Oude en vergeten beroepen van vroeger (S)

Henk van Hal

Expert in oude beroepen

Yory donatie banner vierkant

Oude en vergeten beroepen van vroeger (S)

Een overzicht van alle oude vergeten beroepen van vroeger, op alfabet met de letter S.

Een saaidrapier (saaireder) was inkoper van grove wol om deze door thuiswerkers (saaiwerkers) te laten wassen, spinnen, kammen en weven, waarna hij het eindproduct weer verkocht.

Een saffraanman is iemand die saffraan koopt, bereidt en verkoopt. Saffraan is een specerij en gele verfstof, bereid van de stamper van het crocusgeslacht.
Saffraan is een specerij uit Iran. Voor de kostbare saffraan worden delen van de stampers handmatig geoogst: de stijlen en de stempels, die zowel smaak- als kleurstof zijn. Na het oogsten worden de stijlen en stempels gedroogd. Dit drogen gebeurt in droogkasten met een warme luchtstroom of in de zon. De hoogste kwaliteit saffraan komt van de bloedrode stempels, het bovenste deel van de gedroogde stijlen. Voor een kilo gedroogde saffraan zijn circa 150.000 bloemen nodig. De arbeidsintensieve teelt maakt saffraan tot een kostbare specerij, het wordt daarom ook wel het rode goud genoemd.

Het bijzondere kruid wordt gebruikt om smaak, kleur en aroma toe te voegen aan zowel zoete als hartige maaltijden. De smaak van saffraan lijkt een beetje op die van honing, maar is net wat bitterder. Door saffraan aan je gerecht toe te voegen krijgt het gerecht, een warm aroma. Plet en week de draden. Door pletten en weken van saffraan komt de maximale hoeveelheid smaak uit de draden vrij.

Hij die uit aardappelmeel een op sago gelijkend product bereidt. Echte sago wordt verkregen uit het merg van de sagopalm. Het vormt het hoofdbestanddeel op het menu in grote delen op de Molukken en in Nieuw-Guinea.

Fabrieksaardappel is de benaming gegeven wordt aan de aardappels die geteeld worden om verwerkt te worden tot aardappelmeel. De teelt van fabrieksaardappelen vindt voornamelijk plaats in de Veenkoloniën. De AVEBE is een belangrijke speler met +/- 2.200 aangesloten boeren.

In de cellen van aardappels komen zetmeelkorrels voor. Om het zetmeel te winnen worden de aardappelen vermalen, geraspt, waarbij de zetmeelkorrels uit de kapotgemaakte cellen vrijkomen. Het zetmeel wordt vervolgens gescheiden en gedroogd tot poeder. Aardappelzetmeel bestaat voornamelijk uit zetmeel en bevat in vergelijking met maiszetmeel en tarwezetmeel amper proteïne of vet.
Aardappelmeel voor huishoudelijk gebruik werd vroeger door de firma Scholten onder de naam aardappelsago in korrelvorm verkocht in blauwe blikjes van 200 gram. De gebruiksaanwijzing op de blauwe blikjes (jaren 60-70) luidde:

Deze aardappelsago welke uitmunt door voedende en verteerbare kracht, is speciaal bereid voor huishoudelijk gebruik, o.a. voor het binden van groenten, sauzen, pudding, bouillon en vruchtensoepen voor kinderen levert zij in melk gekookt een gezond en bijzonder smakelijk voedsel op. Men roert de aardappelsago koud aan in water, melk of vleesnat, of schudt ze onder voortdurend roeren in de kokende vloeistof, zorgende dat men de korrels niet stuk wrijft. Voor soep neme men een lepel vol per persoon.
Bron: N.V. W.A. Scholten-Groningen

Een sajetbaas (sajetkammer) was iemand die werkte en handel dreef in wolverwerking. De productie is ontstaan als kleinschalige huisarbeid.

In Veenendaal was de wolverwerking in handen van sajetbazen. In feite kleine zelfstandige ondernemers, die wolverwerkingsbedrijfjes exploiteerden. Zij kochten de wol op bij de boeren, waarna in hun bedrijfjes de wol werd gekamd. Na het kammen ging de wol naar de spinners, die thuis op een spinnewiel de draad sponnen. Ten dele was het in Veenendaal seizoenarbeid.

Naast de man hielpen meestal ook vrouw en kinderen zich met het spinnen bezig. Daarna ging de gesponnen draad terug naar de wolkammerswerkplaats, waar er sajet van getwijnd werd, d.w.z. dat twee of meer draden ineengedraaid werden. Als laatste behandeling werd het sajet geverfd, toen dikwijls in de kleuren zwart of donkerblauw.

Deze sajet werd onder meer gebruikt om er stof van te weven. In Veenendaal gebeurde dat alleen op zeer kleine schaal. De sajet werd vooral verkocht aan wevers elders, vooral in het westen van ons land (Leiden). Daar werd de sajet verwerkt tot lakens, kousen, vloerkleden en kleding.

De sajetkammer

De sajetkammer zorgde ervoor dat na het scheren gesorteerde en gereinigde wol eerst werd gekamd. Oorspronkelijk gebeurde dit met de hand. Men deed dit op twee manieren, de Duitse en de Engelse. De kammen bestonden uit een houten onderlade en een kam van hout met daarin ijzeren tanden. Deze tanden werden in een kampot, een soort kachel, waarom een zestal kammers zaten, sterk verwarmd.

De kammer nam dan een pluk met olie besprenkelde wol (om de wol soepeler te maken.) en kamde de haren in een richting. Als de pluk wol gekamd is, maakt hij daarvan een trek, krul of vlij, 1 ½ tot 1 ¾ el lang en 15 dm. breed. Voor sajet werden, anders dan voor kamgarens, korte wolvezels niet verwijderd.

Later gebeurde dit kammen op kaard- of krasmachines. Men kende enkele, dubbele en driedubbele kaardmachines. Hier ging men uit van gewassen wol. De trek of vlij die machinaal tot stand kwam was uiteraard veel langer dan de met de hand vervaardigde. Deze trek of vlij moest eerst nog verder uitgerekt, en onderling evenwijdig gelegd worden. Er moesten uit die trekken zeer lange gelijkvormige banden worden gevormd en door trapsgewijze uitrekking verfijnd en tenslotte ook flauw ineengedraaid. Zodoende werd de wol in voorspinsel veranderd.

Een salpeterbereider bereidde salpeter of zoutsteen welke een delfstof is die voor bemestingsdoeleinden werd gebruikt en die, na raffinage, het voornaamste bestanddeel van buskruit uitmaakte. Kool, zwavel en salpeter zijn de oorspronkelijke bestanddelen van buskruit.

Letterlijk betekent salpeter ‘zout van de rots’. Het komt namelijk voor in de natuur als gekristalliseerd zout op gesteenten en rotsen. Salpeter of kortweg nitraat is een al eeuwenlang bekend conserveermiddel, standaard werd het toegepast bij het zouten en roken van vlees en vis. Het wordt (soms) ook toegevoegd tijdens de wrongelbereiding bij het kaas maken om het ontkiemen van boterzuurbacteriesporen te voorkomen. Daardoor zou anders "laatlos" kunnen ontstaan in de kaas tijdens de rijping.

Van salpeter zijn twee vormen, namelijk kaliumnitraat of zwavelzure potas en natriumnitraat ofwel chilisalpeter. De laatste is vooral bekend als kunstmest.

Men ontdekte in de Atacamawoestijn in Chili een zoutachtige stof: chilisalpeter. Het zou een revolutie teweeg brengen in de landbouw en de voorloper worden van de hedendaagse kunstmest. De ontginning van het chilisalpeter begon omstreeks 1830. In de praktijk van de landbouw was al wel naar mogelijkheden gezocht om de bodemvruchtbaarheid verder te verbeteren en er werd reeds met bepaalde voedingszouten geëxperimenteerd. Daarnaast kwam, vanaf omstreeks 1500, de bekendheid met guano uit Zuid-Amerika. Pas omstreeks 1800 bepleitte Alexander von Humboldt de grootschalige toepassing daarvan in de landbouw.

Een sandwichman was iemand die met een advertentiebord over rug en borst loopt op plaatsen waar veel publiek komt. Deze persoon komt nog veel voor in de VS langs drukke wegen en kruispunten.

Een sappeur was een militair die ondergrondse gangen of loopgraven groef. Hij was samen met de kurassier werkzaam in de aanvalslinie. De taak is nu op de genie overgegaan.

Een sappe of approche is een aanvals- of naderingsloopgraaf die bij de belegering van een vesting werd gegraven en die bescherming moest bieden tegen vijandelijk vuur. Een sappeur was dus een soort van pionier of geniesoldaat.

De taak van een sappeur beperkte zich echter niet tot het aanleggen van sappen. Terwijl bovengronds de artillerie op de vesting inbeukte, gingen de sappeurs ondergronds ten aanval. Eerst groeven ze een ‘sappe’ (een overdekte loopgraaf) naar de vestingwal. Vervolgens probeerden ze een diepere mijngang tot onder de wal te graven. Waren ze eenmaal zo ver, dan kwamen de mineurs naar voren. Zij legden een zware mijn onder de wal. De ontploffing moest een gat in de wal slaan. Voor de infanterie was dat het sein om de aanval in te zetten op de bres.

De verdediger liet dat niet zomaar gebeuren. Een bres in de wal betekende vaak het begin van het einde. Dus zij groeven op hun beurt ‘tegenmijnen’ om de aanvallende sappeurs te onderscheppen. Als de tunnels elkaar kruisten, was het man-tegen-man. Dan gingen de sappeurs van beide partijen elkaar bij kaarslicht te lijf met pikhouwelen en schoppen. Deze manier van vechten beleefde een opleving in de Eerste Wereldoorlog (1914-1918).

Op sommige plaatsen aan het front vond diep onder de loopgraven een geheime ‘mijnenoorlog’ plaats. De bedoeling was om onder de vijandelijke stellingen een enorme mijn tot ontploffing te brengen. Op de voormalige slagvelden in België en Frankrijk zijn nu nog enorme kraters te vinden. Vooral de Britse sappers waren zeer bedreven in deze ondergrondse oorlogvoering.

Sappeurs ruimden hindernissen op, velden bomen, installeerden bivaks, bouwden kantonnementen, ondersteunden pontonniers bij het bouwen van bruggen e.d. Het voornaamste en tegelijkertijd meest kenmerkende werktuig van een sappeur was de langstelige houthakkersbijl waarmee ze steevast voorop marcheerden.

Sappeurs waren in de 18e en 19e eeuw indrukwekkende figuren. De sappeur droeg traditioneel een baard en snor en men zocht mannen uit die groot van stuk waren.

Een schabul was een werkkracht op een steenbakkerij, die zorgde voor het schoonhouden van de banen op het draagveld en hielp bij het kruien van de stenen, het in-uitruimen van de ovens en het laden van de schepen.

Uit de Kikkerdorpsche steenfabrieken:

Voor veel werk moesten geoefende lieden van elders komen. Maar losse kruiers, helpers bij de aardmakerij, aardschieters, voerlui aan ’t spoor en anderen konden direct uit de Kikkerdorpers aan de slag en het was te voorzien, dat deze later zich ook met de moeilijker werkzaamheden zouden vertrouwd maken.

Men wist geen woorden te vinden, in staat om de vreugde zelfs maar bij benadering uit te drukken: ’t Was ’n zege, die den Heere zond aan ‘t arme Kikkerdorp, ’t Was ’n goudmijn, Ja juist, dat is ’t ware woord: ’t was ’n goudmijn!

Een schachtenmaker maakte het bovenwerk van laarzen en maatschoenen. Hij maakte eerst een patroon van stevig papier, waarna hij het leer uitsneed in die vorm.

Een schanskorvenmaker maakte schanskorven, een korf, cilinder of andere omhulling die met grond, zand of steenachtige materialen gevuld wordt.

De schanskorf vindt zijn oorsprong in de middeleeuwen, toen schanskorven als een onderdeel van militaire fortificaties gebruikt werden. Het waren uit riet, katoen of ander materiaal geweven verstevigde cilindervormige manden met een open boven- en onderkant, die met aarde gevuld werden om zo een primitieve fortificatie te bouwen. De katoenen cilinders waren licht en konden relatief gemakkelijk vervoerd worden naar het slagveld. Om het transport nog te vergemakkelijken, maakte men schanskorven van verschillende diameters die in elkaar pasten.

Op het slagveld werden ze vooral gebruikt als bescherming voor het artilleriegeschut. Rond het kanon bouwde men een muur van met grond gevulde schanskorven als bescherming voor de kanonnen en de artilleristen. Schanskorven worden nog steeds gebruikt voor militaire doeleinden, als een eerste fortificatie rond vooruitgeschoven basissen. Een muur van schanskorven kan relatief snel en goedkoop opgetrokken worden als bescherming tegen explosieven of mortier- en artilleriegeschut.

Een scharensliep is iemand die langs de deuren gaat om scharen en messen te slijpen. Ook het slijpen van schaatsen behoort tot zijn werkzaamheden.

De persoon had een grote duwkar, soms een bakfiets, waarop hij alle benodigde gereedschappen voorhanden had. De slijpstenen en -banden werden aangedreven met een pedaal, later ook wel met een diesel- of benzinemotortje.

Bijna iedere oudere zal nog wel weten hoe de latere scharensliep er uitziet. Het eerste dat opviel was het grote wiel, een soort vliegwiel dat door middel van de trapper in beweging werd gebracht en op zijn beurt de slijpsteen, die zich aan de rechterkant van de wagen bevond, deed draaien. Ook werd er een houten schijf mee in beweging gebracht, waaromheen een leren riem is bevestigd.

Eenmaal per week werd met een kwastje een mengsel van gekookte lijm en amaril op deze riemgesmeerd, die op deze wijze geschikt werd gemaakt om de geslepen voorwerpen zo nodig te polijsten. De eigenlijke slijpsteen heeft in de loop der jaren een verandering ondergaan al is zijn uiterlijk oppervlakkig gezien hetzelfde gebleven. Vroeger werd hij van zandsteen vervaardigd, tegenwoordig van amarilsteen, dat weliswaar grover van korrel is. Deze verandering van materiaal heeft ook een wijziging in de manier van werken ten gevolge gehad.

Watertankje

Aan de rechterkant van de wagen is een kleine watertank, die via een buisje water brengt tot boven de slijpsteen. Hier kon men door een kraantje de watertoevoer voor de slijpsteen regelen. Het was namelijk noodzakelijk dat de steen natgehouden werd. De invoering van de amarilsteen die niet nat gemaakt behoefde te worden heeft het watertankje overbodig gemaakt. Ik vraag me af of dit slijp technische een verbetering is geweest omdat de korrelstructuur veel grover is dan die van een zandsteen. Behalve het jaagwiel, de slijpstenen en het watertankje bevinden zich aan een scharensliep nog verschillende andere voorwerpen.

We zien b.v. een klein aambeeld, dat dient om scharen e.d. uit elkaar te halen, verder een bankschroef om bijv. tuinscharen die tijdens het werk in de tuin verbogen zijn vast te zetten om ze recht te slaan, een gereedschapsla met pennetjes en schroefjes om beschadigde voorwerpen te repareren, een driekantig vijltje om bijv. haakjes aan messen bij te vijlen en een nijptang om moertjes los te draaien.

Het duurde enkele jaren voor men het vak behoorlijk meester was.

Een scharlakendrapier was een lakenfabrikant in scharlaken, een fijngeschoren wollen stof, scharlakenrood van kleur. Scharlaken is een heldere rode kleur met een zweem oranje. Het is een kleurstof die gewonnen wordt uit de cochinilleluis. De cochenilleluis is afkomstig uit Zuid-Amerika en Mexico en wordt gekweekt om zijn karmijnrode kleurstof.

Om deze kleurstof te winnen worden de luizen met de hand (met handschoenen tegen de fijne stekels!) van de cactus afgeschept, waarna ze geplet worden en het bloed eruit gefilterd. Omdat het verkregen pigment niet kleurvast is, moet aluin of tin worden toegevoegd. De verkregen kleurstof wordt karmijn genoemd

Droogscheren is een proces dat plaatsvindt bij de lakenbereiding. Hierbij worden, na het vollen, de uitstekende pluisjes met een grote schaar afgeknipt, waardoor het weefsel een glad oppervlak verkreeg. Eerst werd daartoe het weefsel gekaard, ofwel opgeruwd met de stekels van een kaardebol. De persoon die deze werkzaamheden verrichtte, werd een droogscheerder genoemd.

De beste kwaliteit laken was aan beide zijden aldus bewerkt. Dit werd scharlaken genoemd. Zeker als dit scharlaken dan nog de kleur scharlaken meekreeg. Het scharlakenrood was in de middeleeuwen binnen de kerk bijvoorbeeld voorbehouden aan kardinalen.

Een scharretjesvrouw (scharretjesverkoopster) verkocht vis. Schar of scharde is een kleine platvis, die in de Nederlanden gewoonlijk gedroogd door de lagere volksklasse gegeten wordt.

Langs de Nederlandse kust is het een eeuwenoude traditie om gezouten schar aan de waslijn te drogen te hangen, al vond men dit vaak ‘armeluiskost’ en werd schar soms nogal oneerbiedig “het onkruid van de zee” genoemd. Door de schar te drogen kon men ze langer bewaren. Ook aan boord van de vissersschepen wordt schar nog wel eens gedroogd

Op de Waddeneilanden, maar ook in vele vissersplaatsen was het leven vroeger nogal schraal. Een extra voorraad voedsel kon dan ook geen kwaad. De gedroogde scharren werden zo gegeten, of geweekt en in stoofgerechten verwerkt.

Je kan de schar ook wel roken. Dit gebruik is echter nagenoeg verdwenen. De vissen werden dan, door de kieuwen aan stokjes geregen, in speciale, grote rookschouwen opgehangen in de rook van berkenhout.

Een schatter was een beëdigd persoon die door het stadsbestuur de opdracht kreeg op bepaalde goederen van waarde te schatten. Of bij verlies moest hij een schatting maken van de verloren goederen.

Er waren variaties als rijksschatter, bijschatter (assistent) of tegenschatter, die bij belastingen bedragen moest herzien.

