Oude en vergeten beroepen van vroeger (D)

Henk van Hal

Expert in oude beroepen

Yory donatie banner vierkant

Een overzicht van alle oude vergeten beroepen van vroeger, op alfabet met de letter D.

Een daggelder (dagloner) was iemand die zijn fysieke kracht in dienst stelde van een boer bij het werken op diens grond. Andere benamingen zijn: agrarisch medewerker, arbeider, keuter, knecht, huurman. Vanaf het ontstaan van de eerste boeren ten tijde van de neolithische revolutie waren er daggelderss in de vorm van familieleden en knechten die de boer bijstonden in zijn lichamelijke arbeid.

Het verschil tussen een knecht en een landarbeider is echter dat de eerste intern bij de boer woont en ongehuwd is. De landarbeider woont met zijn gezin in een huisje nabij de boerderij. De landarbeid was seizoensgebonden en de lonen lagen traditioneel laag. Het landarbeidersgezin had echter de beschikking over een grote moestuin en was tot op bepaalde hoogte zelfvoorzienend.

Na de Tweede Wereldoorlog verdween het beroep van daggelder, evenals dat van (boeren)knecht. De reden was gelegen in de zich snel ontwikkelende landbouwmechanisatie en tegelijkertijd in het beschikbaar komen van beter betaalde banen in de industrie. Hierdoor trokken velen van hen naar de dorpen en steden. De vrijkomende huisjes werden gesloopt of gekocht door toeristen. De rol van het paard werd door de tractor overgenomen, en de diensten van de landarbeider werden vervangen door die van het loonbedrijf.

Daggelders waren vooral werkzaam in de akkerbouw. Knechten dienden daar voor de verzorging van de werkpaarden. De veeboeren hadden voornamelijk knechten in dienst, evenals melkers en/of herders.

Bron: Beeldbank Groningen, dagloners

Een dakdekker was iemand die zorgde voor de dakbedekking. Een rieten dak wordt gemaakt van eenjarig riet. Meerjarig riet is hiervoor niet geschikt. Riet wordt al eeuwenlang als dakbedekking gebruikt vooral bij steile daken van 45 graden of meer. Vroeger was het naast stro en heideplaggen de goedkoopste dakbedekking, tegenwoordig wordt het vooral toegepast bij huizen in het hogere marktsegment. Na zo'n twintig tot dertig jaar is vervanging van versleten natuurrieten dakbedekking noodzakelijk. Daken kunnen ook gedeeltelijk uit riet en gedeeltelijk uit dakpannen zijn opgebouwd.

Het dekken van rieten of strooien daken is veelal een gespecialiseerd zelfstandig beroep. De huidige riet- en strodekkers doen niets anders, maar vroeger waren zij naast rietsnijder en rietbinder ook nog riethandelaar en in de herfst of winter ook wel klompenmaker of deden ze slagerswerkzaamheden omdat er niet het gehele jaar door voldoende riet was en/of werk. Veel riet- en strodekkers zijn aangesloten bij een of andere soms regionale werkgeversvereniging. Voor houvast bij het werken op een rieten dak maakt de rietdekker gebruik van rietdekstoelen en dwarsbomen. De rietdekstoel heeft pinnen waardoor deze vast op het riet ligt. De steunbomen worden tijdelijk vastgezet met ijzeren pinnen.

Een damasceerder was een smid die staal met goud en/of zilver inlegt of, door bepaalde gedeelten van een stalen voorwerp met olie in te smeren en het gehele voorwerp vervolgens aan een zuur bloot te stellen, door de verschillen in dof en blinkend metaal, een figuur verkrijgt.

Damasceren is een inlegtechniek van metaal in metaal. Meestal wordt er in een hard, donkerkleurig metaal (geoxideerd staal, messing, brons of geel goud) een zachter, lichter gekleurd metaal (meestal goud of zilver) geplaatst. In het metaaloppervlak wordt een zwaluwstaart- vormige groef gemaakt waarin het zachte metaal wordt gehamerd.

Over de herkomst van de naam bestaat onduidelijkheid. Een mogelijke verklaring is dat het uiterlijk van dergelijke objecten een gelijkenis zou vertonen met damastzijden weefsels. Waarschijnlijker echter is dat van de metalen objecten dezelfde herkomst vermoed werd als het damaststaal. Zeker is dat de meeste vroege gedamasceerde objecten inderdaad uit het Midden-Oosten afkomstig zijn. Meestal ging het dan om gebruiksvoorwerpen, zoals vaatwerk.

Vanuit het Midden-Oosten raakte de techniek ook in Italië bekend, als eerste in Venetië. Italiaanse edelsmeed gildes stonden hun leden meer dan elders in Europa toe om ook onedele metalen in hun ontwerpen toe te passen. Hierdoor werd het damasceren in Europa voornamelijk in Italië toegepast. In de zestiende eeuw waren de gedamasceerde Milanese harnassen door heel Europa befaamd.

Een damastwerker (of damastwever) werkte met verschillende soorten damast. Oorspronkelijk is het een zijdeweefsel. Het woord is afgeleid van Damascus, waar de kruisridders fraaie zijden weefsels aantroffen. Later gebruikte men ook linnen, halflinnen en katoenen garens.

In beginsel wordt damast uit één soort garen vervaardigd in een effen kleur, maar door de verschillen in lichtweerkaatsing van de ketting en inslagdraden komen de patronen toch duidelijk uit.

In het begin gebruikte men damast voor verschillende doeleinden, zoals kleding, behangsel, gordijnen en bekledingsstof voor meubelen, later vooral als tafellinnen. Men kende dan ook verschillende soorten damast. Jacquarddamast werd op een jacquardweefgetouw vervaardigd.

Matrasdamast (damasttijk) wordt met grote patronen in twee kleuren met een kettingsatijn als grond en meestal een inslagsatijn voor de figuren geweven. Zogenaamd origineel damast wordt op een speciaal getouw vervaardigd. In de tweede helft van de vijftiende eeuw begon men in Vlaanderen figuraal damast van linnen garens te vervaardigen Bij het beelddamast overheersten in het begin bijbelse voorstellingen, later ook historische gebeurtenissen.

Opvallend zijn de damasten met "banquet op tafel", dat wil zeggen met een patroon van borden, bestek en opgemaakte schotels. Motieven waren verder bijvoorbeeld druiveranken, eikebladeren, familiewapens, goden, godinnen, jachttaferelen en patronen op bestelling.

Doordat op het eind van de zestiende eeuw veel Vlamingen naar de noordelijke Nederlanden uitweken, ontstond ook daar een bloeiende damastweverij.

De damastwever schoot de spoel door de draden van de schering aan de hand van een weerkaart, waarbij hij per dag zo'n zestig centimeter vorderde. In de negentiende eeuw stierf het ambacht bijna uit, maar tegenwoordig is er een hernieuwde belangstelling. Na het Beleg van Antwerpen (1584-1585) vluchtten veel Kortrijkse wevers naar Holland, waardoor Haarlem opkwam als centrum van damast weven.

Een damhouder hield toezicht op de verlaten en duikers. Verlaten zijn schutsluisjes voor kleine scheepvaart. Duikers zijn doorgangen (kokers) onder een dijk, weg of dam die water inlaten en afvoeren.

