wanneer het werkvolk liever bier dan jenever verkiest, wordt voor rekening van de schipper een vaatje bier aangeslagen.

De turf, meestal koopwaar van de schipper, wordt getond, gemeten door een turfteller. De schipper daarentegen wordt een baantje aan de wal gegeven tijdens de lossing, zodat hij geen controle kan houden voor het tonnen. De turf van de vierde klasse werd belast met anderhalve cent per ton. Spon- of baggerturf hoorde onder de eerste klasse en werd belast met 14 cent per ton.

Een turfsteker stak in het veen (hoogveen) turven uit in de gewenste maat.

Een turftonster was een vrouwenberoep. Arme vrouwen, veelal weduwen met grote gezinnen konden zich als turftonster aanmelden. Dit baantje werd doorgaans vergeven aan de allerarmsten, vaak weduwen die een gezin te onderhouden hadden. Turftonster werd je niet zomaar. Vaak moest je aan kunnen tonen het financieel zeer slecht te hebben.

Bij de verkoop van turf diende, evenals dat met een aantal andere goederen het geval was, een soort omzetbelasting of impost te worden betaald, wat door een impostmeester, die deze functie voor heel Zuid-Holland had gepacht, werd geïnd. Daarom mocht een schip ook niet zonder een loscedel door de turftonsters worden gelost, welke verklaring werd afgegeven door de plaatselijke collecteur van de turf. Van ieder gelost schip dienden zij op te geven hoeveel tonnen zij hadden gelost, wat door de collecteur in een collecteboek werd opgetekend.

Als zij minder tonnen opgaven dan er in werkelijkheid waren gelost, werden zij gestraft met openbare geseling en verbanning uit het land. De turftonders of -tonsters werden benoemd door de burgemeesters en toen in 1679 de impostmeester zelfturftonsters of turfvulsters benoemde, besloot de vroedschap hen te ontslaan en het recht van benoeming als vanouds aan de burgemeesters te geven.

Een turfschip was meestal een platbodemvaartuig. De lading was meestal genoeg om zo'n 150 vaten met turf te vullen. Deze vaten dienden als ijksysteem. Aan de hand van het aantal gevulde vaten werd berekend hoeveel accijns de turfschipper verschuldigd was. Aan boord van het schip werd de turf in manden gedaan door z.g.n raapsters. De volle manden werden door turfhevers aan wal gedragen. Daar werden zij door de turftonsters overgeheveld in turftonnen. Er zijn bedragen bekend over wat turftonners en turfhevers in Amsterdam en Haarlem verdienden in het jaar 1801.

De hever in Amsterdam ontving toen voor 50 tonnen turf 8 stuivers, de tonners in Haarlem ontvingen voor 100 tonnen dertig stuivers. Het bedrag dat de hevers ontvingen was mede afhankelijk van de afstand die met de manden afgelegd moest worden. De gage van de tonster hing mede af van het soort turf wat getond moest worden (kort- of lange turf). Met dit werk verdiende de turftonster enkele stuivers. Maar zij mocht wel met haar medetonsters de brokstukken turf, die na het werk overbleven, meenemen naar huis als gratis brandstof voor haar kachel.

Aanvulling van Henk Schreuder:
Maria Roggeveen was (in 1849) turftonster (in de haven van Rotterdam). In een turfschip, gewoonlijk een platbodemvaartuig, werd de turf, de brandstof van die dagen, door raapsters in manden gedaan, aan de wal gedragen door hevers en overgeheveld in tonnen door zogenaamde tonsters. De turftonsters stonden maatschappelijk zeer laag in aanzien. Het zware en slecht betaalde werk werd veelal verricht door brodeloze weduwen.

Een twijnder was iemand die als beroep garen of zijde twijnde. Het twijnen of tweernen bestaat uit het ineendraaien van twee of meer vezels. In de Keuren van Haarlem 2, 104 a uit 1608 wordt onder meer vermeld: 'Koopluyden van Lynwaad en Garen, midsgaders Twynders, Linneweevers, Coleurwerkers en anderen, die Lynwaad en Garen hanteeren'.

Oorspronkelijk sponnen en twijnden de vrouwen zelf. In sommige streken werden deze garens geweven tot stoffen als vorm van huisindustrie, maar soms ook verwerkte een wever deze getwijnde garens tot stoffen.

Twijnen is het samenvoegen van twee draden. Je draait ze als het ware in elkaar, waardoor ze niet meer losgaan. Nu heb je een dikkere draad die veel gelijkmatiger is. Meestal vallen de onregelmatigheden in de draden namelijk niet samen, wat er voor zorgt dat de uiteindelijke draad regelmatiger wordt. Twijnen doe je door twee draden aan elkaar vast te maken en ze in elkaar te laten draaien door de tegenovergestelde kant op te draaien met je spinnewiel. Normaal spin je met de klok mee, nu tegen de klok in.

Dat hun bestaan niet louter rozengeur en maneschijn was blijkt uit het Handvest van Amsterdam, 1148 a (1675) dat vermeld: 'Dat verscheyde Persoonen en Huysgezinnen de Neringe van Twijnen en Blauwververy hier ter Stede gedaan hebbende, vertrokken sijn ten platten Lande, door dien haar Neringe geheel quame te verloopen, uyt oorsake dat de Twijnders en Verwers van andere Steden.'

Mis je een beroep in de lijst?

Laat me dit dan weten, bij voorkeur met de beschrijving van het beroep.

Contact
Schrijf mij in voor de nieuwsbrief (iedere 2 maanden)
Bezig met versturen

Vergeten beroepen met de letter T

Wel eens van een taaitaaibakker gehoord, of wat dacht je van een tabakskerver? Andere voorbeelden zijn een tabelioen, taender, teenschiller, tarrameester of tiendheer. Sommige beroepen lijken logisch, maar daar kan je je flink in vergissen. Veel beroepen omvatte meer taken en verantwoordelijkheden dan je zou denken, maar het tegenovergestelde kwam ook vaak voor.

Veel van dit soort oude beroepen komen gelukkig tegenwoordig niet meer voor. Niet alleen omdat ze niet meer functioneel zijn en door de tijd zijn opgeheven, maar ook omdat de zware omstandigheden voor arbeiders zo belastend waren dat zij er vaak ernstige ziektes aan overhielden en uiteindelijk jong kwamen te overlijden.

Mannen en vrouwen

Op Yory wordt geen onderscheid gemaakt tussen mannen- of vrouwenberoepen. Echter valt het wel op dat de meeste beroepen door mannen werden uitgevoerd. Als vrouwen hetzelfde werk uitoefenden dan een man, kregen zij veel minder betaald (wat overigens tot de dag van vandaag een strijd is). Daarbij mochten vrouwen uit de ‘hogere stand’ niet werken, zij kwamen de dag door met b.v. schrijven, schilderen of flaneren met vriendinnen. 

Lees ook

Download hier gratis de Family Tree Builder
Registers van de Nijmeegse Hulpbank 1870-1928
Word wegwijs in de Duitse archiefterminologie
Protestantse archieven in België
Vergelijk jezelf met Compare-a-Face van FamilySearch
Stamboomonderzoek in het buitenland

Oude en vergeten beroepen van vroeger (T)

Reageer op dit artikel
Opmerkingen over artikel
Schrijf mij in voor de nieuwsbrief (iedere 2 maanden)
Bezig met versturen

Wil je een donatie doen?

Yory is non-profit, maar de kosten zijn zeker € 750 per jaar. Met donaties kan dit platform blijven bestaan.

Yory donatie banner
Yory donatie banner vierkant
ZOEK