 

Een scheepsbaander werkte in de touwslagerij. De tot dikkere lijnen te spinnen touwen maakte hij vast aan een wiel, terwijl de lijndraaier achteruit lopend zorgde dat de touwen egaal in elkaar werden gedraaid.

Om verschillende touwdiktes te produceren werd het aantal garens per haak vermeerderd. Met enkele van zulke wantslag-touwen kon het proces worden herhaald, zodat er dikke flexibele scheepstrossen gemaakt konden worden, ofwel het kabelslag touwwerk.

Een scheepsbeschuitbakker bakte scheepsbeschuit, een hard beschuit van tarwe- en roggebloem zonder gist, die lang bewaard kan blijven en als proviand voor zeereizen en op vissersschepen wordt gebruikt.

Broodbakken was op de vroegere eenvoudig ingerichte schepen geen gewoonte, zodat men was aangewezen op een houdbare vorm van brood. Veel medische problemen werden geassocieerd met een gebrekkige spijsvertering, en het eten van graanproducten werd gezien als mogelijke remedie. Hollandse zeelui van na de middeleeuwen hadden ook behoefte aan brood aan boord.

Scheepsbeschuiten werden meerdere keren gebakken, om ze hard en droog te maken. Hoe harder en droger, des te langer bleven ze goed. Voor langere reizen werden de beschuiten wel vier keer gebakken. Het was gebruikelijk om de beschuiten in stukken te breken en ze in koffie of thee te weken om ze enigszins eetbaar te maken. Dat had nog als bijkomend voordeel dat de insecten die zich in het de lang opgeslagen scheepsbeschuit hadden genesteld, boven kwamen bovendrijven in de hete drank, zodat die er eerst konden worden uitgehaald.

Het gebruik van zeebeschuit was zeer algemeen, het werd meegenomen op alle langere reizen. De Duitser Ambrosius Richshoffer die in 1629 als soldaat in dienst van de WIC deel uitmaakte van een militaire expeditie naar de Braziliaanse provincie Pernambuco schrijft in zijn reisverslag: Ons beschuit had vanwege blootstelling aan de lucht kleine wormpjes en rode kevertjes gekregen, terwijl het eerder zo hard als een glas was en beter dan koekjes smaakte.

Een scheepsboorder werkte op de scheepshelling en was gespecialiseerd in het boren van gaten voor bouten op houten schepen.

Een scheepsjager (schuitenjager) was iemand die schepen met behulp van paarden vanaf de zijlijn trok. Schepen werden ten dele voortgetrokken met behulp van mankracht, waarbij die mankracht o.a. geleverd werd door vrouwen en kinderen. Het z.g. jagen van schepen gebeurde met behulp van paarden, vooral bereden door jongens, oorspronkelijk vanaf acht jaar.

Ten opzichte van volwassen mannen hadden deze jongens twee voordelen: zij waren lichter van gewicht, waardoor de paarden minder werden belast en ze waren goedkoper. De schuit werd met een zekere snelheid getrokken, waarbij de paarden veelal in een sukkeldrafje liepen. Als regel zaten de jagertjes op het paard, zodanig dat ze de schuit en de weg in de gaten konden houden.

Stapvoets naast het paard

Bij geladen vrachtschuiten werd door het paard meestal stapvoets gelopen en liep de jager naast het paard mee. De jaaglijn was ongeveer 70 meter lang en acht millimeter dik. De lijn was kort geslagen, zodat er veel rek in zat. Dit was van belang bij het op gang brengen van de schuit en voor het opvangen van eventuele schokken.

De grote lengte diende ervoor om de schuit zo recht mogelijk achter het paard te houden. Er waren strikte regels opgesteld om het passeren van twee trekschuiten zo soepel mogelijk te laten verlopen en om te voorkomen dat de lijnen van de uit tegengestelde richting komende schuiten in de war zouden raken.

Waar een paard kleine bruggetjes moest passeren was de aan de waterkant grenzende leuning dusdanig geconstrueerd, dat de zijkanten schuin afliepen, zodat de lijn niet zou blijven haken. Bij scherpe bochten waren rolpalen geplaatst, oorspronkelijk van hout, later van metaal, waaraan verticaal een rol was bevestigd. Door de lijn buiten deze palen om te leiden, werd de trekkracht zo veel mogelijk in de lengterichting van de schuit gehouden.

Een scheepsklinker was iemand die scheepsplaten vastklonk met robuuste klinknagels. Op de werf werden schepen gebouwd met stalen scheepsplaten die de huid van het schip moesten gaan vormen.

Het was precisiewerk. De overlap van de met elkaar te verbinden platen moest worden voorzien van exact gelijke nagelgaten die werden geboord of geponst want er mocht natuurlijk geen druppel water tussen komen. De stalen klinknagel bestond uit een halfronde kop, een ronde massieve steel en weer een halfronde sluitkop aan de binnenkant van de huid.

Het was arbeidsintensief werk dat in teamverband werd uitgevoerd samen met een douwer, een aanhouder en een klinker. De douwer haalde de hete nagels uit het kolenvuur en duwde die vervolgens aan de buitenkant in het gat. De aanhouder duwde met een zware voorhamer of dolly tegen de kop van de nagel om de slagen op te vangen van de klinker, die aan de binnenkant van de huid de sluitkop aan de nagel klonk.

Door het afkoelen kromp de klinknagel waardoor de platen stijf tegen elkaar werden aangetrokken en er geen speld meer tussen te krijgen was. Omdat een schip in het water voortdurend in beweging is werden als extra maatregel de platen 'gekookt' om lekkage en roest te voorkomen. Met een kookbeitel sloeg men de rand van de ene plaat tegen de andere aan.

Een scheepschrijver was iemand die de administratie en de boekhouding aan boord verzorgde. Een Nederlands oorlogsschip was in de zeventiende en achttiende eeuw meer dan een geducht wapen of machtsmiddel in handen van de overheid. Het was ook een mobiel bedrijf met specifieke arbeidsregels en procedures. De commandant van een oorlogsschip was namelijk niet uitsluitend een door de admiraliteit op pad gestuurde militair die een bepaalde taak moest uitvoeren, maar ook een varende ondernemer met eigen particuliere belangen.

De schrijver aan boord van een oorlogsschip was oorspronkelijk, tot aan het begin van de zeventiende eeuw, een vertrouweling van de kapitein. Het kon zijn zoon zijn of een ander familielid, maar ook een van zijn knechten of bemanningsleden met wie hij jarenlang ervaring had. Diens invloed op de bedrijfsvoering was in beginsel gering.

Hij noteerde in de monsterrol en in andere onderdelen van de scheepsadministratie slechts wat hem werd opgedragen door zijn baas, de kapitein. Deze was tot omstreeks 1650 vaak (mede)eigenaar van het oorlogsschip. De aanmonstering, de uitbetaling en de afmonstering van de bemanning liepen via de kapitein.

Ambtseed

De verplichte aanstelling bij akte en het moeten afleggen van een ambtseed wijzen erop dat de schrijver een belangrijke, verantwoordelijke baan had. Toch bestonden er geen speciale studieboeken of strenge toelatingseisen voor deze functie. Een schrijver mocht bijvoorbeeld niet te jong zijn: minimaal 21 jaar oud. Maar zelfs van die basale eis werd zo nu en dan nog afgeweken, want een goed aangeschreven 18- of 19-jarige kandidaat die door een lid van de admiraliteitsraad werd voorgedragen, ontving geen afwijzing.

Met zijn aanstellingsakte op zak kon de schrijver in de rang van onderofficier meteen aan de slag bij de kapitein aan wie hij door de admiraliteitsraad was toegewezen. In de praktijk bleek de schrijver veel meer te doen dan zijn instructie aangaf. Zijn eerste werkzaamheden bestonden in de regel uit het werven en aanmonsteren van het benodigde scheepsvolk. Door zijn betrokkenheid bij de werving was de schrijver al vanaf het begin van de zeventiende eeuw een bekende verschijning in de havenbuurten.

Contactpersoon

Hij ontpopte zich daar tot de belangrijkste contactpersoon tussen de werkgever (de marine of admiraliteit), de werknemers (de aangemonsterde zeelieden), en de leveranciers van werkzoekenden (ronselaars en volkhouders) en van onderdelen voor de scheepsuitrustingen (kleermakers, tabakshandelaren, schoenmakers, drankhandelaren etc.).

De door de schrijver ingevulde monsterrol was een belangrijk controlemiddel voor de walorganisatie. Zijn scheepsadministratie bevatte daarnaast nog twee belangrijke documenten: het scheepsjournaal en de schuldrol. Wat hij daarin optekende moest in de loop der tijd steeds uitgebreider, nauwkeuriger en met meer specificaties.

Binnen de groeiende bureaucratie aan boord was sprake van een accentverschuiving. De nadruk kwam steeds meer te liggen op het (beter) controleren van de kapitein en van andere kaderleden wat betreft de wijze waarop zij omsprongen met de door de admiraliteit ter beschikking gestelde scheepsgoederen.

Een schelpenvisser is een visser die voor kalkwinning schelpen opvist of langs de vloedlijn schelpen ophaalt. Veel kustbewoners hebben vooral in de voorgaande eeuwen het beroep uitgeoefend van schelpenvisser.

De schelpenvissers schepten bij een dalend getijde de schelpen langs de waterlijn of visten ze uit de branding met een beugelnet. De visser sleepte het beugelnet door de branding, totdat het net voldoende gevuld was. Vervolgens werd de beugel in het water op en neer bewogen om het aanwezige zand weg te spoelen en werd de beugel in de kar geleegd. Ook werden de schelpen wel in hopen op het strand gelegd. Als er voldoende schelpen waren, werden ze in de schelpenkar geschept.

Deze kar werd door een paard voortgetrokken en als de kar eenmaal vol was werden de schelpen elders op hopen gestort.  Van hier werden de schelpen in schuiten geladen, die de schelpen naar de kalkovens vervoerden.

Een schelpkalkbrander brandde met behulp van kalkovens schelpen tot ongebluste kalk. Kalk werd, vermengd met zand en baksteengruis als metselspecie en voor pleisterwerk. In Europa werd meestal als grondstof kalksteen gebruikt, maar hier  maakte men gebruik van schelpen, die in grote hoeveelheden langs de kusten en het waddengebied werden aangetroffen.

Voor het branden werd turf (later ook kolengruis) gebruikt. In de oven ging een laag turf, daarop een laag schelpen enz. tot de oven gevuld was. De turf werd aangestoken waardoor de schelpen tot 900 – 1200 graden werden verhit. Na een twee tot drie weken werd de gebrande kalk uit de ovens gehaald.

In het blus- of leshuis, een schuur met ombeschoten dak werd over de ‘levende’ kalk water gesproeid. Hierdoor ontstond een chemische reactie waarbij de temperatuur een honderd graden steeg en de schelpen als kalk uit elkaar vielen. De stoom ontsnapte door het open dak. Deze was na het uitzeven van ongerechtigheden als ongebrand gebleven schelpen, gereed voor de verkoop.

Oorspronkelijk hadden de kalkovens de vorm van een afgeknotte kegel. Later werden ze voorzien van een schoorsteen en dusdanig geconstrueerd dat ze, door van boven bij te vullen en van onderen leeg te maken, continu konden blijven branden. Het definitieve einde van de kalkbranderijen werd veroorzaakt door de toenemende cementproductie.

Een schepelmaker maakte schepels. Een schepel is een oud-Nederlandse inhoudsmaat voor droge waren. Een schepel was oorspronkelijk een holle houten schop aan een lange steel en diende om graan, aardappelen, erwten/bonen en soms kolen op te scheppen. Oorspronkelijk was de schepel 43,6 ltr.

Met schepels tegelijk betekende “bij grote hoeveelheden”. Vandaar de zegswijze van vader Cats “Een vrouw draegt meer uyt een lepel als een man inbrengt met een schepel”.

Vóór de invoering van het metrieke stelsel, in 1790, waren maten en gewichten vooral sterk streekgebonden. Tot 1800 werkte men niet met het decimale gewichtstelsel van (kilo)grammen, maar met ponden, marken, engels, azen en troois gewicht. Voordat onder invloed van de Franse Revolutie de gewichtsystemen van diverse Europese landen op het decimale stelsel van (kilo)grammen overgingen, had ieder land een eigen standaard. Soms varieerde die nog per streek of zelfs per stad. In 1820 werd in Nederland het metrieke stelsel ingevoerd op basis van de ijkwet van 1816.

Nieuw metriek stelsel

Koning Willem I voerde in 1816 een stelsel in waarbij de nieuwe Franse maten werden voorzien van historisch-Nederlandse namen zoals voet, kop, el en roede. De inhoud van de maatbeker met het bordje ‘10 Nederlandse kop’ was 10 liter. 1 schepel was de nieuwe aanduiding voor 10 liter (bij droge stoffen). Dus een verschil met de oude schepel. In 1869 werden met de Wet van 7 april 1869 alle oude benamingen voor maten afgeschaft en werd het voor winkeliers strafbaar om nog met de oude maten te rekenen.

Bron: Stadsbrug Ommen

De betaling van de tol gebeurde meestal in natura, de zogenaamde bruggerogge. De bruggemeester zorgde voor het innen van de tol en moest tevens "de brugge met den bessem schone maken en klaar houden". De inwoners van de stad waren vrijgesteld van de tolheffing. De boeren buiten Ommen moesten naar draagkracht betalen, afhankelijk van het aantal paarden dat men bezat. Een "volle boer" met meer dan twee paarden betaalde een schepel klare rogge. Een "halve boer" met één of twee paarden betaalde een halve schepel en keuterboeren zonder paard zeven stuivers. Voor de boeren vormde de vereiste levering van "klare rogge" geen enkel beletsel om het slechtste deel van hun oogst af te staan.

Een schepen (de schepenen) werden voorgedragen vanuit de gemeenschap, maar benoemd door de heer. Meestal werden twee of drie personen voorgedragen die geschikt werden geacht voor het schepenambt. Zolang de eed van 'trouw en zuiverheid' niet was afgelegd, was de kandidaat slechts provisioneel schepen.

Na het afleggen van de schepeneed werden schepenen gewoonlijk benoemd voor het leven. De meeste schepenbanken hadden zeven schepenen. De meeste schepenen oefenden hun ambt ook uit tot aan hun dood; een enkele maal werd de functie neergelegd wegens zeer hoge leeftijd en het kwam ook soms voor dat schepenen uit hun ambt moesten worden gezet.

Bovenlaag

De schepenen kwamen gewoonlijk voort uit de sociale bovenlaag van de bevolking en zeker in de late middeleeuwen waren dat vaak personen als pachters van de grote boerderijen. De schepenen kwamen niet alleen bijeen om te vergaderen, maar traden (met twee of meer personen) ook vaak op als getuigen bij allerlei gebeurtenissen, zoals verkopen, delingen, etc.

Onder elkaar spraken de schepenen elkaar vaak aan als stoelbroeder. Op het platteland hadden slechts weinig schepenen een juridische achtergrond. Voor de eenvoudige zaken ging men uit van gewoonterecht, dat per plaats kon verschillen. Voor ingewikkelde zaken, waarvoor de schepenen zich niet wijs genoeg achtten, werd een beroep gedaan op het hoofdgerecht in een van de steden die hetzelfde recht hanteerden.

Na een wijsenis van het hoofdgerecht werd het vonnis alsnog uitgesproken door de schepenen die ter hoofdvaart waren gegaan. Op deze manier bleef iedere schepenbank eindverantwoordelijk voor de aldaar uitgesproken vonnissen.

Een schepper was werkzaam bij de papierfabricage. Zij schepten met een papierzeef wat vezelhoudend vocht op en schudden dat zo gelijk mogelijk over de zeef. In oud papier ziet men dan ook altijd een zekere structuur zitten plus een watermerk dat op de zeef werd aangebracht. Zij gaven dan de zeef door aan de koetser, die het natte vel uit de zeef verwijderde en de vellen om en om met een vilt stapelde.

Als de stapel een bepaalde dikte had werd die door de heffer in een pers gezet om zo veel mogelijk water te verwijderen, waarna de vellen ter verdere droging werden opgehangen.

Een scherpbiertapper was een tapper van scherpbier, ook wel scharre- en scherrebier genoemd. Dit is een dunne biersoort, die door de “”schamele gemeente”” wordt gedronken en vrij van impost is.

Deze bieren werden vanaf de 14e tot ver in de 20e eeuw in grote hoeveelheden gedronken. Het waren de bieren voor dagelijks gebruik. Voor bij het ontbijt, tijdens het werk. Bier voor armelui en voor kinderen, maar ook voor de beter gesitueerden. Een eenvoudig bier voor de dagelijkse vochtinname. De bieren die werden gedronken omdat water of melk nog minder gezond of smakeloos werden geacht terwijl alternatieven als koffie, thee of frisdrank nog niet beschikbaar of te duur waren.

Slappe lichtere versie

Scherpbier is niet zozeer een biersoort, maar is meer een aanduiding van een slappere, lichtere versie van een ander bier. Laag alcoholisch dus. Zo'n 0,7 tot 2% maximaal. Te weinig om dronken van te worden. De percentages waren zo laag dat er niet eens belasting over hoefde te worden betaald. Het werd niet speciaal gebrouwen, maar werd gemaakt uit eerder gebruikte mout.

Nadat het eenmaal was gebruikt voor een "goet bier" werd een 2e en soms wel 3e beslag gemaakt. Het water werd gewoon nogmaals door het graan gespoeld en zo ontstond een suikerarm en daardoor minder alcoholisch en smaakarmer bier. Het werd maar kort vergist waarna het direct verkocht werd. Ook hierdoor bleef de kostprijs (en het alcoholpercentage) laag. De opkomst van scherpbieren hangt samen met de ontwikkeling van de brouwnijverheid. Vanaf het moment dat bier op grotere schaal werd gemaakt ontstond er ook meer verschil in kwaliteit van de bieren.