Een darinkdelver was een delver van darink (zout). Een belangrijke bron van inkomsten was het darinkdelven, het winnen van zout uit het veen. De zoute laag in de bodem wordt darink genoemd. Deze grond werd bewerkt waardoor zout uit de grond gehaald kon worden.

Na de ijstijd stegen de temperaturen. De ijskappen smolten, wat de zeespiegel deed stijgen. Het losgekomen zeewater verspreidde zich over de naastliggende veengronden, waardoor het zoutgehalte van deze grond aanzienlijk steeg. Door de aanleg van dijken werd het zeewater van de veengronden gescheiden en werd het veen toegankelijk voor de mens.

Om het zout uit de veengronden te winnen, werd het losgestoken en uitgedroogd. Het drogingsproces werd met behulp van de natuur gedaan. De stukken veen werden losjes op elkaar gestapeld tot een berg, wind zorgde vervolgens voor het drogingsproces.

Verbranding

De volgende stap was de verbranding. De hieruit ontstane zoute as werd overgebracht naar een verwerkingsplek. De as werd eerst samengevoegd met zeewater. Dit mengsel werd vervolgens in grote ovens aan de kook gebracht, hierdoor verdween het vocht en bleef het zout achter wat verzameld kon worden.

Vooral binnendijks leverde dat een gevaar op voor de kustverdediging. De verlaging van het maaiveld die het gevolg is van veenwinning leidde tot grotere schade bij overstromingen, omdat het verlaagde land bij een dijkdoorbraak als een badkuip volliep.

In de 13e eeuw werd de moernering een bloeiende industrie in de Lage Landen. De zouthandel bracht grote rijkdom. Het darinkdelven leidde er in 1421 toe dat de Sint-Elisabethsvloed grote verwoesting kon aanrichten. Diverse bepalingen volgden om het darinkdelven in te dammen en het gevaar van dijkdoorbraken te bedwingen, zoals in 1477. In 1515 werd darinkdelven uiteindelijk verboden.

Een darmwasser is een oud maar nog steeds bestaand beroep. Vroeger werden darmen van geslachte paarden, schapen, varkens, ezels, honden en katten voor uiteenlopende doeleinden gebruikt. Varkensdarmen veelal direct bij de slacht (huisslachten). Het prepareren van darmen was geen aangenaam werk. De stank en smerigheid waren voor een buitenstaander onverdraaglijk. Ook de darmenwassers zelf stonken.

In de bedrijfsruimte stonden houten vaten, bakken en kruiken, gevuld met darmen in verschillende stadia van ontbinding. Bakken, kruiken en de werkvloer waren bedekt met half verrotte resten, uit de darmen afkomstige uitwerpselen en vies goor water. Buiten was een stort voor die uitwerpselen en een vloer waarop dierlijk materiaal werd uitgespreid voor het kweken van maden. Deze werden verkocht als voer om kippen en ander gevogelte te mesten en aan vissers.

De darmen die men wist te verwerven werden in kuipen opgeslagen en zo snel mogelijk ontvet. De verse darmen werden bevochtigd en vastgeknoopt aan een pen. Met de ene hand werd de darm gespannen en met een mes in de andere hand werd het buitenste vlies en aanhechtend vet afgeschraapt. Gescheurde en beschadigde delen werden verwijderd. De schraapsels werden verkocht aan een zeepziederij. De afgeschraapte darmen werden in een half met water gevuld vat geworpen en dan stuk voor stuk binnenste buiten gekeerd, waarbij men op moest passen dat de darm niet scheurde.

Na het omkeren werden de darmen in bosjes met één aan elkaar gebonden waarna een rottende gisting volgde die ’s zomers twee tot drie dagen vergde en in de winter vijf tot acht dagen. Ze werden daartoe in tonnen opgeslagen. Bij te snelle gisting werd azijn toegevoegd om het gistingsproces af te remmen.

Na deze eerste gisting worden de darmen in een bak met water geweekt, waarna het binnenste slijmvlies gemakkelijk verwijderd kon worden. Dit was vrouwenarbeid. Daarna volgde een tweede rotting door de darmen weer in water te leggen dat geregeld werd geroerd en ververst. Dit duurde twee tot drie dagen.

Het overgebleven middelste darmvlies moet worden gedroogd. Eerst werd de darm aan een zijde dichtgeknoopt en dan met een mondstukje opgeblazen. Aan het andere eind werd dan een andere darm vastgebonden waardoor de opgeblazen darm op spanning bleef. Dit proces werd herhaald tot een lange ketting ontstond. Daarna werd de ketting in water ondergedompeld om te controleren of de darmen lek waren.

De lekjes werden evenals eventuele scheuren afgebonden. De zo ontstane ketting werd buiten op houten stellingen gedroogd. Blootstelling aan wind, regen, vorst en directe zonneschijn moesten daarbij worden voorkomen.

Na droging werden alle bindsels en niet opgeblazen stukken verwijderd en de lucht uit de resterende stukken geknepen. De goede stukken darm werden in een gesloten kast gezwaveld om het ontbindingsproces definitief te stoppen, daarna gebundeld. Ze zijn dan klaar voor de verkoop.

Waren de darmen bestemd om er snaren of pezen van te maken dan verliep het verwerkingsproces iets anders. Na het voorweken werden ze aan de buitenkant geschraapt, opnieuw geweekt, nageschraapt en opnieuw geloogd. Hierna worden ze door een nauwe ring heen en weer getrokken om ze soepel en glad te maken. Daarna naait men een aantal darmen aan elkaar.

Voor dikke pezen of snaren worden een variërend aantal van zulke einden in elkaar gedraaid, tweemaal gezwaveld en gedroogd. Voor dunnere snaren, bijv. zweepkoord wordt een zo’n eind getwist en gelijk op een frame gespannen. Voor de dunste snaren (ten behoeve van de klokkenmaker) worden de darmen na het aaneennaaien over een houten bal, waarin meerdere mesjes waren gezet, getrokken.

Een decatiseur is iemand die lakens ontglanst, de waterglans ontneemt en duurzame persglans geeft. Decatiseren is: Een fixatiebehandeling met stoom verleent wollen stoffen glans, een soepele greep en vermindert de neiging tot krimpen.

Door het persen verkrijgt de stof in hoofdzaak een zekere glans en een fijner gevoel. Ook zal de geperste stof in veel gevallen beter dragen d.w.z. het kledingstuk dat daaruit vervaardigd wordt, behoudt langer het uiterlijk van een nieuw kledingstuk.

Bij het decatiseren wordt de persglans geheel of gedeeltelijk gefixeerd, het appretuurkarakter van de stof vastgelegd en de krimpvrijheid verbeterd. Naast deze fixering heeft als bijkomend verschijnsel een verandering van gevoel plaats, dat vaster en steviger maar ook voller en soepeler kan worden.

Decatiseren is de laatste bewerking die de stof ondergaat. Het decatiseereffect is regelbaar en is afhankelijk van de manier waarop de stof tijdens het decatiseren wordt vastgehouden en daardoor van de druk die op het stofoppervlak wordt uitgeoefend. Het meest gebruikt werd de decatiseermachine met meeloper waarbij de stof tussen twee lagen meeloper op een geperforeerde trommel wordt gewikkeld.