Voor de brouwer werd het interessant om uit dezelfde hoeveelheid mout zoveel mogelijk verkoopbaar bier te maken. Een bier voor elk type klant en voor elk moment van de dag. Dit is wel een werkwijze die fraude in de hand kan werken. Het kan soms wel erg aantrekkelijk zijn om een lichter bier voor een zwaarder bier te verkopen. Gaande de 16e eeuw kwamen er steeds meer verboden op het maken en verkopen van scherpbier. Enerzijds om consumenten te beschermen, maar toch zeker ook omdat men van de accijnsvrije bieren af wilde.

Een scherpkok was een scherprechter die veroordeelden, bij wijze van marteling, in olie kookt. Gruwelijke straffen in de 14e en 15e eeuw. Men sprak toen vaak over de coc of de scharpcok. Zelfs het kleinste vergrijp kon je het leven kosten. Het waren gruwelijke straffen die vele mensen het leven hebben gekost. Op jaarmarkten of feesten werden de veroordeelden op bijvoorbeeld het dorpsplein gestraft.

Scherprechter of scherpkok werkten vaak anoniem en werden betaald door de stad. Daar kregen ze ook hun woning toegewezen. Het werd in de middeleeuwen ook gebruikt voor oplichters en muntenvervalsers. Een grote ketel was gevuld met water, olie, teer, talk of gesmolten lood. De vloeistof werd vervolgens gekookt. Soms werd het slachtoffer in de ketel geplaatst voordat het gekookt werd, zodat het langzaam gaar werd. Of ze zouden, meestal met de kop eerst, in de reeds kokende vloeistof worden geplaatst. Dit was vaker een manier om een gevangene te executeren dan om een bekentenis af te dwingen. In het Nederlandse Deventer is nog de ketel te zien die werd gebruikt om criminelen dood te koken.

Een andere manier was de hoofdsproeier: De hoofdsproeier was in wezen een gietlepel aan het uiteinde van een handvat. De bovenste helft van de bol kon worden verwijderd en de onderste helft werd gevuld met gesmolten metaal, kokende olie, kokend water, pek of teer. De geperforeerde bovenste helft werd vervolgens opnieuw bevestigd. Door de sprinkler naar het slachtoffer te schudden of te vegen, werd hij of zij overladen met de kokende inhoud van de pollepel.

De schieman was vroeger op de grote zeilvaart (o.a. de V.O.C.) de speciale vakman die verantwoordelijk was voor al het touwwerk: het repareren en vervaardigen van scheepstuigage’s en het verfraaien van een schip d.m.v. sierknopen.

Hij moest dus kennis hebben van touwsoorten en de verschillende verbindingen en verwerking van het touwwerk, welke aan boord en in het tuig toegepast worden zoals o.a. het bekleden, het splitsen en knopen, het leggen van steken en bindsels, het stroppen van blokken, het maken van plattings en matten.

Touwwerk werd oorspronkelijk uitsluitend gemaakt van hennep en manilla. Henneptouwwerk werd vooral gebruikt voor lood- en loglijnen. Ongeteerd henneptouwwerk vergaat spoedig wanneer het voortdurend in aanraking komt met water. Manillatouwwerk is iets minder sterk, maar beter bestand tegen vocht. Het werd o.a. gebruikt voor lopend touwwerk, sloepslopers, stroppen en verhaaltrossen.

Een schietschuitvaarder werkte op een schietschuit, een door paarden getrokken veerboot, het was een lang, smal schip, tussen twee plaatsen.  De schietschuit haalde een snelheid van rond de 10 km per uur, tegen 6 à 7 voor de trekschuit. Daarnaast kon de schuit door een geringe diepgang verder landinwaarts komen dan andere schepen.  De schietschuit mag ook goederen laden en lossen buiten de vaste aanlegplaatsen en op ongeregelde tijden afvaart, namelijk als er voor een bepaald bedrag vracht aan boord is.

Reizen was vroeger niet altijd even comfortabel. De wegen waren slecht en onverhard. Koetsen met vering waren nog niet uitgevonden. Maar in het waterrijke westen van Nederland werd daar iets op bedacht: de trekschuit. De trekschuit was het meest typerende vervoermiddel in het westelijk deel van Nederland. Comfortabel bovendien én punctueel. Buitenlandse bezoekers raakten er niet over uitgepraat.

Vanaf de 16e eeuw werden speciale trekvaarten gegraven. Paarden en mensen trokken de trekschuiten voort via de jaagpaden langs rivieren en vaarten. Soms was het jaagpad zo smal, dat er geen ruimte was voor een paard. Maar waarom gebruikte men geen zeil? Dat kon of mocht vaak niet vanwege de drukte op het water of vanwege bochten in de rivier. Om trekschuiten goed door de bochten te leiden, stonden er rolpalen aan de waterkant. Langs deze rollende palen werd het jaagtouw geleid, waardoor het schip niet de kant terechtkwam.

Schijvenschuurder is een tamelijk oud beroep. De schijvenschuurder heeft het zwaarste werk bij de diamantbewerking. Hij heeft tot taak de afgewerkte schijven, die door de diamantslijpers worden gebruikt weer glad te schuren. Bij het slijpen van diamanten komen er groeven in. De schuurder moet met behulp van een amarilsteen door langdurig wrijven de schijf glad terug slijpen. Wanneer de eerste fase achter de rug is, volgt een tweede ronde, die gebeurt met “Godlandsteen”, die veel zachter is en de poriën van de schijf dicht. Uiteraard moet de schuurder zorgen dat de schijf goed vlak blijft. Vroeger gebeurde dit slijpen volledig met de hand, nu kan het ook mechanisch.

De schillenboer was in Nederland tot laat in de 20ste eeuw een vuilnisophaler die met een kar of wagen aan de deuren kwam voor groentenafval, korsten brood en ander afval dat als veevoer gebruikt kon worden. Deze schillenboer was doorgaans een arme veehouder met een kleine veestapel. Het afval dat voor de schillenboer werd achtergehouden, ging niet in de vuilnisemmer, maar werd in een schillenemmer bewaard.

Tot ver in de 20e eeuw was de schillenboer een deel van het dagelijks leven in grote delen van Nederland. Het beroep van de schillenboer verdween langzaamaan uit het straatbeeld met de komst van de afvalscheiding tussen ‘gewoon’ en gft afval.

Schillen ophalen vroeg in de ochtend

Hij trok met paard en wagen door de straten. Veelal was dit vroeg in de ochtend. Naast dat de schillenboer, zoals de naam al zegt, schillen ophaalde, haalde hij ook ander groente en fruitafval op. Vaak werd men van zijn komst op de hoogte gesteld doordat hij een ratel bij zich droeg. Zodra men de ratel hoorden, kwamen de mensen naar buiten met emmers vol schillen naar buiten.

Schillenboer tegen voedselverspilling

Het doel van dit beroep was simpel: voedselverspilling werd tegengegaan. De boer verkocht de voedselresten door aan andere boeren, of gebruikte het zelf. De voedselresten werden gebruik als veevoer. Het werd op het land gegooid voor koeien en varkens. Eind 20e eeuw werd het verboden om van huis gehaalde schillen als veevoer te gebruiken. Ook dit was een factor in het verdwijnen van de schillenboer uit het straatbeeld.

Een schoenlapper was een reparateur van schoeisel en laarzen. Dit in tegenstelling tot de schoenmaker, die schoeisel vervaardigde. Tegenwoordig gebruikt men voor de reparateur het woord schoenmaker en de schoenmaker van vroeger bestaat nu als maatschoenmaker. Tegenwoordig is het schoenmaken in hoge mate geautomatiseerd. Vroeger kwamen aan het repareren de nodige losse gereedschappen te pas: de kantenlikker, de leest, het likhoutje (voor het vaststrijken van de zool, de pekdraadtrekker, de roulette (gebruikt voor de randversiering in lee)r, de ringtang, stansmessen om zoelen en hakken uit te stansen en de zwiktang.

 

Een schoenwasmaker maakte schoenwas. Tot het begin van de 20e eeuw maakten schoenmakers schoenwas met de hand, het leerverzorgingsproduct voor schoenen dat tot dan toe gebruikelijk was. De term hulpstof wordt meestal gebruikt voor wasachtige reinigingsmiddelen die een oppervlak laten glanzen. De latere schoenpoets was ook in de volksmond bekend als schoenwas. Wie kende schoensmeer in het verleden? Dus je ging naar de handelaar en kocht een doos schoensmeer voor 5 of 10 cent. En als je meteen meer wilde, pakte je een potje of flesje vol laarswax. Het vaste middel werd verdund met speeksel of een beetje water en vervolgens op de schoenen aangebracht. En de schoenen kregen ook hun glans, zo niet zo snel.

De productie van het vloeibare product was geheim en werd als zodanig strikt geheim gehouden zodat het ook de moeite waard was; daarom waren er maar relatief weinig schoenwasmakers.

De chemicus Philipp Adam Schneider ontwikkelde 's werelds eerste moderne schoencrème genaamd Erdal. Hierop werd met ingang van 1901 in Duitsland patent verleend en werd de schoenwas vervangen.

In verband met de inmiddels industriële productie, die wereldwijd verschillende andere schoenpoetsfabrikanten voortbracht, luidde dit het verval in van het ambachtelijke beroep van de schoenwasmaker.

Met schoensmeer kan leer worden verzorgd, met als resultaat dat het leer niet uitdroogt en de levensduur wordt verlengd. Hiertoe wordt een laagje was met een borsteltje aangebracht op het oppervlak van de schoen. De schoen moet hiertoe schoon en droog zijn. De ingevette schoen moet dan even rusten zodat de was iets droger wordt. Vervolgens kan met een grotere borstel of een doek de was worden uitgewreven. Door het wrijven ontstaat warmte. De oplosmiddelen verdwijnen en de was wordt zeer vloeibaar en trekt in de poriën van het leer, het oppervlak van de was wordt zeer glad waardoor de schoen gaat glanzen.

Een schooltandarts kwam op de lagere school langs. Een of twee keer per jaar parkeerde het busje van de tandarts op het schoolplein en moesten alle kinderen verplicht langs ter controle. In de jaren na de 2e WO was het slecht gesteld met het onderhoud van het gebit.

Tandenpoetsen deden de meesten niet en als je kiespijn had dan liet je de kies gewoon trekken bij de dokter in het dorp. De schoolarts en schooltandarts boden uitkomst en konden gratis controleren of ze nog gezond waren.

Om een slecht gebit te voorkomen kwam de schooltandarts in beeld. De controle van de gebitten begon al bij de hummeltjes uit de eerste klas. Een of twee keer per jaar verscheen die ‘akelige’ rijdende behandelkamer bij het schoolplein. Werd de bus eerst bij de ene school gesignaleerd; dan kregen de kinderen van de andere school het al benauwd. Want voor de meeste kinderen was het geen plezier om naar die man toe te gaan.

Per keer werden drie kinderen uit de klas naar de ‘bekkenbeul’ gestuurd. Daar zat je dan je klasgenoot in de behandelstoel en de andere twee zaten op zeer korte afstand  te wachten op hun beurt. Alle geluiden kreeg je duidelijk mee en als er geboord moest worden dan zat je te rillen. Hoe wel de man en vooral zijn assistente geruststellende woorden sprak, werd je er niet geruster onder.

Door de komst van de schooltandarts werden we allemaal wel bewust gemaakt om goed je tanden te poetsen. Dat voorkwam misschien dat die kerel in je tanden begon te boren en kiezen uit je kaken trok zonder de gaten netjes achter te laten.

Tegenwoordig is de schooltandarts grotendeels verdwenen. Uitbreidingen in het zorgstelsel hebben ertoe geleid dat kinderen tot 18 jaar voor de meeste behandelingen gratis naar de tandarts kunnen, waardoor ouders meestal zelf een afspraak maken. In achterstandswijken in grote steden waar dat nog niet gebeurt, komt nog wel af en toe een schooltandarts om toezicht te houden op het poetsgedrag van de kleintjes. En gelukkig voor hen heeft de moderne schooltandarts tegenwoordig wél verdovingen bij zich.

Menig 50-plussers hebben door deze beulen een tandartstrauma opgelopen.

Schotvanger of schotgaarder was de benaming voor een belastingontvanger die zorg droeg voor het innen van het schotsgeld. Collecteur van het schotgeld, oorspronkelijk een aan de landsheer verschuldigde grondrente, vervolgens : aandeel in verschillende omslagen. Schotgaarder was de benaming voor een belastingontvanger die zorg droeg voor het innen van het schotsgeld.

Uit de historische geschriften:

Louris Sijp is boer. Hij begint met 20 morgen en 120 roeden land. maar koopt er land bij. Omstreeks 1720 laat hij een kap(bergschuur) bij de boerderij bouwen. Sijp is een vermogend man. Hij leent op 23  mei 1727 aan vrouwe Catharine Baronne van der Noot 2000 Carole guldens tegen 4% rente per jaar. Sijp is burgemeester,  schepen en  schotgaarder. Cornelis (de zoon van Louris)  is Heemraad van de polder, Cornelis is ook hooimeester. Hij houdt toezicht op het voorkomen van hooibroei. Cornelis is verder schotgaarder. Hij int allerlei belastingen zoals de ordinaris verpondingen, extra ordinaris reele consenten, dijkgelden, schotgelden en molengelden. Twee borgen staan garant voor de afdracht van het belastinggeld.

't Schot was eene belasting op Persoonen en op goederen of inkomsten. 't Werdt gevonden, by byzondere ommeslagen over de gegoedde Ingezetenen, Schotzettingen genaamd. De Schepenen der Steden en Dorpen werden, gemeenlyk, by meerderheid van stemmen der schotgeevende Ingezetenen, tot Schotzetters en Schotgaarders of Ontvangers verkooren.

Een schotmaker vervaardigde pijlen, dus zou de benaming pijlenmaker ook de lading dekken.

Pijlen werden door de eeuwen heen uit allerlei materialen gemaakt en de onderdelen werden aan elkaar bevestigd d.m.v. lijm, bindmateriaal of klemverbindingen. Pijlen werden opgebouwd uit drie hoofdonderdelen t.w.: de punt, de schacht en de bevedering. Pijlen moesten uiteraard scherp en hard zijn, met het zwaartepunt in de pijlpunt. Maar de pijl moest bovendien aerodynamisch zijn. In de oertijd werden pijlpunten van steen gemaakt. In latere tijden werd ijzer of brons gebruikt. De schotmaker zal zijn pijlschachten van hout hebben gemaakt, mogelijk essen- of beukenhout. Dit zijn goed buigzame houtsoorten. Esdoorn, dennen en ceder zijn daarentegen weer lichte houtsoorten en derhalve evenwel geschikt als pijlschacht.

Om de pijlen nog dodelijker te maken konden ze in gif gedrenkt worden of van weerhaken worden voorzien. Pijlgif dat in onze regionen gebruikt kon worden, was het gif van de Taxus baccata. Het ambacht vereiste grote vakmanschap. Het was zaak dat de vervaardigde pijlen een zo identiek mogelijke vlucht hadden hetgeen de trefkans vergrootte.

De schout was een lokaal ambtenaar, belast met bestuurlijke en gerechtelijke taken en het handhaven van de openbare orde. Zo is hij vanaf de hoge middeleeuwen hoofd van het dorpsbestuur van een schoutambt. Ook kan de schout de voornaamste bestuurder zijn binnen een heerlijkheid; hij wordt dan aangesteld door de heer om in diens naam te handelen. In een boerenambacht wordt de schout ook wel huisman genoemd en is hij een niet-horig bezitter van een vrij overerfbare hoeve. In steden kan de schout worden gezien als hoofd van het justitieel apparaat. Hij is openbaar aanklager, hoofd van het opsporingsapparaat en zit het gerecht voor.

Vergelijkbaar met de functie van de tegenwoordige burgemeester heeft de schout de taak om als beambte in dienst van zijn heer de leenmansplichten te innen en schulden te delgen. De schout vaak een uit de ridderlijke stand afkomstige (laag adellijke) entrepreneur die de functie erfelijk maakt.

In de oud-germaanse rechtspraak is de schout de voorzitter. De schout heeft hier een drieledige functie. Hij vormt samen met de schepenen en de secretaris het dagelijks bestuur van de gemeente. Daarnaast is de drossaard de aanklager in criminele zaken, en zit hij de rechtszittingen van de schepenbank voor. Tenslotte is hij hoofd van politie. Als voorzitter van het plaatselijk bestuur, hoofd van de plaatselijke politie en officier van justitie lijkt de functie van schout nog het meest op die van de huidige burgemeester. In de 18e eeuw verandert de naam schout in drossaard. Na de instelling van de gemeenten onder Napoleon in Nederland in 1811 wordt de naam 'maire' ingevoerd voor burgemeester, die in 1814 wordt gewijzigd in burgemeester, in 1817 weer in schout en in 1825 definitief (per Koninklijk Besluit) naar burgemeester.

Dorpen maakten doorgaans deel uit van een heerlijkheid. De heer van het dorp bemoeide zich vaak niet met de dagelijkse gang van zaken en benoemde een schout om in zijn naam te handelen. Deze kreeg, naast de justitiële taken als openbaar aanklager en hoofd van het opsporingsapparaat, ook een bestuurlijke verantwoordelijkheid. De schout werd aangesteld als hoofd van de schepenbank. In die functie was hij niet alleen voorzitter bij rechtszittingen, maar ook bij bestuurlijke vergaderingen. Het kwam voor dat één persoon benoemd werd tot schout in meerdere (kleine) heerlijkheden terzelfder tijd.

Een schrabbenmaker maakte schrabbers, schrapijzers, ofwel krabbers. Dit gereedschap werd bij de scheepsbouw gebruikt om oude verf en oneffenheden weg te schrapen.

Een schrijfmeester (schoonschrijver) schreef vaak verfraaide brieven in opdracht van anderen. Toen het handelsverkeer zich in de 16e eeuw uitbreidde, bestond er een toenemende behoefte aan het geschreven woord. In de steden vestigden zich toen schrijfmeesters aan wie het schrijven van brieven en stukken kon woorden opgedragen en die daarnaast schrijflessen gaven. In de verschillende landen van Europa werden andere letters geschreven en de schrijfmeesters moesten al deze schriftsoorten beheersen. Nederlandse handelaren ontvingen brieven uit allerlei delen van Europa. In Holland werd een schuin schrift geschreven, het ‘Nederlandtsche Loopende Schrift”.

De eenvoudigste vorm was het “Gemeyn Schrift”, maar dat was niet zo duidelijk omdat de letters s, f en h zo ongeveer hetzelfde waren en de r op de v of w geleek. Later in de zeventiende eeuw vonden de Italiaanse of humanistische letters meer ingang. Echt “schoonschrift” werd gebruikt voor geschriften die een fraai uiterlijk vereisten zoals ambtelijke oorkonden, zakenbrieven en verzoekschriften. Verschillende schrijfmeesters hebben fraaie voorbeeldboeken achtergelaten. Deze werden in koper gegraveerd (een kunst op zich) en als gravures afgedrukt. De in 1577 te ’s-Hertogenbosch geboren Maria Strick kwam als twaalfjarig meisje naar Delft en werd daar een van de bekende schrijfmeesters. Een andere bekende schrijfmeester was Jan van de Velde (1569-1623).

Een schrijnwerker was een kasten- en meubelmaker. De beroepsnaam bestaat nog steeds, maar dan maakt hij buitenschrijnwerk zoals ramen, deuren, houten wanden, poorten, trappen, plafonds en vloeren.

Een schrobbelaar (man/vrouw) was iemand die de ruwe wol vóór oftewel grof kaardt door deze op een schrobbelbank door een schrobbel (een ijzeren kam) te trekken om het kaarden makkelijker te maken.

Een schuivenschuiter duwde vanaf de wal schepen voort. Omdat er op het voor- en achterschip een constructie was gebouwd, kon men door middel van een weegboom die op het schip werd gestoken, vanaf de wal het schip al lopend en duwend voortduwen.

Een schulper was een persoon die gaten boort met behulp van een schulpboor (ook wel naafboor genoemd) en bestemd voor het boren van grotere gaten. Het is een lange en brede boor, die van onderen (de punt) gevormd is als een gewone boor, maar meer naar boven s-vormig is, waarbij de ene kant van de s dient om het hout glad te maken, terwijl de andere kant scherp is en snijdt. Aan de bovenkant bevindt zich dwars het handvat, dat in staat stelt de boor met twee handen rond te draaien.

Wordt er veel kracht gevraagd dan kan men aan een kant van het handvat een achtvormig ijzer bevestigen, waardoor men een stevige stok kan steken tot voorbij het boorijzer. Men kan de boor dan met twee man bedienen: Eén aan het handvat die tevens de boor stuurt en één aan de verlenging van het handvat.

Dit type boor wordt o.a. gebruikt door de wagenmaker om de ruimte, nodig voor de wielas, te boren. Als het gat voldoende groot is wordt er een metalen bus ingeslagen, waar de as van de wagen in past. De schulpboor wordt ook gebruikt door de blokmaker, in de scheepsbouw en om pompen te vervaardigen.

Een schutter zat bij de schutterij, een lokale militie opgericht in de middeleeuwen, bestaande uit burgers, om hun stad of dorp te beschermen en verdedigen bij een externe aanval van bijvoorbeeld rondzwervende roversbenden of vreemde legers en intern de orde te handhaven bij oproer, brand of prominent bezoek. De kerntaken van de schutterij waren aldus te vergelijken met die van de hedendaagse orde en hulpdiensten zoals politie, brandweer en het leger: het bewaken en bewaren van orde, rust en veiligheid van de burgers.

Het valt te betwijfelen of er sprake is van een echt gilde omdat het om plaatselijke "vrijwilligers" ging, die daarnaast ook nog een ander beroep uitoefenden. De gilden hadden aanvankelijk een sterk religieus karakter, ook de schutterij beschikte vaak over een eigen kapel en altaar. Naast de beveiligingstaken van de schutterij was ook de sociale taak van belang: het vaste onderkomen of lokaal van samenkomst van de plaatselijke schutterij werd door de leden ook gebruikt om allerlei lokale zaken te bespreken en om, zoals men tegenwoordig zegt, te 'netwerken'. Vaak was er ook een soort 'armenkas' in de schutterij om behoeftige en zieke leden te ondersteunen.

Na de Nederlandse Opstand speelde dit sociale karakter een steeds belangrijkere rol. Bij toerbeurt (bijvoorbeeld een keer in de maand) liepen de schutters wacht onder leiding van een officier. Aan het begin van hun dienst werden de sleutels van de poorten afgehaald bij de verantwoordelijke burgemeester en in de ochtend weer teruggebracht. Het toezicht op de schutterij werd meestal toegewezen aan de jongste of laatst toegetreden burgemeester en lijkt een soort sluitpost te zijn geweest. Pas aan het einde van de 18e eeuw was er sprake van het invoeren van een soort wachtgeld om de aantrekkelijkheid en opkomst te verbeteren. Wie te laat kwam of onder invloed verscheen moest een boete betalen van enkele stuivers. Bij brand of gevaar moest de torenblazer, in dienst van de stad en die wacht liep in een hoog gebouw (meestal een kerktoren), de dienstdoende leden van de schutterij waarschuwen door in de richting van het gevaar te spelen.

Een schuurman was iemand die bij een schuur woonde of werkte, wat vaak een agrarisch of ambachtelijk beroep betekende.

'Schuurman' duidt op iemand die werkzaam is bij een schuur, zoals een boer die zijn gewassen en dieren in en bij een schuur onderhield.

In een oud document werd een persoon met de naam Theodorus Schuurman, als schuurman genoemd.

Na verloop van tijd werd de naam ook een achternaam.

Een segrijnwerker werkte met dierenhuiden. Segrein of Spaans leer is ruig en korrelachtig en van ezels-of kamelenhuid. Segrijnleer is ook de naam voor bewerkte huiden van roggen en haaien. Segrijn werd gebruikt als schuurpapier maar ook ter decoratie.

De term segrijn is in verschillende periodes voor uiteenlopende materialen gebruikt. Saghari was paarden- of ezelleer dat nat werd gemaakt, waarna er zaden van de ganzenvoet in werden geperst. Eenmaal droog was de oppervlakte bedekt met kleine putjes. In de zeventiende en achttiende eeuw werd de term echter gebruikt voor leer dat was gemaakt van roggenhuid. Dit leer kenmerkt zich door kleine ronde kalkachtige verdikkingen.

Buiten Europa werd segrijn al gebruikt voor de handvatten en schedes van samoeraizwaarden, omdat de ruwe structuur veel houvast gaf. Pas in 17e eeuw raakte het in Europa in zwang. De Fransman Jean-Claude Galuchat geldt als eerste Europese segrijnwerker. Hij bekleedde uiteenlopende producten als parfumflesjes, snuif- en naaidoosjes en sigaren-etuis met segrijn. Vooral aan het hof van Lodewijk XV waren zijn producten in trek.

Vanaf de zeventiende tot in de twintigste eeuw werden sommige boeken gebonden in zwart ‘haaienleer’. Dat waren vooral psalmboekjes, bijbeltjes en almanakken. Het waren vrij luxe boekjes, vaak voorzien van sierlijk zilveren beslag. Het bekledingsmateriaal heeft een korrelig oppervlak, maar is, in tegenstelling tot wat de naam suggereert, geen verduurzaamde haaienhuid. In het verleden werd dit materiaal meestal aangeduid met de toepasselijker term segrijn, een term waar ook echt roggen- en haaienleer onder vallen.

Een seinmolenaar werkte op een seinmolen, een watermolen van waaruit seinen aan de omringende molens werden gegeven. Dit gebeurde vooral in de laaggelegen polders.

Het doorgeven van een bericht dat met malen moet worden begonnen of gestopt heet seinen. Het waterschap bepaalt welke molens de taak van seinmolen krijgen toebedeeld. Ook al liggen molens van een molengang ver van elkaar, door het open polderlandschap is het overdag goed te zien als de ondermolen gaat malen. ’s Nachts is dat minder makkelijk. Tegenwoordig is er de telefoon, maar vroeger moesten de molenaars andere manieren bedenken om berichten door te geven. Het seinen berustte op onderlinge afspraken en werd niet overal op dezelfde wijze gedaan. Bekend is dat in Hazerswoude de molenaar van de ondermolen bij het vallen van de avond het zeil van de bovenste verticaal staande wiek inspande. Hiermee gaf hij aan dat er ’s nachts moest worden gemalen

Zodra op de boezem een bepaald peil was bereikt, mocht er door de verschillende polders geen extra water meer op de boezems worden gebracht om overstromingen te voorkomen.

Als het polderwater het gewenste niveau had bereikt, gaf hij dit aan met een sein. Dit was het teken voor de andere molenaars om eveneens te stoppen met malen. Dit sein werd gegeven door een rode vlag (of 's nachts een rode lamp) in de mast die naast het gemaal stond te hijsen. Dit teken, dat werd omschreven als "het is pegel", werd overgenomen door andere seinmolenaars en zo doorgegeven.

Een sennepmaker was eigenlijk een mosterdmaker. Het woord "senf" komt, net als het Nederlandse "mosterd", via het Oudhoogduitse "sënaf" en Middelhoogduitse "sënf" van een voor-Germaanse taal. Het woord duikt op in oude Germaanse talen en werd ook gebruikt in het Angelsaksisch als "sënep". Het Deense woord voor mosterd is “sennep”.

"Sennep" is een alternatieve, verouderde term voor mosterd. De zaden  van de plant “Sinapis alba” worden gebruikt om mosterd te maken. Er bestaan verschillende soorten mosterdplanten: Gele mosterd (Sinapis alba), een plant uit de familie der kruisbloemen, afkomstig uit Zuid-Europa.

Mosterdzaadjes zijn ongeveer 0,5 tot 1 mm groot. De mosterd wordt in het voorjaar gezaaid. Na de bloei in de zomer vindt de oogst in het najaar plaats. Mosterd kan bijna overal in gematigde streken worden gekweekt. De mosterd wordt bereid door de zaadjes droog te malen tot een fijn of grof poeder. Het poeder wordt met water, azijn en smaakstoffen tot een pasta gemengd. Een andere methode is om de zaadjes direct samen met water, azijn en andere smaakstoffen te malen. Men laat de zaadjes dan eerst een nacht weken in de vloeistof (mouten). Daardoor worden ze zachter. De pasta die zo wordt verkregen laat men rijpen, voordat de mosterd wordt ingemaakt.

“Sinapis alba” wordt gebruikt om de alledaagse gele tafelmosterd te maken.

De sichtmaker (sigtmaker) was een smid die sichten vervaardigde. Sichten (vroeger sigten) zijn korte seizen, waarmee men met de hand o.a. graan maaide. Met een pik werd een bosje te zichten graan omvat dat dan met de zicht werd afgesneden en als schoof werd klaargelegd voor de schovenbinder of bindster. Een iets afwijkend model was de rietzicht.

Een zicht is een landbouwwerktuig voor het maaien van graan dat het midden houdt tussen een zeis en een sikkel. Een zicht en een sikkel worden met één hand gehanteerd, een zeis met twee handen. De steel en handvat van een zicht heten samen de werft. De werft wordt gemaakt uit een speciaal gevormd stuk hout, om als handvat en steel van het maaiblad te dienen. De lengte van de werft van een zicht is de ongeveer de helft van de steel van een zeis.

De vrije hand wordt gebruikt voor het hanteren van een pikhaak om het graan te verzamelen tot een schoof of garf. Een aantal werd dan rechtop gezet tot een hok om verder te drogen. Een pikhaak bestaat uit een houten handvat van ongeveer 60 centimeter met een haak van ongeveer 15 centimeter loodrecht erop. Een pikhaak werd gebruikt in combinatie met een zicht.

Het bestaat uit een dunne, smalle houten steel van ongeveer 60 tot 100 cm met, een licht gebogen (smeed)ijzeren haak van circa 15 tot max. 30 cm loodrecht erop. De steel van de pikhaak is soms voorzien van een gleuf waardoorheen het blad van de zicht kon worden gestoken om zicht en pikhaak gemakkelijk op de schouder te kunnen dragen. Dikwijls eindigde de steel op een punt om de haak in de grond te kunnen steken.

Het werd gebruikt door een pikker om graan te maaien in combinatie met de zicht. Het graan werd ermee samengerold. Daarna werd dit graan samengebonden door bindsters met een handje halmen tot een schoof (garf, garve of korenschoof). Deze schoven werden dan te drogen gezet, door meerdere schoven tegen elkaar te plaatsen tot een hok.

Een sikkelmaker maakte sikkels, een sterk gebogen, op de snede fijn getand mes met korte steel. Het werd gebruikt om graan te snijden.

De gebruiker van een sikkel moet bij het werk diep bukken of knielen om het gras of de halmen te maaien. De courantste methode houdt in dat de maaier met één hand een handvol graanhalmen net onder de aren vasthoudt en ze naar zich toe trekt. Met de andere hand snijdt hij met een zagende beweging de graanhalmen door. De gelijksoortige zeis is in wezen een sikkel met een lange steel (loodrecht op het snijblad) met twee handvatten, zodat rechtopstaand gewerkt kan worden. Er bestaat ook een tussenvorm: de zicht, met de bladvorm als van een zeis, doch de steel is half zo lang als die van de zeis en heeft maar één handvat. De gebruiker van de zicht werkt ook in een gebogen houding, maar kan het gemaaide graan met een pikhaak verzamelen tot een bos in één werkgang.

Het rendement per hectare ligt vrij laag bij het maaien met de sikkel. Schattingen lopen uiteen tussen de 14 en de 20 are per dag, naargelang de graansoort. Het grootste nadeel ligt echter in het verlies aan stro als gevolg van het snijden van de graanhalmen op 10 tot 15 cm hoogte.

Het onderhoud van de sikkel gebeurt net zoals dit het geval is bij de zeis, met dit verschil dat er opgelet moet worden om bij het zetten enkel de bovenkant van de sikkel te slijpen. Net zoals bij een schaar is hier de richting van de snede van belang: bij het trekken van het werktuig moet de sikkel een benedenwaartse richting volgen, die gestuurd wordt door de snede van het sikkelblad. Indien men systematisch zou zetten aan de onderkant van het blad, zou dit bij het snijden of trekken een opwaartse beweging veroorzaken, hetgeen gevaar voor de vingers van de arbeider zou inhouden.

Het "haren" van de sikkel is een veel minder gebruikte bewerking, maar is eveneens nodig om een scherp en goedwerkend werktuig te behouden.

Een sitsenhandelaar (sitsenmaker) werkte met sits, een handbeschilderde stof. Dit soort katoen werd vanaf de 17e eeuw ingevoerd uit India. Het bewerkelijke, dure sits kende allerlei toepassingen. Het werd onder meer in de rok en jak van streekdrachten verwerkt.

Het fijne, soepele sits niet alleen mooi maar ook heel praktisch. Gekleurde kostuumonderdelen van sits konden gewassen worden. Men hoefde niet bang te zijn dat het patroon snel vervaagde, zoals bij bedrukt linnen. De stof ontwikkelde zich tot een mode-item. Het werd niet alleen in streekdrachten en door de burgerij gedragen. Ook paste men het toe in interieurs van huizen. Zodoende voerde de Vereenigde Oost-Indische Compagnie een levendige handel in sits. De vraag ernaar was echter groter dan de aanvoer uit de Oost. Om toch te kunnen leveren, werden er ook in Europa sitsdrukkerijen gevestigd. In eerste instantie in het diepste geheim. De eerste sitsdrukkerij van Europa werd gevestigd in Amersfoort. In de zeventiende eeuw waren er in Amsterdam meer dan 30 drukkerijen.

Omstreeks 1770 waren er sitsen in vele kwaliteiten te koop; van het echte beschilderde sits uit de Oost, tot katoentjes die in Europa werden bedrukt en een stuk goedkoper waren. Tegen het eind van de eeuw was de stof alledaags geworden. Het bonte katoen raakte zelfs uit de gratie, omdat de nieuwe mode eenvoud en witte stoffen voorschreef. Alleen in de streekdracht kon het sits zich handhaven.

De sitstechniek is in India ontwikkeld. Er werd op fijngeweven katoen geschilderd of gedrukt met beitsen, dat zijn metaalzouten zoals aluin en ijzerbeits. Daarna werd de stof in een verfbad gedompeld en alleen waar de stof gebeitst was hechtte de kleurstof zich.

De VOC begon aanvankelijk deze exotische textiel uit India te halen, om die in Indonesië te ruilen tegen specerijen. Maar de Nederlandse zeelieden vonden de stoffen zelf zo mooi, dat ze als souvenir lappen mee naar huis namen, wat zeer in de smaak viel. Dus gaf de VOC vanaf 1664 opdracht om deze stof mee te brengen voor de Nederlandse markt. Tot aan het begin van de 19de eeuw was er een levendige handel in sits. Er was echter zoveel vraag naar, dat men in Europa al gauw probeerde om zelf katoen te bewerken, niet met de hand te beschilderen, maar te bedrukken.

Deze weelderige en vooral fleurige dracht was een langzaam verlopende navolging van de stadse mode. De vele rijke en toonaangevende doopsgezinden hielden, door hun eenvoudige levenswijze, lang vast aan de donkere kleding, gemaakt rond 1690, zeer duidelijk is te zien. Pas in de tweede helft van de 18e eeuw veranderde hier het donkere jak in de kleurige zijden of sitsen 'kassekien', gedragen op vele wijde rokken.

Een sjeesmaker was een ambachtsman die grotendeels verantwoordelijk was voor de bouw en reparatie van karren, wagens en later ook koetsen was de wagenmaker. Eventueel was er ook een stelmaker, die gespecialiseerd was in het bouwen van de onderstellen van wagens.

De wagenmaker maakte ook wel eens andere machines zoals eggen, ploegen en handmolens. De meeste wagenmakers dankten hun inkomen dan ook vooral aan het boerenbedrijf, al kregen ze er door de tijd heen steeds meer stadse opdrachtgevers bij. Het meest specifiek aan het werk van de wagenmaker was het vervaardigen van de wielen, wat een nauwkeurig procedé was. De rest was eenvoudiger timmerwerk.