De perforatie van de wals dient voor het laten doordringen van stoom als decatiseermiddel. Er wordt gewerkt met verzadigde dus vochtige stoom van lage druk. Na de bewerking moet de stof in opgewikkelde toestand in de machine afkoelen.

Een degeldrukker (degelmaker) was iemand die met een degelpers klein drukwerk vervaardigt. Algemeen wordt aangenomen, dat deze persen waren afgeleid van de wijnpersen die toen in gebruik waren. Het waren houten constructies, met veel smeedwerk, die met de hand werden bediend. Tot laat in de negentiende eeuw was drukken meestal handbediening: zowel het ininkten, in- en uitleggen van papier en het uitoefenen van de druk wordt met de hand gedaan. Men spreekt dan ook wel van een handpers.

De druk wordt verkregen met behulp van een schroef, waarbij de degel wordt aangedraaid. Houten persen konden slechts een beperkt oppervlak bedrukken, de houten constructie zou anders bezwijken onder de daarvoor benodigde krachten. Daarom werd in twee "teugen" gedrukt, nadat eerst een helft was afgedrukt, werd de degel weer omhoog gebracht, het fundament met het zetsel verschoven, en pas daarna het tweede deel gedrukt.

Degelpersen voor familiedrukwerk

Het papier werd meestal ingevocht voor het drukken, omdat het papier dan de inkt veel beter aanneemt. Om paswerk te kunnen leveren, werd het papier in een speciale constructie ingeklemd, bestaande uit: een timpaan en frisket. Het timpaan is een raam, waarop oorspronkelijk een vel dun perkament was gespannen, waarop naar behoefte extra papier werd geplakt om te zorgen dat de druk op het zetsel overal gelijk was. Het frisket bevatte een groot vel papier of perkament, waarin de pagina's waren uitgesneden. Zo kon het papier vlak en schoon blijven.

Degelpersen worden soms nog wel gebruikt voor het vervaardigen van familiedrukwerk zoals geboorte-, huwelijks- en overlijdenskaarten, visitekaartjes, enveloppen en korte circulaires. Door het relatief kleine oplages van de degelpers, de opkomst van de offset en digitalisering in de grafische wereld is de degelpers aan het einde van de twintigste eeuw grotendeels in onbruik geraakt.

Door de verscherpte regelgeving in verband met arbeidsveiligheid moeten de laatste nog in grafische bedrijven opgestelde degelautomaten, meestal zijn dat Heidelberger degels, aangepast worden met een extra afscherming, wat echter het afstellen van de machine niet gemakkelijker maakt. Daar de kosten vaak niet meer tegen de baten opwegen, verdwijnen steeds meer van deze machines.

Een dekenstikker was een stikker (of stikster) die gestikte of gewatteerde dekens maakte. Deze bestonden uit twee lagen textiel, waarvan de bovenkant veelal voorzien was van een bedrukking, gevuld met o.a. textielafval of kapok, doorgestikt met speciale naaimachines om de vulling op zijn plaats te houden.

Beddenzakken gevuld met stro, zeegras of houtsnippers, dat soort natuurlijke materialen. Maar daarna kwam het kapok als vulmateriaal voor matrassen, wel comfortabeler dan het vorige. Zware en stevige, niet al te zachte matrassen, in meerdere delen anders waren ze niet te hanteren en omkleed met een tijk en doorgestikt met knopen.

Vroeger werd veel aandacht besteed aan de dekens voor op bed. De dekens bestonden uit dikke lagen die werden doorgestikt. Als een laag versleten was, kwam er weer een nieuwe laag overheen. Zo kan het dat een deken er soms heel oud kan uitzien, met toch een stofje wat er wat nieuwer uitziet.

Een delver haalde grondstoffen uit de aarde. De zand-en grinddelver baggerde de grondstoffen voor wegenaanleg, steenfabricage (en later betonbouw) uit de rivierbodem. Oorspronkelijk en beperkt gebeurde dit eeuwenlang met behulp van de hand- of de hijsbeugel, waarbij gebruik werd gemaakt van menselijke spierkracht. Een beugel bestond uit een lange stok met onderaan een ijzeren ring (de eigenlijke beugel), waaraan een zak of net was bevestigd.

Door de stok tegen de schouders te laten rusten kan de delver of baggeraar zijn twee handen gebruiken om op de bodem zijn beugel vol te trekken, die daarna op te tillen en in een schuit of op de wal te legen.

Voor het baggeren op wat grotere diepte moest de beugel door twee mannen bediend worden. Al vrij gauw werd een eenvoudige installatie geplaatst met een lier of katrol, waarmee de beugel vol werd getrokken en meestal ook boven water getild.

Ook werd grind onder meer op de Veluwe gedolven, waarlangs vroegere waterlopen grindafzetting plaats had gevonden. Nadat men een groot gat had gegraven om bij de grindhoudende laag te komen werd de grindhoudende grond uitgeschept en met kracht tegen een soort schuinstaande zeef, de zogenaamde horde, geworpen. Het zand verdween door de zeef en het grind bleef over. Dit was de droge grinddelving.

Een dessertwerker maakte voor grote feestmalen prachtige suikerwerken voor de elite. Hij maakte de mooiste bouwsels om op tafel te tonen, gemaakt van dragant, een soort suikerpasta. Gezien de desserts die hij maakte, mag hij gezien worden als een ware kunstenaar.

Een deutelmaker maakte deutels, dat waren kleine, vierhoekige, spitse pinnen van eikenhout, die gedreven werden in de kop van de houten scheepsnagels, om die vast te doen aansluiten.

De deutelmakers waren gespecialiseerde houtbewerkers en scheepsbouwers. Een nieuwgebouwd schip werd later geteerd, maar het moest eerst gedeuteld of herdeuteld worden. De gaatjes voor de deutels werden aangebracht met een deutelijzer.

Een deutel was een spits toelopende houten pen, achtkant en ongeveer vijftien centimeter lang. Ze werden door het hout van de romp in de kromhouten gedreven en in de kop van de deutel joeg men nog weer een houten pen om de kop stevig in het kromhout te persen.

De deutel werd gebruikt om zware houten delen met elkaar te verbinden. De deutel werd door het ene deel in het andere geslagen worden, aan één uiteinde taps terwijl de andere kant overgaat in een vierkante kop

Karveel scheepsbouw van 1450 tot de 16e eeuw

In de vroege Middeleeuwen was deze werkwijze wel bekend in de noordelijke landen, maar werd ze alleen toegepast bij de platbodemscheepjes en dan met name nog voor de bodem of de kielplanken. De tegen elkaar liggende huidgangen (planken van de scheepshuid) werden met de spanten verbonden door middel van houten nagels. Door de ronding van de scheepshuid ontstonden aan de buitenzijde wigvormige naden tussen de planken, die met ‘breeuwsel’ werden gedicht.

Een diefleider was een persoon die voor de politie of justitie het "vuile werk" opknapt, hetzij als helper van de schout of baljuw (en dan ook wel diefleider genoemd), hetzij als helper van de beul. Het waren oorspronkelijk beulsknechten, helpers van de beul bij het ondervragen van verdachten. Zij voerden de pijnigingen uit, zoals het rekken van de ledematen.

Een paar honderd jaar geleden waren ‘diefleider’ nog wetshandhavers die in de nacht de wacht over de stad moesten houden. De diefleider had de ondankbare taak om in de wetteloze late middeleeuwen bij nacht en ontij orde te houden. Het was geen geliefd baantje, want je moest naast je reguliere baan overdag ‘s nachts ook nog de hort op. Doorgaans kregen de lagere klassen, die met hun gewone baan niet voldoende verdienden, dit werk toebedeeld. Het loon was een schijntje er moest toch eten op tafel komen. Ze kregen vaak de wat onfrisse klussen, waar de schouten en beulen zich te goed voor voelden.

Een diemitwever was een wever van diemit. Diemit is dubbeldraadse, wit katoenen stof, zonder een bepaald patroon en met keperstrepen. Dit werkt hoofdzakelijk gebruikt voor onderkleding.

Uit de archieven rond 1790:

Jan Cornelis oefende het bedrijf van diemitwever uit; maar aangezien dit geen voldoende winst opleverde om in de behoeften van een huisgezin te voorzien, opende hij een winkeltje van garen, lint, koord, diemit en andere voorwerpen, waar zijn vrouw voor de verkoop zorgde.

Een dienstbode was een dienstmeid met veel taken. Bijna de helft van Nederlandse vrouwen is aan het einde van de 19e eeuw werkzaam als dienstbode of wasvrouw bij de betere standen. Een dagmeisje, een dienstmeisje voor dag en nacht, was of werkvrouw in dienst hebben was in die tijd heel gebruikelijk bij de gegoede burgerij, adel en rijke boeren.

Op basis van cijfers uit 1899 blijkt bijna 44% procent van de Nederlandse vrouwen werkzaam is als dienstbode, wasvrouw, kokkin of werkvrouw. De meisjes zijn doorgaans afkomstig uit eenvoudige en dikwijls grote (land)arbeidersgezinnen, en gaan al heel jong ‘in betrekking’, soms al op 12-jarige leeftijd. De veelal grote gezinnen wonen in kleine huisjes en moeten leven van een gering inkomen. Iedere extra gulden die ingebracht kan worden door de kinderen is dan meer dan welkom, en doorleren na de lagere school is er beslist niet bij. Veel van hen zijn dus nog ongehuwd, maar er werken ook gehuwde vrouwen buitenshuis om het inkomen van hun gezin te garanderen.

’s Ochtends moet de kachel worden leeggehaald en opnieuw worden aangestoken. Vervolgens moeten de bedden worden afgehaald, de lakens en dekens uitgeklopt en de slaapkamers opnieuw op orde worden gemaakt: bedden weer opmaken, waskommen schoonmaken, lampetkannen bijvullen. Dan moest de woonkamer gestoft.

Op vaste dagen dienen de meubels geboend en de tapijten geklopt. Op andere momenten moet vaak eindeloos veel koper en zilver worden gepoetst. En dat was er in overvloed. Zilveren bestek, schalen, dienbladen, siervoorwerpen. Koper was overal te vinden zoals de traproeden, pannen, puddingvormen, stoffer en blik en zelfs het naam-plaatje aan voordeur. Er waren nog geen stofzuigers, dus de vloeren moesten worden geveegd en op de knieën geboend. Dan was er nog het werk in de keuken.

Hard werken, laag loon

De dienstboden maakten hele lange dagen en moesten flink bikkelen voor een klein loon. Zij hadden niets te vertellen en moesten onderdanig zijn. Je werd verondersteld precies te doen wat je werd opgedragen. Een grote mond of werkweigering werd bestraft met ontslag op staande voet en slechte referenties met als consequentie geen inkomen en ook geen werk bij een andere familie. Hoewel overal keihard moest worden gewerkt, maakte het wel verschil of er ‘gediend’ werd bij een rijke boer op het platteland of bij een rijke gegoede burgerfamilie in het dorp of de grote stad.  Bij de boeren moesten de dienstmeisjes behalve schoonmaken, wassen, schrobben en koken ook koeien melken (met de hand) en tuinonderhoud. Bij de burgerfamilies werden alleen huishoudelijke werkzaamheden verricht, en moesten ook dikwijls de kinderen verzorgd worden.

Meestal aten en sliepen de dienstmeisjes apart in de meidenkamer of in de stal, maar in sommige gezinnen aten de meisjes wel samen aan een tafel met de familie en werden ze ook goed behandeld. Of een dienstmeisje goed of slecht werd behandeld, viel en stond met de mentaliteit van haar ‘mevrouw en de familie. Er waren goede en slechte werkgevers, en de ervaringen van het huispersoneel waren heel verschillend.  De dienstmeisjes moesten 6 dagen per week werken, en waren alleen zondags vrij, en de ‘vakantie’ was slechts een weekje. De dienstmeisjes werden per jaar ‘besteed’ en de contracten liepen van mei tot mei.

Vind hier de bronnen van dienstboderegisters.

Een dieper was een aannemer van rivier- en baggerwerken. Afgeleid van diepen, het dieper maken, uitdiepen: Die keuren, op die waeteren en het diepen ende onderhoudt van dien gemaekt.

Een van de methoden was het gebruikmaken van de stroom door water op te stuwen en dat dan te spuien. Soms maakte men daarbij gebruik van 'krabbelaars' of 'mollen'. Reeds in de stadsrekening van 1435 zijn kosten opgevoerd om een mol van nieuwe ijzeren tanden te voorzien. Deze mollen of krabbelaars waren scheepjes, waarbij uit de bodem ijzeren eggen werden neergelaten. Deze dienden om de grond los te woelen, zodat deze gemakkelijk kon worden weggespoeld. Als bij de delvers is ook bij de diepers waarschijnlijk de beugel het oudste werktuig geweest.

In de 16e eeuw begon men gebruik te maken van moddermolens, waarbij de modder met behulp van tredmolens, door mankracht aangedreven werd opgebaggerd. De modder werd in een schuin liggende goot omhooggeschoven door een daarboven draaiende eindeloze ketting waaraan plankjes zaten. Die goot (of ladder) liet men met een eind naar de bodem zakken en als de schoepenketting dan draaide kon men de modder over het boveneind van de goot in een schuitje laten lopen. Dit systeem werkte goed in niet te diepe en modderige wateren zoals het IJ en de Amsterdamse grachten. Naast de door menskracht aangedreven moddermolens ontstond er ook een constructie, waarbij de tredwielen vervangen werden door een rosmolen.

 

Een dijkmeester was een ambtenaar die is aangesteld om de hoefslag van een dorp voor de gezamenlijke dijkplichtigen te onderhouden. Met hoefslag wordt oorspronkelijk het deel van een dijk aangeduid, waar de daar aangelegen hoeve verantwoordelijk was voor het onderhoud. Dat gold zowel voor de functie van de dijk tegen het water als de functie van de dijk als begaanbare weg.

De verhoefslaging stamt uit de voor-Grafelijke periode. Eerder waren alle slagen gelijk, en kon een hoeve voor een of meer slagen aansprakelijk zijn. Later werden slagen afhankelijk van het grondoppervlak van de hoeve.

De aanwonende ingelanden of geërfden vormden samen met grondeigenaren van de achterliggende landen, die ook belang hadden bij droge voeten, het dijkleger. Bij dreigende dijkdoorbraak werden zij met klokgelui van de dorpskerken achter de dijk opgeroepen te verzamelen bij de waakhuizen aan de dijk, waar zij de ‘dijkwapens’ (schoppen e.d.) toebedeeld kregen van de dijkmeester.