Niet alles aan de wielen of de rest van de kar of koets kon door de wagenmaker worden gedaan. Er was ook smeedwerk nodig; in ieder geval voor het bevestigen van de wielband, maar soms ook op de laad- of personenbak. Dat werd uiteraard gedaan door een smid. Vaak werkten wagenmaker en smid zo nauw samen dat ze hun werkplaatsen dicht bij elkaar in de buurt hadden, soms zelfs in hetzelfde pand.

Koetsen bestonden al lang, maar waren vaak duur, zeker als je er een wilde aanschaffen. Daarom waren er ook karren en wagens die uitsluitend bestemd waren voor personenvervoer, al begeven die zich altijd op het grensvlak tussen kar en koets.

De sjees was een kar die vooral door boeren werd gebruikt. De personenbak was opgehangen met leren riemen en had vaak een neerklapbare overkapping. Passagiers zaten op een bankje naast elkaar.

Over het algemeen hebben de sjezen twee grote wielen, vetassen en worden meestal getrokken door een paard, hoewel er ook uitvoeringen zijn welke getrokken worden door twee paarden. Daarnaast komt het voor er sprake is van veldspoor, in dat geval is het lamoen niet in het midden voor de sjees aangebracht maar rechts uit het midden. Dit had als voordeel dat het paard in het rechter karspoor kon lopen. Vrijwel elk landsdeel had zijn eigen sjees, onderstaand volgt een korte beschrijving van de belangrijkste sjezen.

Friese en de Hollandse sjees

Deze twee sjezen zijn vaak zeer luxe uitgevoerd, voorzien van fraaie beschilderingen op de sierlijk gebogen panelen, de zgn. krompanelen. Het bakje biedt plaats aan twee personen en heeft een gecapitonneerde bekleding met aan de achterkant twee banden met kwasten. Ter bescherming van de rokken van de dame, welke altijd plaats neemt op de rechterzitplaats, is het bakje afgesloten met een houten plaat of door een lederen kleed. Hoe rijker de eigenaar hoe fraaier en luxer de sjees werd uitgevoerd.

De lamoenbomen werden aan de onderkant van het frame bevestigd. Aan de riemsteunen werden zware lederen riemen bevestigd, waarop het bakje werd vastgemaakt. De lederen riemen konden aan de achterkant met behulp van de staartijzers worden gespannen.

Bij de Hollandse sjees zijn de riemsteunen van ijzer en worden de lederen riemen gespannen door de trommels op de steunen.

De kapsjees was een modernere uitvoering van de bovengenoemde sjees, voorzien van een afneembare kap, lederen spatschermen en lantaarns.

Een sjorder zorgde ervoor dat de ladingen van schepen vastgezet werden. Het was een gevaarlijk beroep waarbij de sjorder regelmatig letsel opliep.

Een sjouwer(man) zorgde voor het laden en lossen van schepen. Het was zwaar en ruw werk.

Een slatter (ook hekkelaar genoemd) was een polderwerker die sloten schoonmaakte. Hij deed dit door de kanten van de slote af te steken die vol modder en vuil zaten.

Slate betekent sloot, en een slatter is een graver.

Bron: Proeve van een Friesch en Nederlandsch Woordenboek door mr. Montanus Hettema (1832).

Een sleeper was een koetsier van vracht. In 1634 vaardigde de magistraat van Amsterdam een verbod uit om met karossen door Amsterdam te rijden. Bij overtreding volgde een boete van 50 gulden, een groot bedrag in die tijd. Wie al een koets bezat hoefde zich daaraan niet te storen. En ook daar gaf een deel van de plaatselijke overheid het slechte voorbeeld, door binnen de stadsmuren wel van hun karossen gebruik te blijven maken. Voor vrachtvervoer kende men het gebruik van een vrachtslede.

De koetsier van een dergelijke vrachtslede werd sle(e)per genoemd, ook wel sledemenner meervoud sle-luyden. De patroon van een sle(e)persbedrijf werd sleepersbaas genoemd.

Men kende o.a. botersleepers en brouwerssleepers. Ook werden passagiers vervoerd, die dan op kleine zitbankjes moesten zitten, waarbij dan door leuninkjes aan de zijkanten verhinderd moest worden, dat ze eruit vielen. Later werden deze passagierssleden meer confortabel.

In 1664 kwam een Franse in Amsterdam wonende vrachtsleper op het idee om een koetswerk met behulp van riemen op het onderstel van een slede te bevestigen, zodat de passagiers behaaglijker vervoerd konden worden. Zijn voorbeeld werd nagevolgd en zo ontstonden de burgersleepers Zo ontstonden de specifiek Amsterdamse toesledes of koetssledes, later ook wel sleepkoets genoemd.

Velen hadden er een of zelfs meerdere in eigendom. En de minder welgestelden konden er een huren. Zo ontstonden ook bruids-, doop-, rouw- en andere soorten sleden. De sledemenner draafde er aan de rechterkant naast. In de linkerhand klemde hij de leidsels en de zweep, de rechter moest hij vrijhouden om in voorkomende gevallen de slede enige stuur te geven en om al te hevige slingeringen te voorkomen. Bij de toesledes droeg de sleper een “smeerlap” mee. Dit was een vette doek, die hij af en toe zonder te stoppen onder de sledeijzers doorschoof om het glijden te bevorderen. Bij de open- oftewel vrachtsleden droeg de sleper in zijn rechterhand een houten tonnetje, voorzien van een flink stuk touw en met een aantal gaatjes in de bodem. Met het meegedragen vaatje wisten sommigen van hen zonder vaart te minderen water uit de stadsgrachten te putten om daarmee de straatstenen voor hun slee te besproeien.

Als voor andere vervoerders waren ook voor de slepers bepaalde verkeersvoorschriften van kracht. Zo moesten zij als ze van een hoge brug afkwamen bosjes stro onder de sledeijzers spreiden om de snelheid af te remmen. Daartoe diende ook een stuk touw aan de achterkant van de slede.

Pas in 1856 (!) werd voorgeschreven dat zowel de toe- als de vrachtsleden in het donker verlicht moesten zijn. In het derde kwart van de negentiende eeuw verdwenen, door het in gebruik nemen van andere middelen, de sleden als transportmiddel.

Een slempverkoper handelde in slemp, een drank bereid met saffraan, thee, kruidnagels, kaneel en foelie in melk gekookt en suiker toegevoegd.

Slemp is een traditioneel Nederlandse drank, die in de koude periode van het jaar vroeger veel werd gedronken. Vroeger werd slemp vaak op nieuwjaarsdag geschonken. Slemp werd begin 1900 tijdens de ijspret verkocht in de Koek en Zoopie’s. Lang geleden schonken koek-en-zopies zelfgemaakte slemp voor de verkleumde schaatser.

Melk is een symbool voor vruchtbaarheid en de kruiden die hierbij gebruikt worden hebben kracht gevende en beschermende eigenschappen.

Slemp - ook wel driekruidendrank genoemd - is een warme, kruidige melk voor koude dagen. Slemp wordt ook wel gedronken om braakneigingen te onderdrukken. In de Lage Landen was deze drank zeer populair voordat koffie en thee ervoor in de plaats kwamen.

Een slichter was iemand die in een weverij werkte en weefsel glad maakte. Slichten (of slechten) is het effen of vlak maken van weefsel door dit met een slijmerige pap te bestrijken.

Slichters waren ook werkzaam in de aardewerkindustrie, waar zij kommen en kruiken moesten gladschaven met een rond houten schijfje.

Een slijmploeger werkte in een ploeg havenarbeiders om een schip van binnen schoon te maken en op te knappen.

Een smouter was een smelter van vet (smout is week vet). Een smouter was ook iemand die wol voor het spinnen invette met boter en raapolie.

Een snaphaanmaker was de maker van een snaphaan. Een snaphaan was een vuursteengeweer of vuursteenmusket, een gladloops voorlaad-geweer dat in de tweede helft van de 17e eeuw, de gehele 18e eeuw en de eerste helft van de 19e eeuw het standaardwapen van de infanterist was. Daarna werd het in de meeste landen vervangen.

Het wapen was de opvolger van het musket. Het grootste verschil was het ontstekingsmechanisme: het musket had een lontslot. De snaphaan had een snaphaanslot en later een vuursteenslot. Dit afvuurmechanisme maakte het mogelijk om het wapen veel sneller te laden. Een geoefend musketier kon één à twee schoten per minuut lossen met een lontslotmusket; een geoefend soldaat met een snaphaan kon er drie à vier lossen. Ook was het wapen over het algemeen lichter en slanker dan het musket. Het kaliber was grotendeels hetzelfde en varieerde van 17 millimeter tot 21 millimeter. Het effectieve bereik was, net als het musket, zo'n 60 meter.

Omdat het radslot ingewikkeld was en duur in productie, werd er gezocht naar een eenvoudigere en vooral goedkopere oplossing. Deze oplossing vond men in de vuursteenontsteking. De vuursteen werd in de bek van een soort hamer geklemd. Deze hamer ook wel haan genoemd, was aan de zijkant van het wapen aangebracht en kon tegen de druk van een veer in naar achteren worden gehaald (gespannen) en in deze stand worden vastgezet. Bij het overhalen van de trekker sloeg de vuursteen tegen een ijzeren plaatje dat zich vlak bij het zundgat bevond. De geproduceerde vonken deden het kruit in het zundgat ontsteken.

De ontwikkeling van het vuursteenslot heeft enige honderden jaren geduurd, hetgeen tot diverse variaties van een dergelijk slot heeft geleid.

Een snarenmaker gebruikte de darmen van jonge schapen en geiten om snaren te maken voor muziekinstrumenten en voor het aandrijven van kleinere machines. De darmen van de dieren werden eerst geschraapt en daarna met behulp van potas en herhaaldelijk wassen van het vet bevrijd. De op deze manier gereinigde darm werd vervolgens in verschillende banden verdeeld en gelijkmatig verdraaid. De darmsnaren werden ingewreven met een puimsteen en ingewreven met plantaardige olie zodat ze lekker soepel bleven.

Darmsnaren waren eeuwenlang in een groot deel van de wereld de voornaamste bespanning voor snaarinstrumenten. Gemaakt van dierlijke darmen, meest darmen van schapen en lammeren, werd daarvoor de soortnaam catgut gebruikt. Het produktieproces van darmsnaren ging grotendeels met de hand: gedroogde darmen moesten in chemische baden geweekt worden, en dan gesplitst, geprepareerd, nauwkeurig gedraaid, en gepolijst. En natuurlijk getest.

Vrijwel onbekend is dat Nederland gedurende enkele decennia een nagenoeg unieke catgut onderneming heeft gekend, die muzieksnaren maakte, aanvankelijk ook klok- en machinesnaren, en later vooral chirurgisch hechtdraad. Al eeuwen was immers bekend dat catgut in het menselijk lichaam oplost, en met de voortgang gedurende de negentiende eeuw van de medische kennis omtrent antisepsis konden steeds meer operaties worden uitgevoerd.

Tot aan het begin van de twintigste eeuw had Nederland wel luit- en vioolbouwers maar geen gespecialiseerde snarenmakers. Maar in 1904 opende de Rotterdamse familie Blitz een dergelijke fabriek, die tot ongeveer 1918 in de markt bleef. Carel Blitz, de voornaamste firmant was zelf een uitmuntend violist, vioolleraar, en muziekhandelaar. Meerdere joodse families zaten in de vee- en vleeshandel, een link met abattoir en darmen is misschien logisch.

Een sneuenmaker maakte sneuen, gereedschap wat bij de visserij werd gebruikt. Sneuen zijn dunne lange hennepgaren die in elkaar gedraaid werden waar een haak aan werd bevestigd. Het werk werd vanuit huis gedaan in o.a. Vlaardingen, Middelharnis en Maassluis.

Een snuifdozenmaker maakte snuifdozen (koperen, zilveren en gouden). Een snuifdoos is een speciaal doosje dat vroeger werd gebruikt om snuiftabak in te bewaren. Het doosje diende tevens als hulpmiddel voor het snuiven van de tabak. Vooral in de 18e eeuw was een snuifdoos iets wat vrijwel elke welgestelde man bij zich had. De doosjes werden vaak gegraveerd door kunstenaars. Rijke mannen hadden vaak verschillende snuifdozen in hun bezit, waarvan sommige erg rijkelijk waren versierd met onder andere goud en diamanten. De goedkoopste snuifdozen waren echter gewoon van hout. Andere populaire materialen waren schildpad en parelmoer.

De deksels waren vaak versierd met een portret of tekening.

De snuifdoos was in zijn hoogtijdagen vooral een teken van aanzien, en bleef dat ook een tijdje nadat snuiftabak uit de mode raakte. Zo hadden veel staatshoofden lange tijd de gewoonte om een snuifdoos als eerbetoon te geven aan ambassadeurs en andere bezoekers. Tevens boden koningen bezoekers soms aan wat tabak te nemen uit hun eigen snuifdoos. Hofjuweliers kregen soms grote geldbedragen voor het maken van snuifdozen voor deze gelegenheden.

Het armste deel van de bevolking kocht vaak rappe, de minste soort snuif, gemaakt van de stelen van de tabaksbladeren. Thuis kon men de karot ook raspen met behulp van een snuifrasp.

Een snuifmolenaar werkte in een snuifmolen waar een groot aantal verschillende soorten snuiftabak werd geproduceerd. De productie van snuiftabak vereist grote deskundigheid. De tabaksbladeren worden uitgevouwen, geselecteerd en besprenkeld of gedompeld in een saus. Afhankelijk van de gebruikte sausen worden tabakssoorten verkregen als menthol, lavendel, citroen en kaneel.

De bladeren worden op de grond uitgespreid om de saus tot een bepaald vochtgehalte te laten intrekken. Bij deze bereidingswijze wordt de tabak vervolgens fijn gestampt en gehakt, voordat het wordt vermalen tot een zeer fijn poeder. Deze soorten snuiftabak hadden namen als Tonca, Pompadour en Brazil.

Bij sommige snuifmolens worden zware ijzeren rollen gebruikt om de tabak en met name de harde stengels te pletten, waardoor het latere fijnhakken aanmerkelijk wordt bespoedigd. Een andere manier is om de tabaksbladeren in een linnen doek te wikkelen en daarna te omwinden en in te snoeren met een koord, zodat een fermentatieproces op gang kwam. Deze bundels tabaksrollen, karotten genaamd, hebben de lengte van een tabaksblad en wegen circa vier en een half pond per stuk. Karotten worden soms wel tien tot twintig jaar bewaard, voordat ze worden gemalen. Hoe ouder de tabak, hoe beter de kwaliteit. Het maken van karotten is een moeilijk werk en vereiste grote handigheid.

Op de stripbank werden de bladeren gestript, de stelen eraf gehaald en daarna gebundeld. Iedere bundel werd op een linnen doek gelegd en in de gewenste sigaarvorm gerold. De karotten worden vervolgens getrokken, d.w.z. met doek en al in een touw gewikkeld en heel strak aangetrokken. Hierbij worden grote hoeveelheden kinine opgevangen, die onder meer in de geneeskunde kunnen worden gebruikt, bijv. bij de behandeling van schurft. De karotten worden een halfjaar in het donker gelegd om te 'sterven', waarna ze werden omgelegd.

Om snuif te produceren worden de karotten uit elkaar getrokken en in ronddraaiende tonnen door daarin stampende hakmessen fïjngehakt. Een aantal soorten snuif wordt nog gezeefd, gemalen op de snuifsteen, gekleurd en geparfumeerd, waarna diverse soorten worden verkregen, zoals de nagelsnuif, de tonkasnuif en de rozensnuif. Een veelgevraagde soort was de eclosnuif, die vaak in kloosters werd gebruikt.

Vroeger kocht het armste deel van de bevolking de zwarte rappe, de minste soort snuif, die is gemaakt van de stelen van de tabaksbladeren.

Een solliciteur was een benaming voor verschillende functies. 1. Een pleitbezorger voor kleine rechtszaken. 2. Iemand die bevoegd was tot het schrijven en indien van verzoekschriften. 3. Een persoon die bij legerafdelingen tegen bepaalde rente voorschotten gaf op soldijen en andere uitgaven.

Een (school)spaarmeester (en spaarjuffrouw) werkte op een school en zorgden voor het schoolsparen. Leerlingen konden in de klas zegeltjes kopen van een dubbeltje, kwartje of gulden. Een volle spaarkaart leverde een behoorlijk rendement op.

Halverwege de 19e eeuw is het schoolsparen bedacht door de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen. Het was volgens de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen belangrijk dat kinderen leren spaarzaam te zijn. Het schoolsparen ging op veel plaatsen door in de twintigste eeuw. Dat wringt soms, omdat niet alle gezinnen geld hebben om zegeltjes te kopen. Sommige ouders moesten overwerk doen om de kinderen mee te kunnen laten doen met het schoolsparen.

Het schoolsparen was lucratief. Het rendement was tien procent. Als je in de 25 cent-periode een volle spaarkaart had, dan zat er voor 25 gulden aan zegels op. Als je die inleverde bij de spaarbank, dan werd er 27,50 gulden op je spaarrekening bijgeschreven.

Bij het Onderwijsmuseum zijn verhalen van mensen bekend die geld van hun spaarrekening haalden, om er schoolspaarzegels van te kopen. Van Ruiten: "Vervolgens kochten ze heel veel zegeltjes en leverden ze de volle spaarkaart een dag later weer in. Dan hadden ze binnen een dag tien procent winst gemaakt". De spaarbanken namen al gauw maatregelen. Er kwam een maximum op het aantal te kopen spaarzegels.

Het schoolsparen is langzaamaan verdwenen. Vooral in de jaren 1990 zijn de meeste scholen ermee gestopt.

Een speeljongen (prikkenbijter) was destijds aan boord van een schip ter beugvisserij de jongste in rang. Hij ving aan boord van een 'beuger' meestal zijn eerste zeereis aan en had nog geen enkele ervaring met deze vorm van visserij. Hij was als ongeveer 12-jarige nog een kind. Boven hem bevonden zich verschillende jongeren die meer ervaring hadden met deze vorm van visserij. De oorsprong van de benaming 'speeljongen' is niet duidelijk. De bemanning van een 'beuger' telde 12 koppen.

De beugvisserij was de belangrijkste tak van zeevisserij in het gebied van Overmaas.