Een dispacheur beoordeelt de eventuele schade aan schip en lading tijdens transport (en mogelijk gemaakte extra kosten voor verantwoord vervoer) en beslist voor wiens rekening deze kosten zijn. De dispacheur is een beëdigd deskundige, in de regel een advocaat.

De lading en het schip of de schepen zijn meestal van veel verschillende eigenaren. Hierdoor worden de lading en soms de verschillende onderdelen van het schip zelf meestal gedekt door verschillende verzekeringsmaatschappijen. De verschillende risico's voor één en hetzelfde ding of persoon kunnen ook bij verschillende maatschappijen worden verzekerd.

Simpel gezegd heeft de dispacheur de taak om op basis van de schadeoorzaak, het verloop van de schade en de omvang van de schade vast te stellen welke materiële schade de betrokken partijen, hoe en waar deze schade verzekerd is en wie kan worden aansprakelijk gesteld voor wat. Hiervoor moet hij beschikken over gedetailleerde kennis van het nationale en internationale maritieme en verzekeringsrecht en van de regelgeving voor scheepvaart en maritieme handel. Het beroep combineert aspecten uit de werkvelden advocaat, deskundige en arbiter.

De dispacheur is in opdracht van een van de betrokken rederijen, verzekeringsmaatschappijen of bevrachters. Het bevel is een kwestie van vertrouwen, want zodra de partijen het eens zijn geworden over een arbiter, buigen ze meestal voor zijn arbitrale uitspraak.

Een disselmaker maakte dissels, dat waren stevige balken waarmee men een wagen of koets koppelde aan het trekdier of het trekkende voertuig. In de moderne tijd kennen we de dissel ook bij de diverse getrokken voertuigen.

Er waren verschillende beroepsgroepen die nog lange tijd met paard en wagen de straat op gingen. Naast boeren, die hun aangespannen boerenwagens bijvoorbeeld gebruikten om hun oogst naar de boerderij te halen, waren er melkboeren, groenteboeren en bakkers, die een eigen paard hadden en met een speciaal voor hun handel ingerichte wagen langs de deuren gingen om hun waren te bezorgen.

Bij een tweespan trokken de twee paarden aan weerskanten van de dissel of disselboom. De broek ontbrak: die functie werd overgenomen door twee kettingen die beide garelen met de dissel verbindt. De menner had één paar leidsels waarmee hij moest zorgen voor een gecoördineerde actie van de twee paarden. Die konden doorgaans méér trekken dan het dubbele van één paard. De leidsels hadden een gaffelvormig uiteinde. Het leidsel dat in de linkerhand gehouden werd, zat vast aan de linkerkant van het bit van beide paarden, het rechtse leidsel aan de rechterkant.

Als de bitten aan elkaar verbonden waren, had de menner genoeg aan één leidsel voor het linkse en één voor het rechtse paard. Reed men met twee paarden, dan stuurde de voerman met de kromme dissel, reed men met één paard, dan liep het paard tussen de burrie, ook wel bomen of lemoen genoemd.

Een dobbelmeester was een ambtenaar die toezicht hield op de dobbel- en hazardspelen.

Een dolster was een vrouw die buitendijks op het wad pieren stak voor de vissers. Als gereedschap gebruikten zij een drietenige greep (soort vork) om de pieren te steken. Dit zware werk verrichten zij voor vissers die onder meer met hoekwand visten. Dit was een lange lijn met daaraan een aantal haken. Op iedere haak werd zo’n pier bevestigd. Voor één schip waren zo’n 6000 pieren nodig.

In de achttiende en negentiende eeuw staken, o.a. Friese vissersvrouwen, pieren op het wad. De wormen dienden als aas bij de visserij op schelvis en kabeljauw op de Noordzee. De vrouwen hadden bij het pierensteken een broek aan, een dracht die in die tijd voor vrouwen zeer ongebruikelijk was.

In de kustplaatsen waren veel vissers actief in de beugvisserij op de Noordzee. Bij deze vorm van visserij werd er met een kilometerslange lijn gevist. De lijn had tientallen dwarslijntjes waaraan elk een haak met een pier zat. Met gewichten werd de lijn bij het uitrollen dicht naar de bodem gebracht; boeien aan het oppervlak dienden om de lijn te markeren. Direct na het uitrollen werd de lijn bij het beginpunt weer ingehaald in de hoop op een goede vangst. De vissersvrouwen zorgden voor aanvang van een vistocht voor het steken en aanrijgen van de pieren.

Houten dolemmer

Als ze het wad op gingen, hadden de vrouwen een houten dol- of aasemmertje bij zich dat uit duigen bestond. Soms namen ze ook een stuk zeildoek mee dat waarschijnlijk diende om het emmervolume te vergroten als de vangst groot was. De emmer hingen ze aan de greep met drie platte tanden die ze over hun schouder droegen. In een aashok, dat er uit zag als een mini-huisje, regen ze de pieren aan de haken. De haken waren eerst netjes in een zogeheten spleet, een houten plankje met een gleuf, vastgezet. Vervolgens konden de lijnen mee de zee op. Als beloning voor het werk kregen de vrouwen een gulden per dag en als de vangst goed was een maaltje verse vis. Eind negentiende eeuw stopte de beugvisserij en staken de vrouwen waarschijnlijk geen pieren meer.

Waar de naam donkeyman vandaan komt is niet bekend. Op vroegere Hollandse schepen werd het woord donkeyman eveneens gebruikt maar het waren zeemannen die een veelvoud van jobs uitvoerden. Het waren smeerders, stokers, motormannen sommigen hadden zelfs een opleiding van brandweerman gevolgd. Zelf kan ik me niet voorstellen dat een stoker op onze vroegere schepen de vertaling zouden moeten dragen van ezelsman, want daarvoor waren onze donkeymannen veel te slim.

Het waren echte zeemannen die weinig woorden gebruikten, maar hun job voor 100% onder de knie hadden en met een grote verantwoordelijkheid hun zee wachten uitvoerden. Als deze mensen aangeworven waren om te vertrekken op een of ander schip met een of soms met twee nieuwe elementen, was het geen toeval dat de twee of drie reeds vroeger op andere schepen ook samen hadden gevaren. Op het aanwervingsbureau keken ze dan ook uit om vroegere collega’s te ontmoeten, die ze soms terugzagen na jaren, want met een zo grote hoeveelheid stokers waren ze ook niet. Maar toch was het een zowat kleine donkeymans‐familie.

De eerste dagen van het vertrek was voor hen een drukke periode. De stand‐by periode, het vele wisselen van de ketelbranders, het op temperatuur houden van de brandstofolie en het extra reinigen van de vuurhaard branders. Door hun beide periscopen konden ze zien of de schoorsteen geen al te veel rook produceerde, want sommige kapiteins als ze op hun commandobrug waren hadden soms zwaar de pest in voor dit onheil. De chief engineer werd dan direct ingelicht waarop actie werd genomen om het rook schoorsteen probleem op te lossen.

Om de drie of vier dagen, zeker in de tropen, deden ze hun werkkleding in een emmer in de badkamer. Deden er een hoeveelheid vloeibare zeep in en kokend water namen een zware stok en roerden hun werkkleding over en weer: dat deden ze zo om het kwartier. Daarna spoelden ze hun kleding met koud water en hingen hun natte schone werkkleding terug over de reling op de top v/d machinekamer, want na een korte periode was hun kleding droog door de hoge tropische machinetemperaturen.