In de beugvisserij werd de vis gevangen met lange lijnen voorzien van haken. De beug was een op zichzelf staand stelsel van lijnen en dwarslijnen, bij elkaar wel 13-16 kilometer lang. Een zomerbeug voor de kabeljauwvangst telde ca. 3600 stellen met haken; de winterbeug voor de schelvisvangst telde er eens zo veel.

Als aas werden verschillende vissoorten gebruikt: geep, sardijn of prik. Het aas moest in stukken van 1 cm gesneden worden. Het was een enorm karwei om een beug van duizenden stukjes aas te voorzien. De prikken hebben een langgerekt lichaam en kunnen dus gemakkelijk in moten verdeeld worden. Door hun zilverachtige huid trekken ze kabeljauwen aan.

Voor een reis van tien dagen waren ongeveer duizend prikken nodig die tot gebruik in een bak in leven gehouden moesten worden. De vissen hebben zuignapjes waarmee ze zich vast kunnen zetten aan de wand van de bak waardoor ze doodgaan. Het jongste bemanningslid had tot taak om met een stok de prikken in beweging te houden om te voorkomen dat ze zich vast zouden zuigen. Als er voldoende deining was dan ging dit vanzelf maar bij kalme zee en zolang het schip in de haven lag moest de speeljongen in de bak roeren. Voor gebruik moesten de prikken gedood worden

Prikkenbijter

De beugvisserij werd uitgeoefend onder gebruikmaking van geaasde - dunne - lijnen met haken die met vele waren aangebracht aan een centrale lange, zware, lijn. Het aan de haken aangebrachte aas was een gedeelte van een prik, een palingachtig zeediertje. Deze werden aan boord - levend - in met water gevulde bakken bewaard. Wanneer nu de beuglijnen met de gedeelten van de prikken moesten worden geaasd moest, onder toezicht van de schipper, de speeljongen - ook wel de prikkenbijter genoemd - met zijn hoektanden de prik bij zijn kop doodbijten.

Dit werkje moest eerst gebeuren om de schipper direct daarna de gelegenheid te geven, een prik in stukken te snijden. Levend zouden deze te veel kronkelen waardoor ze door de schipper niet in stukken konden worden gesneden. In scheepsbeschrijvingen en uit vertellingen kunnen we opmaken dat “de speeljongen na het verrichten van zijn beulswerk vier vijgen of een andere lekkernij kreeg tegen de nasmaak”. Verder moest de speeljongen 's nachts met een lantaarn de anderen bij hun werk bijlichten. Ook was hij onder leiding van de oude-jongen betrokken bij het schoonhouden van het dek en de ruimen.

De verdiensten waren, zeker gezien de tijd, goed. Hij bracht 2 gulden en 30 cent tot 3 gulden en 70 cent per week binnen, inclusief voeding, zooitje en afsnijden. In de visserij was de loopjongen na aanmonstering verplicht voor de hele teelt van ongeveer 26 weken te tekenen.

In zijn boek ‘Het psalmenoproer‘ schrijft Maarten ‘t Hart over prikkenbijters.

Een speksnijder werkte bij de walvisvaarders: degene, die (samen met een maat) het spek van de gevangen dode walvissen sneed. In de begintijd van de walvisvaart werden de gedode walvissen daartoe naar de kust gesleept. Hadden ze een walvis gevangen, dan werd deze eerst naar een tusseneiland, bijvoorbeeld Smeerenburg, gebracht.

Op het land slachtten ze de gevangen dieren, zodat de hun buitenste speklaag – blubber genoemd – in traankokerijen kon eindigen. Op hele hoge temperatuur werd daarin het vlees uitgekookt, waardoor er traan overbleef. Het ‘vloeibare goud’ zoals men er in die tijd over sprak, verscheepten ze vervolgens naar Europa. Daar vond het grote afname als lampolie. De baleinen, de stijve ‘haren’ in de bek van de walvis, waren overigens ook in trek. Deze werden verwerkt in korsetten, paraplu-spaken, snuifdoosjes en andere populaire zeventiende- en achttiende-eeuwse producten. De gewonnen traan werd o.a. gebruikt voor straatverlichting.

De walvisvaart was een vorm van scheepvaart, toegespitst op de vangst en verwerking van walvissen. De Nederlandse walvisvaart kende een bloeiperiode van 1614 tot 1770. Aanvankelijk was het monopolie in handen van de Noordse Compagnie. Na beëindiging van het aan hen verleende octrooi in 1642 konden andere reders zich gaan ontwikkelen. Door toenemende concurrentie werden grotere gebieden geëxploiteerd en ontstonden mede daardoor nieuwe technieken, zoals ijsvisserij.  De commandeurs werden betaald per vangst. Succesvolle commandeurs konden het zo tot grote welstand brengen.

Een spiegelglasmaker maakte spiegels. Het was in 1688 dat in Frankrijk voor het eerst glas werd vervaardigd volgens het gietproces en wel met de bedoeling om daarvan spiegels te maken.

Behalve de vraag naar spiegels ontstond de vraag naar blank glas van een betere kwaliteit. Bovendien was er behoefte aan spiegels in grotere afmetingen. De bestaande methode om het glas eerst in een cilinder te blazen had grote nadelen. Dit nadeel kon worden weggewerkt als vloeibaar glas zou kunnen worden uitgegoten op een vlakke tafel waarna het zou kunnen worden uitgewalst om af te koelen. Het op genoemde wijze vervaardigde product werd spiegelglas genoemd. Het was een kostbaar product want het productieproces was zeer arbeidsintensief. Het duurde tien dagen voor het glas was doorgehard om verder te bewerken. Vervolgens waren twee glasslijpers een maand lang bezig om een glasplaat van 2 x 1 meter aan beide zijden te slijpen en het kostte twee polijsters nog twaalf dagen om dezelfde glasplaat te polijsten.

De productie van een spiegel begint met een glasplaat. Als eerste wordt het glas in de juiste afmetingen gesneden. Daarna wordt het gereinigd met water, krijt en ceriumoxide. Dit is een fijn poeder dat wordt gebruikt voor het polijsten van glas, zoals lenzen en televisieschermen. Nadat het glas goed schoongemaakt is, wordt het gedroogd. Daarna kunnen de lagen coating worden aangebracht. Omdat zilver niet hecht aan glas wordt eerst een coating van tinzout aangebracht. Daarna volgt het laagje zilver. Deze laag is enigszins doorzichtig en kwetsbaar. Ter bescherming en afsluiting wordt daarom als derde een laag koper aangebracht. Tenslotte wordt de achterkant een- en tweemaal afgelakt, en dan is de spiegel klaar.

Een spieringvisser viste op spiering. De spiering, ook wel komkommervisje genoemd, wordt niet ouder dan 3 jaar en maximaal 14 cm. Dit visje komt voor in zowel zoet als zout water en is een echte scholenvis. Hij houdt van grote open wateren zoals het IJsselmeer. Een zoutwaterspiering wordt tot 30 cm lang en 8 jaar oud terwijl de zoetwaterspiering meestal niet ouder dan 3 jaar wordt en niet langer dan 14 cm. De zoutwaterspiering komt vooral voor in de Waddenzee en in het Eems-Dollard estuarium.

Van half maart tot half april, 3 tot 4 weken. In die tijd, afhankelijk van de watertemperatuur, schieten de spieringen kuit. Zij zoeken daarvoor de beschutting van de wal op. Als je dan vist met je fuiken langs de dijk dan kun je ze bij wijze van spreken zo opscheppen. Er werden staande fuiken voor gebruikt maar voornamelijk schietfuiken. Voor de spieringvisserij werden ze een beetje aangepast. De cup werd verlengd en de mazen iets kleiner gemaakt. Het was lichamelijk zwaar werk. De zware netten werden met een soort van hark, die aan een giek aan de mast hing, aan boord gehesen. Ook was het veel werk om de spiering weer uit het bun te scheppen.

De stand van de spiering gaat in het IJsselmeer sterk achteruit. In sommige jaren is er daarom een vangstverbod. Met name in Frankrijk en Spanje geldt de spiering als een delicatesse. Ze wordt dan veelal gefrituurd en met kop en al gegeten. Als de spiering weinig waard was ging deze ook naar de vismeelfabrieken.

Een spigiljewerker verfraaide kleding. In de 17e eeuw werd de welvaart van de rijke bovenlaag op vele manieren tot uitdrukking gebracht. Zo ook via de kledij. Kleding werd uitbundig en rijkelijk versierd met veren, kant, linten en koorden. De koorden werden geproduceerd door een spigiljewercker, ook wel koordenwerker genoemd. Spigilje is afgeleid van espiguilla, een zeker soort passement. Soms was zo'n koordenwerker tevens lintwerker.

Om diverse redenen zwavelde men in vroeger tijden veel stoffen. Daartoe beschikte men over een zogenaamd zwavelhuis. Redenen om stoffen te zwavelen waren bijvoorbeeld bleken of reinigen. Zowel de lintwerkers als de coordewerckers gebruikten bakken bij hun werk om na het zwavelen het lint, de garens of het koord te drogen.

Voor de vervaardiging van lint waren er reeds sinds de 16e eeuw lintmolens. Of ook koord op deze (of andere) molens werd geproduceerd is aannemelijk, maar niet met zekerheid te zeggen. Vanaf 1830 kwam de taffe-lintmolen in gebruik. Dit waren weefstoelen waarop vele linten tegelijk geweven konden worden. De tafzijden linten die hierop geweven werden waren van uitzonderlijk hoge kwaliteit. Met de komst van de lintmolen ontstond in lintweverijen grote werkloosheid omdat de molen het werk van wel twaalf mensen kon overnemen.

Een spijkersmid (spijkermaker) was tot diep in de 19e eeuw een smid die spijkers smeedde uit smeedijzer en soms ook uit nonferromaterialen. Deze spijkers (niet te verwarren met draadnagels), werden gebruikt in houtconstructies (waar men echter ook houtverbindingen als de zwaluwstaart, en houten pennen toepaste) en in het bijzonder in de scheepsbouw. Ook bij de vervaardiging van sloten, vaten en dergelijke werden spijkers gebruikt.

IJzeren staven werden eerst op de gewenste dikte gebracht en daarna aan een kant verwarmd tot zij roodgloeiend waren. De spijkersmid vormde dan met de hamer de steel van een spijker op het aambeeld. Vervolgens werd de spijker gescheiden met behulp van de hamer en een stuk scherp staal waarna de spijker met de scherpe punt in een z.g. cloyère werd geplaatst en er met hamerslagen een kop aan werd gemaakt. Er was ook destijds al een grote verscheidenheid aan spijkers, waarbij men uitging van verschillende soorten ijzer. Zo maakte men brosse en taaie spijkers, waarbij de taaie spijkers vooral voor een duurzame bevestiging dienden. Men maakte verder bijv. koploze spijkers (spijkers met verloren kop) voor meubelwerk en spijkers met een lengte van 37 cm voor de scheepsbouw.

Ook deze vervaardiging werd in de negentiende eeuw geïndustrialiseerd. De spijkerproductie vond toen vooral in de streek rond Luik plaats door de aanwezigheid van de kolenmijnen in die regio. Daar werd vooral Zweeds ijzer gebruikt, dat van zeer goede kwaliteit was.

Een nagelsmid is een voormalig ambachtelijk beroep dat zich ook bezighoudt met het vervaardigen van ijzeren spijkers. Het beroep is ontstaan ​​als een gespecialiseerde tak van het smeden. Nagelsmeden waren meestal aangesloten bij het gilde van smeden en/of kleine smeden.

De spijkersmid trok een vierkante ijzeren staaf uit die tot witte hitte was verhit op ca. 1350 °C door te smeden en tegen te smeden op een aambeeld, zodat het aan het einde conisch gevormd en geslepen is. Vervolgens sneed hij de staaf af en stak de gestarte spijker, met de punt eerst, in een van de gaten in het aambeeld of in het bevestigde (aangetaste) ganzenvoetvormige spijkerijzer en drukte het uitstekende uiteinde samen tot de gewenste kopvorm. Na voltooiing was het gemakkelijker om de spijker uit het vierkante gat te verwijderen door er hard op te slaan met een hamer op het aambeeld of de spijkertrekker, of door deze af te schrikken met water.

Er was ook destijds al een grote verscheidenheid aan spijkers, waarbij men uitging van verschillende soorten ijzer. Zo maakte men brosse en taaie spijkers, waarbij de taaie spijkers vooral voor een duurzame bevestiging dienden. Men maakte verder bijv. koploze spijkers (spijkers met verloren kop) voor meubelwerk en spijkers met een lengte van 37 cm ten behoeve van de scheepsbouw.

Een ervaren spijkermaker kan maximaal 2000 schoennagels produceren. Afhankelijk van het type spijker waren er 15 tot 60 slagen nodig voor een spijker, en aanzienlijk meer voor bijvoorbeeld grote scheepsspijkers.

De spijkersmederij was vroeger een zaak van individuele smeden, in de 19e eeuw ontstonden er ook werkplaatsen en fabriekjes waarin meerdere spijkersmeden werkzaam waren.

Een spoelster werkte in een textielfabriek. Zij spoelden de pijpen om met garen uit de spinnerij op klossen bestemd voor de weverij. Opvallend waren de kromme vingers van de spoelster, waarschijnlijk veroorzaakt omdat zij dag in dag uit dezelfde handelingen moesten doen om de draden door de vingers te laten glijden.

 

Met dank aan Nelly Oostrik

De sporensmid was een smid, die gespecialiseerd was in de vervaardiging van metalen sporen voor het rijden. De sporensmid maakte stijgbeugels, bits, evenals andere kleine voorwerpen voor het rijden. De sporensmid maakte voornamelijk paardenbeugels en stijgbeugels.

Als hij zelf geen wapens vervaardigde, maar nog steeds nauw verbonden was met het middeleeuwse ridderschap, was de sporenmaker een goede arbeider die tot de kleine smeden behoorde en gewoonlijk een gilde vormde met slotenmakers.

Sporen zijn metalen beugels die met behulp van riemen aan de hiel van de laars van de ruiters worden bevestigd. Een spoor steekt 1 tot 6 cm naar achteren uit.

De ruiter geeft zogenaamde "hulpen" met zijn kuiten om het paard te sturen of te laten versnellen. Een ruiter gebruikt over het algemeen de sporen als de reactie van het paard op de kuithulp onvoldoende is

Er bestaan allerlei soorten sporen, met een bolletje, met een punt, met een draaiend wiel (met of zonder punten). De functie van het wieltje is een bescherming: heel even legt men de spoor aan, meteen draait het wieltje weg.

Een staalmeester was een keurmeester, die controleerde of de kleuren van geverfde lakens overeenkwamen met de kleuren van de stalen. Het stalen beperkt zich doorgaans tot de beste soort lakens, waaronder die welke geweven zijn van voorwolrol (een mengsel van puikwol en kamwol). De staalknecht was de hulp van de staalmeester en keurt elk laken, waarvan hij een stukje knipt. En die er op toeziet dat de ververs aan de staalmeester het verschuldigde staalloon (keurgeld) betalen.

De Lakenhal was destijds het bruisende centrum van de Leidse lakenhandel. Hier werden hoogwaardige wollen stoffen naartoe gebracht door de Drapeniers, de handelaren in laken en textiel die in direct contact stonden met de productieplaatsen in de stad. Nadat de kwaliteit van de stoffen in orde was bevonden, bogen de zogenaamde Staalmeesters zich over het keuren van de kleuren die het Leidse laken zo beroemd maakten: diepzwart, ultramarijn blauw en karmozijnrood. Goedgekeurde lakens werden door de Stempelmeesters van een loden zegel voorzien. Nadat het lood was geslagen was het product klaar voor de markt.

Het Leidse laken was een hoogwaardige wollen stof, die tegenwoordig nog wel op biljarttafels ligt, maar die vroeger veel werd toegepast in pakken, toga’s, uniformen, jassen en andere kledingstukken. De stof was zo sterk en duurzaam, dat deze vaak van generatie op generatie werd overgedragen. Behalve voor kleding werden de lakense stoffen ook toegepast als wandbekleding of meubelstoffering. Het maken van deze stoffen was een intensief en langdurig proces. Lakense stoffen waren dan ook erg duur; het werd gezien als een exclusief kwaliteitsproduct.

Vertrouwen

De beste kwaliteit was de puik. Op het lood werd aangegeven in welke categorie het desbetreffende laken viel. De strenge controle zorgde ervoor dat de koper volkomen vertrouwde op de gegevens die het lood vermeldde zonder het laken zelf aan een 'test' te onderwerpen. Aan het eind van de zestiende eeuw was één lood niet meer voldoende om alle informatie te bevatten die van belang was, zoals lengte, kwaliteit, plaats van productie, het verfprocedé.

Als een laken het staallood aangehecht kreeg, was het af. Er mocht niet meer aan de stof gewerkt worden. Het staallood was weliswaar het laatste zegel aan het laken, het was zeker niet het eerste. Na iedere deelbewerking werd het laken gekeurd. 'Die wever of volre of verwer of droechscherer' deed na zijn werk een lood met zijn huismerk aan de stof om het door de staalmeesters te laten keuren. Na goedkeuring hechtten zij er een lood aan met het stadswapen en kon het laken naar de volgende bewerking, of terug naar degene die zijn werk niet goed had verricht. In dat geval werd het lood van een klop -een inslag- voorzien, waaruit de bewerker af kon leiden wat eraan schortte. Bijvoorbeeld de D duidde op een te dunne stof.

Het mag duidelijk zijn dat de staalmeesters geen loopje met zich lieten nemen. Je moest daarom ook niet met slechte kwaliteit aankomen. In het keurboek stonden in dat geval de straffen al vast. Als het 'laecken an den raem' geen lood 'creech by sculde van den verwer' ging hem dat 'poene' kosten. Kreeg hij zelfs geen klein lood -de grootte van het lood speelde dus een rol in de rangorde- dan moest de verver het laken overnemen voor de prijs van een laken met een 'vol' -lees: groot- lood. De deelbewerker was dus gewaarschuwd.

Een staalvormer (zandvormer) had een zwaar beroep. Men vulde een houten raamwerk met een (stevig aangedrukt) speciaal soort (vochtig gemaakt) fijn zand.