Een doorhaalster werkte in een openbare wasinrichting en haalde het (witte) wasgoed door blauwsel.

De dorpsomroeper ging met een soort klepper, later een bel, het dorp rond, oorspronkelijk lopend, later per fiets om belangrijke nieuwtjes of oproepen te verbreiden onder de dorpsgenoten. De omroepers stonden vaak in dienst van de middenstand of overheidsinstanties. Een omroeper werd aangesteld door de burgemeester van een dorp. Het was zijn werk om de inhoud van pamfletten en wetten kenbaar te maken door ze met luide stem voor te lezen en vervolgens op de deur van een dorpskroeg of een kerk te spijkeren of te plakken.

Om de aandacht op zich te vestigen luidden de omroepers met een grote bel. Ze werden betaald voor elke boodschap die ze overbrachten. Het was een bijbaan. Hoewel ze een vrij simpele baan hadden, waren het meestal mensen van goedgedrag die deze functie kregen toegewezen. Het moest immers iemand zijn die ook kon lezen en schrijven en niet makkelijk kon worden omgekocht.

Ondanks de komst van de boekdrukkunst, bleven stadsomroepers werk hebben. Veel mensen konden immers nog niet lezen en waren zodoende afhankelijk van de gesproken tekst van de stadsomroeper. Maar, met de komst van kranten kregen stadsomroepers steeds meer concurrentie. Toch duurde het nog tot de twintigste eeuw voordat de stadsomroeper het echt moeilijk kreeg. De komst van massamedia zorgden ervoor dat mensen het nieuws makkelijker konden meekrijgen via een krant of de radio, dan via een dorpsomroeper.

Een draadkabelmaker maakte draadkabels. Zacht ijzer werd tot draad getrokken met behulp van een draadtrekschijf. Aanvankelijk werd de katrol, uitgevonden in de Middeleeuwen, met de hand aangedreven en later met behulp van waterkracht. De draadmolens gaan terug tot de 14e eeuw. De draadtrekkerij maakte geen deel uit van een gilde.

Metaaldraad is sinds de middeleeuwen een van de belangrijkste commerciële halffabrikaten en vormde de productiebasis voor een aantal metaalbewerkingsbedrijven. IJzer, staal en messing draden waren het uitgangsmateriaal voor spijkers, naaien en spelden, kettingen, draadschermen, draadnetten, vliegendraad, wolschrapers, pantser, klinknagels, veren, haken, ogen en andere producten. De metaaldraad wordt getrokken. Hiervoor heb je een taps hol lichaam nodig waar meerdere keren achterelkaar ijzeren of koperen staven doorheen getrokken moeten worden. Je kunt dit met de hand of met een tang doen. De draadmaker zit op een schommel om meer kracht te genereren met zwaaiende bewegingen.

Moderne draadwalsen vervangen het werk van de draadsmid en de walsdraadtrekker. De fijne en middelgrote draden worden nog steeds getrokken, zij het al sinds het einde van de 14e eeuw, niet meer door spierkracht.

Een draaier maakte allerlei producten, waaronder machine- en gereedschapsonderdelen, op een kleine tot middelgrote draaibank.

Een draaier werkt aan de hand van een werktekening, schets of onderdeel. Er wordt gebruikgemaakt van diverse materialen zoals staal, gietijzer, koper, brons, messing en kunststoffen. Er worden kleine series van producten, onderdelen of prototypen vervaardigd. Het 'draaien' gebeurt op de draaibank. Hierbij roteert het werkstuk met grote snelheid rond terwijl het met een beitel wordt bewerkt.

De ruwe stoffen, waarin de draaier werkt, zijn: hout, been, ivoor, notenschalen, ijzer, koper, tin, lood enz. Hiervan vervaardigt hij: stoelen, knoppen, nappen, koppen, vaatjes, messenhechten, vorkenhechten, beitelhechten, hamerstelen, knopen, de inwendige delen van uurwerken, koffiepotten, ketels; zelfs de zware molenassen, de ankers der schippers en de nog zwaardere luidklokken worden gedraaid, Door middel van de draadstellen bewerkt men allerlei voorwerpen schoon, glad, effen en smaakvol, hetgeen door andere werktuigen niet mogelijk is.

Een draaier was ook iemand die rond aardewerk draait met behulp van een pottenbakkersschijf.

Een draaiorgelboekdrukker maakte de boeken die gebruikt worden in een draaiorgel. Een draaiorgel wordt aangestuurd door een klavier, dat bestaat uit een aantal op een rij staande pennen, waar het orgelboek langs gestuurd wordt. De pennen tasten het orgelboek af dat met een vaste snelheid door het orgel schuift. Komen ze een gat in het boek tegen, dan schiet een pen omhoog, waardoor een klep opent, zodat lucht vanuit de blaasbalg naar een bepaalde pijp stroomt. Deze, afhankelijk van de lengte van de boekopening geeft een korter of langer geluid.

Naast de orgelpijpen worden ook andere instrumenten als slagwerk aangeblazen. De orgelbouwers waren beducht voor concurrentie en bijna ieder orgel had zijn eigen formaat orgelboek zodat de orgeldraaiers hun boeken niet konden uitwisselen. Een nieuw arrangement moest eerst met de hand op een stuk papier worden getekend. Dat vel werd dan op een leeg orgelboek bevestigd, waarna met een ponsapparaat de gaten werden gemaakt.

Later gebeurde dit gaten maken met een mechanische ponsmachine. Deze wordt tegenwoordig door een computer aangestuurd.

Orgel-boekdrukkers in Nederland

Aan de voorkant zit een mond. Daarmee eet de machine een lange bruingele strook van karton. Ratelend als een uit de kluiten gewassen typemachine ponst de machine er gaten in. De restanten, kleine gele papiersnippers, rollen over een glijbaan automatisch de oudpapierbak in. En aan de achterkant poept de machine de strook weer uit, nu vol ronde en langwerpige gaten.

In Nederland zijn op dit moment nog maar twee personen die kunnen leven van het produceren van orgeldraaiboeken. Naar eigen zeggen hebben deze boekdrukkers zo'n tienduizend meter aan orgelboeken gemaakt. Ze leveren deze draaiboeken niet alleen aan orgelmannen die met hun draaiorgel in de Nederlandse straten staan. De grootste klanten zitten in het buitenland, variërend van België tot China. Het zijn vooral eigenaren van amusementsparken en verzamelaars.

Ook buiten Nederland komt dit beroep maar heel weinig voor.

Een draglinemachinist was een machinist op een dragline. Een dragline of sleepgraver is een graafmachine die gebruikt wordt voor het verzetten van grote hoeveelheden grond of ander los materiaal. Het principe van de kraan berust op een grote arm waaraan een stalen bak met tanden hangt met behulp van staalkabels. De bak hangt onder de punt van de arm en wordt neergelaten met de tanden schuin naar beneden. Met een kabel wordt de bak naar de machine toe getrokken, de bak vult zich tijdens die beweging met grond.