Men zorgde dat het zand goed aansloot aan de mal. Daarna werd voorzichtig de mal verwijderd. Het aangedrukte zand bleef in de bak achter en met een deksel werd de bak afgedekt. In de deksel zat een gat, het vloeibare metaal wordt gegoten in een vorm die is gevormd met kleigebonden vormzand. Kleigebonden oftewel groenzand wordt gebruikt bij gietgewichten tot ±300 kg. Bij grotere gietgewichten wordt chemisch gebonden vormzand gebruikt. Nadat het was afgekoeld werd de deksel en het zand verwijderd en wat overbleef was het gietijzeren onderdeel.

Een stadsbrander was een ambtenaar aangesteld door het stadsbestuur, die tonnen en vaten ijkte en deze na goedkeuring een brandmerk gaf.

Een standwerker was een marktkoopman die vaak in één product handelde wat hij met veel praatjes verkocht. Standwerkers zijn nog steeds op markten te vinden.

De stangenmaker vervaardigde paardenbitten. Een stang is hier het bit aan een paardentuig, het ijzeren mondstuk dat het paard tussen het gebit gelegd krijgt. Maar een stand is ook het geheel van de onderdelen die met het mondstuk verbonden zijn, en waaraan de teugels bevestigd zijn.

Een bit is een onderdeel van het paardentuig dat in het gevoelige tandloze deel van de mond van het paard wordt gelegd om het door de berijder aanwijzingen te kunnen geven. Een bit is vaak grotendeels gemaakt van metaal, maar ook andere materialen worden gebruikt. Het bit wordt doorgaans gebruikt om de sturing van het paard met de teugel te verfijnen. Vanwege de gevoeligheid van de mond is het ongeschikt om uitsluitend daarmee te sturen of te remmen; hiervoor gebruikt men vooral gewichtsverdeling en benen.

Metalen bitten kwamen voor het eerst voor tussen 1300 en 1200 voor Christus en waren gemaakt van brons. Daarvoor kwamen al wel bitten voor van hoorn en hout, maar men weet niet wanneer men deze begon te gebruiken.

Een staniolwerker werkte in een capsulefabriek met staniol. Stanniool of staniol, ook bladtin of tinfolie genoemd, is zeer dun gewalst tin dat vroeger als verpakkingsmateriaal werd gebruikt. Het werd ook aangeduid als zilverpapier. De staniolwerker deed de staniolverpakking om of op de producten.

Maar dan volgt nog een heel belangrijke arbeid; de verpakking. Daar zitten weer zalen vol vrouwen, netjes op banken gerijd, die de tabletten keurig in vloeipapier en staniol wikkelen of weer andere vormen in zakjes pakken. Daarna komt weer de verpakking in blikken bussen, en het wettig gedeponeerde omslag met fabrieksmerk en kookrecept gaat om dit alles heen. De flessen met aroma ook worden in vrouwenzalen gevuld gekurkt, van staniol capsules voorzien en in papier gewikkeld, en dit alles met een verbluffende door routine verkregen vlugheid.

Flessen melk, yoghurt en vla

Vroeger bezorgde de melkboer flessen met diverse gekleurde aluminium doppen: flessen met yoghurt, melk, karnemelk en vla. Tegenwoordig kopen we pakken in de supermarkt en denken we er eigenlijk verder niet meer over na. Maar weet jij nog waar elke kleur van de dop voor stond? Blauw was volle melk, lichtblauw was halfvolle melk, groen stond voor yoghurt, rood voor karnemelk, geel voor gele vla en bruin voor bruine vla.

Als de flessen op waren, werden ze weer netjes aan de straat gezet zodat de melkboer ze weer op kon halen. De doppen werden niet door iedereen weggegooid. Velen van ons hebben vaak zat de doppen om de spaken van de fiets gebogen. Dat was niet alleen leuk om te doen, je had tegelijk ook je fiets versierd.

Op veel scholen werd ook schoolmelk uitgedeeld, de doppen werden gespaard “voor de missie”. De doppen werden op scholen verzameld De scholen kregen er geld voor en dat werd in die tijd vaak gebruikt om te schenken aan de missie.

Aluminiumfolie is rond 1910 uitgevonden in Zwitserland. Hiervoor werd er nog gebruikgemaakt van tinfolie. De toepassing van aluminiumfolie was in eerste instantie bedoeld als luchtdichte bekleding voor een luchtballon. In 1911 werd aluminiumfolie al gebruikt voor de verpakking van chocolade. In 1912 gebruikte ook Maggi de folie voor het verpakken van soep en bouillonblokjes. Vooral de bescherming tegen licht en warmte maakte aluminiumfolie een populair verpakkingsmateriaal. Het werd ook gebruikt op een drager van papier en werd dan aangeduid als zilverpapier. Tegenwoordig wordt voor dergelijke toepassingen hoofdzakelijk het goedkopere aluminiumfolie gebruikt.

Een stapelaar was iemand die goederen of koopwaren opsloeg onder de bepalingen van het stapelrecht. Het stapelrecht hield in dat goederen eerst in de stad die het stapelrecht had moest worden opgeslagen en daar te koop moest worden aangeboden. Het stapelrecht was een gunst die door de regerende vorsten aan een stad werd verleend.

Het stapelrecht speelde vooral in de middeleeuwen een grote rol. Steden werden belangrijker. Zij verdienden veel aan de verplichte handel van goederen die via hun stad werd aangevoerd. Meestal werd er belasting geheven over de verkoop van de goederen die in een stapelstad werden aangevoerd. Steden als Dordrecht en Antwerpen werden door het stapelrecht belangrijke handelssteden.

Op 6 november 1299 gunde Jan II van Brabant, Dordrecht het stapelrecht. Door dit privilege van 1299 moesten kooplieden en schippers voortaan hun handelswaar in Dordrecht op de markt aanbieden. Wijn, hout en graan werden in de akte van Jan II van Brabant met name genoemd. Dit waren de producten waar de stad veel aan zou gaan verdienen, want in de dertiende eeuw nam de handel over Maas en Merwede sterk toe. Via deze rivieren werd gehandeld met steden als Keulen en Luik. Vertegenwoordigers van Duitse handelshuizen vestigen zich in Dordrecht. Dordrecht kwam tot bloei. De stad ondervond in die tijd weinig concurrentie van steden als Amsterdam en Rotterdam, want die plaatsen kwamen veel later tot ontwikkeling.

Stapelheer

Ambtenaar belast met het toezien over het nakomen der bepalingen van het stapelrecht. Daarbij werd tot in detail de gegevens over het hout en het graan opgevorderd, later ook van de andere producten.

De stad Dordrecht kreeg in 1299 het stapelrecht toebedeeld en het in 1338 verworven Maasrecht, waaruit de stad meer inkomsten zou gaan vergaren. De stad Dordrecht floreerde er geweldig bij en voor de stad brak een goudenperiode aan als belangrijkste handelscentrum in het graafschap Holland.

Het stapelrecht hield in dat veel goederen die over de Lek en de Merwede werden vervoerd, eerst in Dordrecht op de markt moesten worden gebracht voor ze verder werden getransporteerd. Dit luidde de Gouden Eeuw van Dordrecht in (1350 – 1450). Door de stapel werd Dordrecht een knooppunt van handelsactiviteiten. Uit alle delen van de wereld werden er goederen verhandeld en geconsumeerd. Voor de graaf had het stapelrecht het voordeel dat hij zijn tollen gemakkelijk kon innen en dat Dordrecht hem als dank financieel en materieel steunde bij zijn oorlogen.

In Dordrecht werd eerst voornamelijk hout en koren verhandeld. Belangrijke inkomstenbronnen voor de stad waren onder andere houthandel op vlotten vanuit Duitsland en handel in ijzererts via de Maas vanuit Luik. Later kwam daar wijn bij. Wijn moest veertien dagen (later acht dagen) in Dordrecht blijven voor hij verder mocht worden verkocht. Natuurlijk was de wijn die voor de graaf zelf was bestemd vrijgesteld van deze eis. Omdat andere graven het stapelrecht steeds weer uitbreidden kwamen er nog meer producten bij, zoals alle granen (rogge, gerst en haver), erwten, bonen, peulvruchten, wede (een blauwe kleurstof), zout, boomvruchten en hop, maar ook kalk, molenstenen, leisteen, ijzer, hars en nog veel meer. Wie probeerde het stapelrecht te omzeilen, werd met wapengekletter door Dordtse oorlogsschepen tot de orde geroepen.

Niet alleen was er in 1421 het verlies van achterland en landbouwareaal, ook veranderden de rivierlopen. Via Dordrecht varen was niet altijd meer de enige mogelijkheid, men kon bijvoorbeeld ten zuiden van het Eiland van Dordrecht langs varen richting Rotterdam. Meer wijnhandel ging via Rotterdam. Amsterdam ontdekte het Oostzeegebied als graan- en houtleverancier. De stad verloor de concurrentie met andere steden wat betreft de zeehandel, hetgeen de inkomsten deed verminderen. Na 1457 behield Dordrecht het stapelrecht en een deel van de houthandel. De stad stortte zich op nieuwe markten met betrekking tot de rivierhandel.

Stapelier

Handelaar welke goederen koopt en verkoopt in stapelplaatsen. Één van de bekendste stapelplaatsen was Dordrecht, het stapelrecht benadrukt de positie die Dordrecht als belangrijkste stad van Holland innam in de middeleeuwen. Gelegen aan belangrijke handelsroutes over water groeit de stad dan uit tot een regionale en internationale marktplaats. Het stapelrecht hield in dat goederen die langs een stad werden vervoerd, eerst in de stad moesten worden opgeslagen en daar te koop worden aangeboden.

Dat op 6 november 1299 dit stapelrecht, een zogeheten privilege, wordt verleend door de jonge graaf Jan I en zijn opvolger en oudoom Jan II uit het Henegouwse huis, betekent niet dat Dordrecht pas vanaf dat moment tot bloei komt. In de 13de eeuw neemt de handel over Maas en Merwede sterk toe, belangrijke steden als Keulen en Luik staan via deze rivieren in direct contact met Dordrecht. Vertegenwoordigers van Duitse handelshuizen vestigen zich in de stad. In die tijd heeft Dordrecht nauwelijks concurrentie van steden als Amsterdam en Rotterdam, die komen pas later tot bloei. De graven van Holland zijn de stad gunstig gezind en verblijven op hun talrijke rondreizen regelmatig in de stad.

Door dit privilege (stapelrecht) van 1299 worden kooplieden en schippers voortaan verplicht hun handelswaar in Dordrecht op de markt aan te bieden, maar voor een groot deel deden ze dat al. Dordrecht was al eerder uitgegroeid tot een belangrijke markt- en stapelplaats. De drie producten die in dit document met name worden genoemd, zijn wijn, hout en graan. Wijn is een luxeproduct afkomstig van de wijngaarden langs de Rijn en Moezel dat via Keulen over Rijn, Waal en Merwede naar Dordrecht wordt verscheept. Hout komt samengebonden tot vlotten uit Duitse bossen en uit de streken rond Luik.

In later eeuwen beschouwen kooplieden het stapelrecht wel als een dwang, maar in de begintijd wordt het gezien als gunstig voor de stad, voor de handelaars en voor de graaf. De stad ziet de economische activiteiten gestaag toenemen; kooplui en schippers zijn in Dordrecht bijna altijd zeker van een retourvracht en de graaf tenslotte wordt er financieel wijzer van, doordat een uitgekiend systeem van tolheffing is ingesteld langs de vaarwegen naar de stad. Dit stapelrecht werd in 1815 officieel afgeschaft tijdens het Congres van Wenen.

Een steekpassermaker maakte de steekpasser, hiermee kan een afstand vastgezet worden en elders afgepast worden. De steekpasser werd ook als navigatiehulpmiddel gebruikt om afstanden op zeekaarten af te passen. Door op de schaalverdeling van de zeekaart een bepaalde afstand tussen de punten van de passer te nemen kan de lengte van een route afgepast worden als een veelvoud van die afstand. Men doet dit door telkens de passer vanaf het volgende punt op de lijn te draaien en te tellen hoe vaak de passer wordt gedraaid. De positie op zee kon worden bepaald aan de hand de koers; uitgezet met een passer en een liniaal op een kaart waarop lijnen waren getrokken tussen herkenbare punten.

De kaartpasser werd reeds in de Oudheid gebruikt om afstandsmeting over te brengen. Met de introductie van zeekaarten aan boord van schepen ging de steek-of kaartpasser ook tot het vaste instrumentarium behoren. Gewoonlijk uit messing vervaardigd was het tweebenige instrument van stalen punten voor­zien. Het werd op de kaart gebruikt om afstanden af te passen en/of te meten. Er bestaat ook een versie met een gebogen bovenstuk en de mogelijkheid dat de benen over elkaar kunnen schuiven. Door druk met de handpalm op het gebogen stuk uit te oefenen kan de passer met één hand bediend worden.

De V.O.C. schepen gebruikten zogenaamde paskaarten voor de navigatie op zee. De naam komt van het gebruik van de passer om afstanden uit te zetten. V.O.C.-kaarten dienen een strategisch doel. Ze geven kustlijnen, rivieren en eilanden weer en zijn voorzien van een netwerk van kompaslijnen en soms van dieptecijfers. Het is van groot belang dat de topografische informatie die ze bevatten niet in handen van concurrenten als Portugezen en Engelsen valt. Daarom krijgen de kapiteins van de V.O.C. bij vertrek de benodigde kaarten mee, unica, op perkament getekend (want bestand tegen zilte zeelucht en vocht) en opgerold in een metalen koker. Bij terugkomst moeten de kaarten weer worden ingeleverd bij het hoofdkwartier van de V.O.C., in de kaartenkamer van het Oost-Indisch Huis in Amsterdam. En daarom ook worden de kaarten niet gedrukt, ter voorkoming van gemakkelijke verspreiding.

Een steensnijder was een chirurgijn die zich bekwaamd had in het verwijderen van blaasstenen, een afwijking die door een combinatie van vele factoren in de 17e en 18e eeuw bijna een volkskwaal was. Deze afwijking ging bij het plassen met dermate intense pijn gepaard dat deze pijnen de lijder tot radeloosheid brachten. Deze was bereid alles te doen om verlichting te krijgen. In eerste instantie trachtte men door het inbrengen van buisjes en lange pincetten in de urine blaas de stenen verwijderd te krijgen, doch dat slaagde maar zelden. Lukte dat niet dan werd de hulp van een steensnijder ingeroepen. Vaak waren dit reizende meesters.

In sommige steden specialiseerden sommige chirurgijnen zich hierin. De bekendste operatie variant was dat men de blaasstenen trachtte te verwijderen via de endeldarm. Een snijdende vinger werd in de aars gebracht en door de endeldarmwand werd de blaas geopend, waarbij men trachtte betrokkene van de stenen te bevrijden. De sterfte ten gevolge van deze operatie was uiteraard hoog, doch sommigen overleefden de ingreep. In latere tijden heeft men de ingreep verbeterd door een andere snedenvoering, namelijk een insteek met een lang mes in de richting van de blaas vanuit een steekopening tussen aars en zitknobbel.

Belangrijke belemmering bij de steensnede was dat de ingreep zonder verdoving werd uitgevoerd en bijgevolg de operatie met grote snelheid moest worden voltrokken.

Een stelmaker was gespecialiseerd in het maken en repareren van draai- en onderstellen van wagens. In Mussel (Oost-Groningen) is een museum in de voormalige stelmakerij van de gebroeders Wever.

Een stenograaf (man/vrouw) beheerste het verkorte schrift (steno). Hierbij kon hij vergaderingen en debatten met een hoge snelheid opschrijven, wel met 250 woorden per minuut. Zij moesten veel afkortingen onthouden en soms zelf ontwikkelen. Als de vergadering was afgelopen, werd de tekst op een typemachine omgezet naar normale tekst door een stenotypist(e). Iemand die geen steno kende, kon de geschriften niet lezen.

Een stijfselmaker maakte stijfsel, gemaakt van meel van tarwe of boekweit die in tonnen met water en gist werd gemengd. Na enige tijd wordt de dik geworden pap in blokken gesneden die een zolder werden gedroogd.

In de geschiedenis van de stijfselfabricage blijkt dat in het verleden stijfsel vooral ook rijst en tarwe werd geproduceerd, later werden dat aardappelen en mais.

De mens is al vroeg begonnen met het stijven van verschillende kledingstukken. Daartoe gebruikte men verschillende hulpmiddelen, onder andere lijm en gelatine. Ook stijfsel was reeds vroeg bekend: de bewoners van het Griekse eiland Chios zouden in de oudheid al stijfsel hebben gebruikt en ca. 200 jaar voor Christus meldde de Romeinen dat voor het stijven van linnengoed stijfsel werd gebruikt. Uit de 14e en 15e eeuw stammen berichten over het gebruik van stijfsel in Vlaanderen en Engeland.

De Nederlandse stijfselmakerij werd na de 16e eeuw internationaal bijzonder belangrijk. Uit oude bescheiden blijkt dat alle stijfsel die in Engeland en Amerika werd gebruikt in Holland gefabriceerd. Tot aan de Tweede Wereldoorlog bleef de vraag naar stijfsel vrij groot. Na de oorlog liep de vraag, door de opkomst van kunststoffen in textiel, vrij snel terug. Bovendien kwamen de licht voorverstijfselde zetmeelproducten op de markt die het voordeel hadden koud-oplosbaar te zijn en dus gemakkelijk in het gebruik. Het productiepakket van de stijfselindustrie richtte zich hierna meer en meer op gederivatiseerde zetmelen voor de papier-. textiel- en lijmindustrie.

Een stoelenmatter was iemand die de zitting van stoelen mat, d.w.z. de zitting vlecht.

Het beroep van stoelenzetster genoot niet veel aanzien. Deze publieke rol werd vaak vervuld door weduwen, die het in de 17e eeuw moeilijk hadden. Ze waren dan ook erg blij als ze een baan via de kerk konden krijgen. In die tijd namen kerkgangers hun eigen stoel mee naar de dienst of huurden er een bij de stoelenzetster. Al snel vonden de kerkgangers het meenemen van stoelen te veel gedoe en kozen ze ervoor om er standaard een te huren.