De bak wordt daarna opgehesen en de kraan kan dan om zijn as draaien om de grond in een vrachtwagen te storten. Hoewel de kraan zich kan voortbewegen op rupsbanden wordt dit alleen gebruikt voor het verplaatsen van de machine, de rupsaandrijving is te traag om behulpzaam te zijn bij het verplaatsen van grond. Het bereik en de capaciteit van de machine worden vooral beperkt door de afmetingen van de arm.

Werken met een dragline was een vak dat veel kennis vereiste. Zowel voor machinist als monteur, want het afstellen van koppelingen en remmen vereiste veel kennis. Werkend leren en zo ervaring opdoen, dat was noodzakelijk tot men de kneepjes van het vak niet alleen in de handen, maar ook in de voeten had.

Sinds de jaren ’70 is de dragline heel langzaam uit beeld verdwenen, en komen we hem alleen nog tegen in de overslag (met knijper) en in de grindwinning en baksteenindustrie (met sleepbak). Verder zijn ze vervangen door hydraulische machines, overslagkranen.

Een drapenier (drapier, lakenreder) werkte met stoffen. Het is niet onwaarschijnlijk dat daarbij in de vroege middeleeuwen de 'wullewerckers' zelf hun wol inkochten via het lokale aanbod. Geleidelijk aan nam de vraag toe en ook ging men hogere eisen aan de geweven stoffen stellen. Het inkopen werd daardoor tijdrovender en stelde hogere eisen aan de financiële middelen, vooral toen men onder meer Engelse wol ging gebruiken.

Daarbij kwam dat de wol alleen in bepaalde steden verhandeld mocht worden. In het laatst van de 13e eeuw was Dordrecht een stapelplaats voor Engelse wol, later Brugge en omstreeks 1350 werd dat Calais, dat in 1346 door de Engelsen op de Fransen was veroverd. Voor Engeland was dat een ideale situatie, omdat zo een scherpe controle op tollen en uitvoerrechten uitgeoefend kon worden, waardoor de inkomsten van de Engelse koning veilig gesteld waren.

Dit alles heeft bevorderd dat de beter gesitueerde wevers en ook kooplieden de wol inkochten. De deelbewerkingen als wassen, spinnen, weven en vollen werden door hen uitbesteed aan loonwerkers. Zo werden reeds in de 14e-15e eeuw de zelfstandig werkende ambachtslieden verdrongen door mensen, die zich in dienst van anderen, de drapeniers (later verkort tot drapiers) of lakenreders, stelden.

De lakenindustrie

In handvesten en placaatboeken uit uiteenlopende steden komen bepalingen voor, die van toepassing waren voor deze drapeniers. Als vestigingsplaatsen voor de wolnijverheid in de Noordelijke Nederlanden waren vooral bekend Tilburg, dat destijds geen stad was en zo buiten de gildebepalingen viel, waardoor aldaar concurrerende prijsvorming kon ontstaan en Leiden. Na de val van Antwerpen in 1585 gaf de stroom vluchtelingen, ervaren in de moderne technieken een nieuwe impuls aan de saaiweverij, de "nieuwe draperie" en in de 17e eeuw was Leiden zelfs de eerste textielstad van Europa.

Verschillende andere steden als Amsterdam, Delft en Utrecht hebben eveneens lakenindustrie gekend. In verschillende steden herinneren straatnamen nog aan dit oude ambacht. In Brabant (dat destijds als wingewest werd beschouwd) verplaatste dit 'wollewerck' zich tegen het einde van de 18e eeuw naar het platteland, waar de arbeidskosten belangrijk lager waren.

Een drijfriemenmaker maakte drijfriemen. Drijfriemen werden vroeger geheel met de hand vervaardigd. Dit gebeurde door de natuurlijk gelooide huid in banen te snijden en op elkaar te lijmen. Daardoor ontstaat uiteindelijk een riem van 10 mm dik. Door dit aan elkaar te stikken ontstond een riem die voldeed aan de toenmalige eisen. Een of meer riemschijven kunnen aangedreven worden door een of meer aandrijfschijven. Riemen produceren weinig trillingen en stoten, en aldus weinig lawaai. Ze zijn bruikbaar voor grote asafstanden en er is weinig smering nodig.

Vroeger werden leren riemen gebruikt, wegens hun hoge wrijvingscoëfficiënt. Een lange reep leer werd aan de einden voorzien van speciale krammen, in de bankschroef met een riemverbinder. Die krammen schoven in elkaar en daar werd een pees doorheen geschoven om er een rondgaande riem van te maken. Als de riem doorslipte werd met een blok speciale hars al draaiende de binnenkant de riem weer stroef gemaakt. Vooral in de tijd van de stoomaandrijving, waarbij een groot aantal machines gebruik maakte van één enkele krachtbron, werden de drijfriemen veelvuldig toegepast. Berucht waren de drijfriemen voor hun onveiligheid. Aanvankelijk werden ze niet afgeschermd, en ook konden ze breken, waarbij delen van de riem met kracht in de ruimte werden geslingerd.

Geleidelijk aan kregen de drijfriemen andere functies. Ze dienden veeleer voor de overdracht van decentraal opgestelde krachtbronnen als elektromotoren, en voor het overbrengen van bescheiden vermogens in machines en apparaten. In het laatste geval wordt soms wel van snaren gesproken.

Bij ons in de Hoeksche Waard werden vroeger ook dorstmachines gebruikt voor het dorsen van het koren.

Deze dorskasten werden aangedreven vanaf een stationair draaiende trekker, via een lange aandrijfriem.

Een droge wever werkte in de lakenindustrie. Bij het weven werd de wever meestal bijgestaan door een spoeler, die het garen op de weefspoelen bracht, maar hij was ook degene die de garen droogde.

Een droger werkte in verschillende industrieen, want een droogfase kwam in meerdere vormen voor. Zoals b.v. in de visindustrie, bij geneeskundige- en aromatische behandelingen van planten, bij het drogen van ossebloed en bij het drogen en conserveren in de meekrapteelt.

Wanneer de meekrap in de wind en de zon was gedroogd, werd ze naar de meestoof vervoerd. Elke boer had daar in de meeschuur of koude stoof een eigen ruimte, een door latwerk afgeschoten vak, waar zijn meekrap werd gedeponeerd tot ze aan de beurt was om te worden bewerkt. De meekrap werd gedroogd in de droogtoren van de stoof. Onderin de droogtoren brandde een vuur, verzorgd door de ‘droger’.

Drogen was (en is nog steeds) eeuwenlang de manier om etenswaren te bewaren.

Een droogmeester voerde het bewind over de visdrogerijen. Vis, zoals schol en scharren, moest gedroogd worden voordat het verkocht kon worden.

De droogscheerder maakte deel uit van de lakennijverheid. Hij 'schoor' of eigenlijk knipte het gedroogde laken glad door de uitstekende vezels te verwijderen met een grote schaar, die de hele breedte van de scheerdis bestreek. Het weefsel werd daartoe eerst geruwd met behulp van de stekels van de kaardebol, die men daartoe speciaal kweekte. De beste kwaliteit laken werd aan beide kanten bewerkt. Deze soort heette vroeger schaerlaken. De lakens uit Den Bosch ("Bussche" lakens) waren in de veertiende eeuw om hun kwaliteit reeds gezocht in verschillende Europese landen. Het gildewezen zorgde dan ook voor een intensieve kwaliteitsbewaking. De droogscheerder bijvoorbeeld, die doorwerkte bij lamp- of kaarsllicht kreeg een stevige boete als men hem betrapte.

Droogscheerders waren zelfstandige meesters, die werken voor kleermakers en particulieren, maar vanaf de 16e eeuw voornamelijk voor drapiers. Sommigen kopen ook ruwe lakens, om die na bewerking weer van de hand te doen.

Een dubbelaar (of dubbelaarster) was iemand die werkte in de textielindustrie. Met behulp van een twijnmolen draaide zij twee (dubbel) of meerdere kettingdraden in elkaar om die sterker en dikker te maken.

Een duffelmaker maakte duffel, een zwaar wollen, meestal zwart of donkergrijs weefsel, oorspronkelijk gemaakt in de plaats Duffel, boven Mechelen. Vóór de 16e eeuw werden dergelijke stoffen in Duffel vooral vervaardigd voor paardendekens.

De stof werd uitgevonden in het Belgische plaatsje Duffel en trok met zijn uitstekende kwaliteit meteen de aandacht van kleermakers. Een jas van deze stof was erg log en hing met zijn volle gewicht om de schouders van zijn drager. Dappere krijgers die duffelcoats droegen dachten nauwelijks aan dit gewicht — het allerbelangrijkste was dat je in deze jas niet kon bevriezen. Al het andere deed er niet toe.

In de tweede helft van de 16e eeuw is de duffelindustrie in Nederland door Leiden overgenomen.

De wol voor duffel wordt zorgvuldig geselecteerd en ondergaat een speciale behandeling. Een duffel bestaat uit twee lagen wollen stof die op een speciale manier aan elkaar genaaid zijn: de bovenlaag is dus even warm als de voering.

De klassieke duffelcoats werden gemaakt van een speciale wollen stof genaamd duffel.

Ondanks de naam is het geen Duffels, maar een Engels product. Toch is er een duidelijk verband tussen dit type jas en de gemeente: duffel is namelijk "een zware, ruwe stof". En deze lakensoort is op zijn beurt nauw verbonden met de plaats Duffel. In deze gemeente werd eeuwenlang een soortgelijke lakenstof geweven, die over heel Europa werd geëxporteerd. De kwaliteit was eeuwen later nog zo bekend dat de bekende winterjas met "houtje-touwtjesluiting" duffelcoat werd genoemd.

Een duffelse jas was een houtje-touwtjejas of montycoat (vernoemd naar de Britse veldmaarschalk Montgomery) het is een jas van duffel die oorspronkelijk ontworpen was voor Engelse soldaten tijdens de Eerste Wereldoorlog.

Een duigenkliever was werkzaam in een kuiperij bij het buigen van duigen (latten) om deze geschikt te maken voor tonnen en vaten.

Kuipen zijn gemaakt van rechte latten, tonnen van gebogen duigen. Tonnen hebben een bolronde vorm om ze makkelijk en met zo weinig mogelijk wrijving te rollen. De bolling zorgt ook voor vormspanning en stevigheid. Tonnen krijgen 6-8 hoepels. Om die bolling te maken worden de duigen naar het uiteinde toe wat smaller gemaakt. Waar bodem en deksel moeten komen wordt aan de binnenkant van de duigen een gleuf uitgezaagd en gehakt. In de buiging worden de duigen met een haalmes een kwart dunner geschaafd.

De uitdrukking "het plan is in duigen gevallen" komt van duigen en slaat terug op het uit elkaar vallen van een houten vat.

Een duinmeijer (ook duinwaarder, duinbewaker, duinpachter) was iemand die toezicht hield op een duingebied en de jacht op wild, met name op konijnen. Het beroep duinmeijer ging vaak over van vader op zoon.

Later ging met dit beroep 'jachtopziener' noemen. Duinmeijer is ook een veelvoorkomende achternaam.

Een dunnebierman produceerde bier. Het bier in de Middeleeuwen was wezenlijk anders dan tegenwoordig. Men kende meerdere biersoorten. Eén daarvan was het zogenaamde dunbier dat een laag percentage alcohol bevatte. Het was bier met water aangelengd, met slechts 2% alcohol. Het dunbier werd geproduceerd door de dunnebierman.

Doordat de vergisting nooit volledig was bevatte het bier weinig alcohol en veel restsuikers, waardoor het erg voedzaam was. Er werd erg veel bier gedronken, ook omdat het minder ziektekiemen bevatte dan water, doordat het gekookt was.

De zestiende en een deel van de zeventiende eeuw gelden als het gouden tijdvak voor de brouwers. Bier was de volksdrank bij uitstek, die in verschillende variëteiten de hele dag door werd geconsumeerd. Het lichte of dunnebier met een alcoholpercentage van enkele procenten was de drank voor de gewone man. Dit dunne bier werd ook door oudere kinderen gedronken - de jongsten kregen meestal melk of karnemelk - en stond op het menu in wees- en ziekenhuizen. Ook arbeiders op hun werk en zeelieden op de vloot kregen het voorgezet. De schattingen over de consumptie per hoofd van de bevolking lopen uiteen van 250 tot 400 liter per jaar.

No Content
afbeeling op yory

Mis je een beroep in de lijst?

Laat me dit dan weten, bij voorkeur met de beschrijving van het beroep.

Contact
Schrijf mij in voor de nieuwsbrief (iedere 2 maanden)
Bezig met versturen

Vergeten beroepen met de letter D

Je zult vast in je stamboom algemene beroepen zijn tegenkomen, denk aan bakker, timmerman, stratenmaker, sjouwer, dienstbode of kleermaker.

Maar heb je wel eens van een dakdekker gehoord, of wat dacht je van een daggelder? Sommige beroepen lijken logisch, maar daar kan je je flink in vergissen. Veel beroepen omvatte meer taken en verantwoordelijkheden dan je zou denken, maar het tegenovergestelde kwam ook vaak voor.

Veel van dit soort oude beroepen komen gelukkig tegenwoordig niet meer voor. Niet alleen omdat ze zijn opgeheven, maar ook omdat de zware omstandigheden voor arbeiders te belastend waren.

Mannen en vrouwen

Op Yory wordt geen onderscheid gemaakt tussen mannen- of vrouwenberoepen., alhoewel het opvalt dat de meeste beroepen door mannen werden uitgevoerd. Als vrouwen hetzelfde werk uitoefende dan een man, kregen zij veel minder betaald (wat overigens tot de dag van vandaag een strijd is). Daarbij mochten vrouwen uit de ‘hogere stand’ niet werken, zij kwamen de dag door met b.v. schrijven, schilderen of handwerken. 

Lees ook

Download hier gratis de Family Tree Builder
De njai – Het concubinaat in Nederlands-Indië
Cursus over vrijmetselaars en hun archieven
Stichting Levensportret maakt een waardevolle herinnering
GenSoftReviews, alle genealogie software beoordeeld
Wat is eigenlijk de missie van Yory?

Oude en vergeten beroepen van vroeger (D)

Reageer op dit artikel
Opmerkingen over artikel
Schrijf mij in voor de nieuwsbrief (iedere 2 maanden)
Bezig met versturen

Wil je een donatie doen?

Yory is non-profit, maar de kosten zijn zeker € 750 per jaar. Met donaties kan dit platform blijven bestaan.

Yory donatie banner
Yory donatie banner vierkant
ZOEK