Voor de dienst begon, moest de stoelenzetster de stoelen (vaak genummerd) klaarzetten. Bij binnenkomst werden de kerkgangers naar hun gehuurde stoel geleid. De huurprijs hing af van de afstand tot de preekstoel, de locatie in de kerk en de kwaliteit van de stoel. Een stoelenzetster verdiende jaarlijks ongeveer 418 gulden voor het beheren van zo’n 360 stoelen per dienst. Het was wel belangrijk dat de voorganger goede preken gaf en de kerk vol zat, anders viel de inkomsten tegen.

In grotere kerken waren er vaak meerdere stoelenzetsters. Door hun armoede gebeurde het regelmatig dat ze te veel hadden gedronken, wat leidde tot ruzies tijdens de dienst over de stoelprijzen en de opslagruimte. De kerk was deze conflicten zat en besloot aan het einde van de 17e eeuw om de stoelenzetsters in loondienst te nemen, waardoor de onderlinge concurrentie verdween. Toch was er veel belangstelling voor de functie als er een plek vrijkwam door het overlijden van een stoelenzetster.

Om hun karige inkomen aan te vullen, zorgden de stoelenzetsters ook voor de 'stoven' van de notabelen en kerkvoogden, waarvoor ze 10 gulden per jaar ontvingen, zodat deze met warme voeten de dienst konden bijwonen. Uit documenten van 1860 blijkt dat de dames ook nog eens 60 gulden extra per jaar konden verdienen door vier keer per jaar de kerk grondig schoon te maken. Alle vuil moest worden verwijderd en de kerk moest voor elke dienst worden aangeveegd. Indien nodig werd er ook zand gestrooid. Het was dus geen vetpot voor de stoelenzetster.

Bron: GTRovers

Een stokkendrager was een persoon die de stokken voor de golfspeler(s) bij het vroegere golfen droeg. Hij nam alle (houten) stokken mee en hield de laatst gebruikte stok ook schoon. Tegenwoordig noemen we deze personen een 'caddie'.

Een stoomdorsmachinehouder was de eigenaar van een stoomdorsmachine. Met deze machine ging hij als loonwerker met zijn machine naar de boeren. Het was het begin van de mechanisatie in de landbouw.

In 1856 kocht hij als één van de eersten in Nederland een stoomdorsmachine. Het is een combinatie van een stoomlocomobiel en een dorsmachine. De locomobiel met zijn stoomkracht zorgde voor de aandrijving van de dorsmachine. De  stoomdorsmachinehouder verhuurde zijn stoomdorsmachine met bediening aan pachters van aangrenzende landerijen.

De geschiedenis van de landbouwmechanisatie in de twintigste eeuw is in veel opzichten de voortzetting van een ontwikkeling die rond 1850 had ingezet. In die periode verschenen de eerste fabrieksmatig vervaardigde werktuigen op de Nederlandse akkers en weilanden. Eeuwenlang waren het de ambachtslieden in de dorpen geweest, die de werktuigen voor de boerderijen in de naaste omgeving hadden gemaakt. Ploegen, eggen, molborden, wagens, landrollen en tal van andere hulpmiddelen waren vervaardigd volgens methoden die van generatie op generatie waren overgedragen.

Na 1850 begon dat langzaam te veranderen. In Noord-Amerika en Engeland waren inmiddels grote fabrieken opgericht, die zich op de seriebouw van ijzeren landbouwwerktuigen toelegden. Daar werden werktuigen gemaakt die sterker, lichter en uniformer waren dan de ambachtelijke producten. Tegen het midden van de negentiende eeuw werden deze machines ook naar Nederland uitgevoerd. Voor de Nederlandse boeren moeten veel van deze werktuigen revolutionair hebben geleken. Met de Noord-Amerikaanse dorsmachines kon de oogst immers zonder de vertrouwde vlegel of het dorsblok worden gedorst; met de maaimachines kon, zij het met grote moeite, gras en graan worden gesneden zonder zeis, zicht of sikkel. De nieuwe hulpmiddelen stelden de boeren in staat te bezuinigen op arbeidskrachten.

Een stouwer (stouwster) was iemand die turf tussen de zijstapels op een schip stouwde en rangschikte.

Een stovenmaker was een houtbewerker die voetstoven vervaardigt, een voorwerp om iets warm te houden. Het is geen kachel, geen oven en geen fornuis, maar kan er wel als een soort kachel uitzien.

Een voetenstoof bestaat uit een houten kistje, dat aan één kant open is, met gaten aan de bovenkant. In de stoof werd een schaal van aardewerk of metaal geplaatst en waarin gloeiende kooltjes waren gelegd. De voeten werden op de stoof geplaatst zodat die warm werden. Door een deken of kledingstuk over de benen en stoof te doen hield men de warmte vast en werden ook de onderbenen verwarmd. Bij sommige Nederlandse kerken was het mogelijk voor de duur van de kerkgang een voetenstoof te huren.

Stovenzetster

Vroeger waren kerken niet verwarmd, daarom werden ’s winters voetstoven geplaatst. De stovenzetster, bijna altijd een wat oudere vrouw (vaak weduwe), was met deze taak belast: zij zette voor de dienst stoven neer, waarin ze smeulende kooltjes had gedaan. Zo hielden de kerkgangers die dat konden betalen warme voeten. Het einde van het beroep kwam door de komst van de elektriciteit.

De stovenzetster ontving geen vaste wedde, doch pachtten hun ambt. Al deze personen werden door kerkmeesters benoemd, gewoonlijk alleen door de dienstdoende kerkmeester. De stovenzetsters moesten dus leven van de fooien van de gebruikers van de voetstoven.

In 1853 was de stovenzetster zelfs onderwerp van een politieke discussie naar aanleiding van de nieuwe Wet op de kerkgenootschappen: vreemdelingen mochten geen kerkelijke bediening hebben zonder toestemming van de regering. Oefende de stovenzetster een kerkelijke functie uit of niet? Een anonieme dichter mengde zich in het debat met een gedicht genaamd: Een klacht van een stovenzetster:

Ik bracht, tevreden met mijn staat
Mijn stoofjes aan de Dames rond
Ik gaf tot klachten nimmer grond
En oogstte met gerusten zin
Op Nieuwejaar mijn fooitjes in
En oefende, door niets gestuit
Mijn kerklijke bediening uit.

Een strijkster werkte in een openbare wasinrichting en streek met een strijkijzer de vouwen in de kledingstukken glad.

Een strohulzemaker maakte strohulzen en stromatten, dit waren vroeger de enige soort verpakking waarin men flessen schadevrij kon vervoeren.

De productie van strohulzen en stromatten was oorspronkelijk een huisindustrie. Reeds in het begin van de zeventiende eeuw moeten de eerste strohulzen vervaardigd zijn in Noord-Duitsland en wel in de streek rond Osnabrück, een gebied waar de boeren veel rogge verbouwden. De rogge werd toen nog met de hand gemaaid. Dit lange stro werd schud- of schoofstro genoemd. Dit lange roggestro was het meest geschikt voor de vervaardiging. Nadat de rogge in de wintermaanden gedorst was, kwam het stro vrij.

Op de velden kon men ’s winters niet werken en achter in de stal van de (Saksische) boerderijen hielden de zonen, dochters en knechten zich onder meer bezig met het maken van strohulzen. Deze waren oorspronkelijk vooral bedoeld voor het vervoer van wijnflessen, maar later ook meer en meer voor bierflessen. De grote bierbrouwerijen in het Noorden van Duitsland, in Bremen en Hamburg, vormden dan ook een goede afzetmarkt.

Deze primitieve strohulzenfabricage is na verloop van tijd ook doorgedrongen tot streken in Nederland en Noord België waar op de arme zandgronden veel rogge werd verbouwd en men naar aanvullende middelen van bestaan zocht. Tot het begin van de twintigste eeuw bleef de vervaardiging van strohulzen vooral huisindustrie, al zijn er mogelijk hier en daar grotere werkplaatsen geweest.

Echte fabrieken waren er nog niet. Handelaren kochten gewoonlijk de strohulzen op van de boeren met wie ze veelal vaste afspraken hadden gemaakt. Deze verkochten ze vervolgens aan de grote afnemers zoals brouwerijen en wijnhandelaren. Erg populair was deze tak van huisindustrie niet en zeker ook niet gezond: er kwam veel stof vrij, ook al omdat het stro met behulp van een soort grove rakel ontdaan moest worden van ongerechtigheden.

 

Het beroep van stroopkoker werd vaak van vader op zoon overgenomen. Iedere stroopkoker had zijn eigen en geheime recept.

Als in de herfst de appels en peren rijp waren, was de oogst als regel te groot om direct te consumeren. Uit mijn jonge jaren herinner ik mij dat bij mijn grootmoeder de appels onder meer geschild werden en van de klokhuizen ontdaan. Daarna werden ze aan een dun touw geregen en gedroogd. Waren ze eenmaal droog, dan werden ze in blikken trommels opgeslagen en bewaard voor gebruik. Een andere conserveringsmogelijkheid was het tot stroop koken van appels en peren. Het schijnt dat onze Germaanse voorouders die bewaartechniek al kenden. Stroop maken is een conserveringsmethode waarbij het vrije water, wordt verdampt. Het resultaat is een lang houdbaar product met een zeer lage Aw-waarde met daarbij een hoog natuurlijk suikergehalte en een geconcentreerde smaak.

Vooral in Limburg is deze techniek lang in stand gebleven. Ieder dorp had wel een of meer stroopkokers. Eigenlijk zijn deze door de fabrieksmatige productie in ons land nagenoeg verdwenen. Slechts op een of twee plekken wordt de stroop nog op ambachtelijke wijze gemaakt, terwijl er ook nog twee fabrieken zijn/waren die deze stroop op traditionele wijze vervaardigen. Eenzelfde beeld is voor België van toepassing. Voor de traditionele appelstroop werden ook peren toegevoegd, voor de perenstroop werden appels toegevoegd. Het fruit wordt eerst gekookt onder een doek op en laag pitje. Deze pulp ging in lagen in gescheiden door doeken in een houten pers. Dat sap ging naar een tweede ketel waar het tot stroop werd ingekookt tot de juiste dikte en kleur. Van het oorspronkelijke vruchtenmengsel blijft zo’n 13 kg stroop over. Vroeger bewaarde men deze stroop in Keulse potten.

 

De appelstroop die men tegenwoordig in de supermarkt koopt bestaat als regel uit 5 % appel- en 95% beetwortelsap.

Een stropoter (op Ameland) plaatste in de duinen bundels van stro tegen het wegblazen van het zand door de wind.

Met dank aan P.H.A.M.F. Brouwer

Een stypeur was er in twee vormen: rondstypeur en de vlakstypeur. Bij het produceren van kranten werd een zetvorm, een gezette en opgemaakte krantenpagina, niet rechtstreeks gebruikt voor het drukken. Van die zetvorm perste de stypeur met behulp van een preegpers of kalander eerst een (kartonnen) matrijs. Van deze matrijs werd in een gietapparaat vervolgens een vlakke of ronde styp gegoten, die gemakkelijk in de krantenpers kon worden ingesloten en afgedrukt. De vlakke stypes waren bestemd voor vellenpersen, de ronde voor de rotatiepersen. Na gebruik werden ze weer gesmolten en waren zo weer geschikt om de volgende matrijs te gieten.

Een banketbakker wordt ook wel suikerbakker genoemd, vanwege het ruimschoots gebruik van suiker bij het bakken, of patissier. Anders dan broodbakkers maken banketbakkers allerlei lekkernijen.

Van de ruwe suiker ‘bakten’ de raffineurs suikerbroden. Uiteindelijk zal de naam ‘suikerbakker’ ook gebruikt worden voor de ambachtslieden die met de suiker aan de slag gingen als banketbakker en suikerwerker. Kunstwerken van suiker sierden menige tafel, en de lekkernijen gingen over de toonbank voor de smulpapen uit de 16e, 17e en 18e eeuw. Suiker bleek een wondermiddel in de keuken. Je kon er allerhande vruchten mee konfijten. En ingrediënten die anders nauwelijks te eten waren een zoete smaak geven en aantrekkelijk maken door er Arabische gom door te mengen kon je er prachtig mee boetseren. Het ambacht van de suikerbakker - heel wat anders dan dat van de broodbakker - vereiste dat je een meester was in al die aspecten van deeg en suiker.

De suikerbakker ontwerpt en maakt grote en kleinere suikerwerken. Suiker is een lastig goedje. Wil je er mee aan de slag, dan dien je de temperatuur van de ruimte en van het vuur goed te kunnen beheersen. Is het te warm, dan werkt de suiker niet mee. De werkplek van de suikerbakker ligt meestal op het Noorden, of bevindt zich onder de begane grond, in een kelder.

Na de val van Antwerpen in 1585 verhuizen veel suikerbakkers en suikerhandelaren naar Amsterdam, net als de uitoefenaren van andere beroepsgroepen. Zo in de loop van de 17de eeuw, wanneer de toevoer van suiker naar Amsterdam op gang komt, breidt het bakkersgilde zich uit met de suikerbakker. Er is een ‘nieuw’ beroep geboren, dat zich richt op fraaie kunstwerken.

 

Een suikermolenaar verwerkte suiker.

In de 4e eeuw voor het begin van onze jaartelling kwam de eerste vorm van suikerriet voor in Europa. In de 5e en 6e eeuw werd het raffineren in de Arabische gebieden, (Zuid-Spanje) waar de suikercultuur al draaide op het gebruik van slaven. In de 12e eeuw namen de kruisvaders de techniek van het suiker raffineren mee naar West-Europa. In 1233 zou de eerste suiker naar Nederland zijn gekomen.

In de 15e eeuw begonnen Spanje en Portugal met het veroveren van gebieden, waar ze kolonies van maakten, die o.a. geschikt waren voor de teelt van suikerriet. Rond 1550 begon de teelt in Zuid-Amerika, mogelijk door het gebruik van vele tot slaafgemaakten.

Uiteraard zagen ook de Hollanders wel wat in de suikerhandel. 1621 werd de W.I.C. opgericht en in 1630 werd een deel van Brazilië veroverd. Daar waren toen al 137 suikermolens op grote suikerplantages. De suiker werd in de koloniën niet volledig geraffineerd, maar tot halfgeraffineerde ruwe gestolde kegelvormige suikerbroden van ongeveer 16 kilo verwerkt, die werden geëxporteerd en o.a. in ons land verder verwerkt door de suikerbakkers.

Het suikerriet werd destijds met de hand gekapt, van bladeren ontdaan en dan op karren naar de suikermolen gereden. Daar werden de stukken suikerriet geplet en uitgeperst. Het suikerwinningsproces verliep globaal als volgt:

Het persen gebeurde op verschillende manieren: handkracht door slaven, door een rosmolen, door wind- of waterkracht. Het verkregen sap werd gereinigd met behulp van ongebluste kalk. Het neergeslagen slib werd verwijderd, waarna de suikeroplossing werd ingekookt. De verkregen ruwe bruinige suiker in de vorm van de reeds genoemde suikerbroden werd dan o.a. geëxporteerd naar verschillende steden in ons land.

Een suikerpottenbakker maakte potten voor suikerbakkers.  In Amsterdam wordt in 1615 een knecht aangenomen “”suyckerpotmaecker”. Een knecht ontving behalve loon ook drie kannen bier per dag. De draaiers werkten op stukloon en werden per plank draaigoed, de zogenaamde worp betaald. Voor de knechten was het zaak om vlug en vaardig te kunnen draaien zonder dat er aan het eindproduct enige esthetische eisen werden gesteld. In de 17de eeuw groeide Amsterdam uit tot één van de belangrijkste suikerverwerkers van Europa. De stad herbergde in 1661 meer dan 66 suikerbakkerijen waar suikerrietsiroop uit de tropen werd geraffineerd tot kristalsuiker.

Uit historische bronnen is bekend dat een suikerbakkerij duizenden suikertrechters in gebruik had in verschillende formaten met bijpassende strooppotten. Deze objecten werden vervaardigd uit roodbakkende klei door gespecialiseerde pottenbakkerijen in Amsterdam, Rotterdam en Gouda. Het aardewerk was niet geglazuurd.

In de talloze Amsterdamse suikerraffinaderijen werden in die tijd drie verschillende typen industrieaardewerk gebruikt. Ten eerste waren dat forse en stevige potten met een peervormig lichaam op een brede standring voorzien van een onopvallende hals met kraag. Tijdens het raffineren van suiker werden in deze potten hoge aardewerken of houten trechters geplaatst waarin de suiker kon uitkristalliseren. De stroop die daarbij vrij kwam lekte in de zware pot. Deze torpedovormige suikertrechters werden eveneens van eenvoudig roodbakkend aardewerk gemaakt. De kegelvormige suikerbroden die zich hierin vormden waren het waardevolle eindproduct.

Een supercarga was een koopman die aan boord van een koopvaardijschip verantwoordelijk is voor de lading en in het land van bestemming voor de verkoop daarvan.

Hij heeft de controle over de lading, tenzij beperkt door zijn contract of andere overeenkomst. Bijvoorbeeld, de supercarga geen zeggenschap heeft over de stuwadoors, en hij heeft geen rol in de nodige voorbereidende werkzaamheden voorafgaand aan de behandeling van de lading.

In de 16e tot het midden van de 19e eeuw was de carga de op een na belangrijkste persoon aan boord van een koopvaardijschip na de kapitein.

Op schepen van de Oost-Indische Compagnie was de supercarga vertegenwoordiger het bedrijf en was verantwoordelijk voor alle zaken die verband houden met de handel, terwijl de kapitein verantwoordelijk was voor de navigatie, het laden en lossen van de lading, alsmede het onderhoud van het schip. De kapitein werd beperkt tot de volgende schriftelijke bevelen van de supercarga. Een nieuwe supercarga was altijd benoemd voor elke reis; hij moest boeken, aantekeningen en grootboeken over alles wat er gebeurd is tijdens de reis en handelskwesties in het buitenland te houden. Hij was om deze onmiddellijk te presenteren aan de bestuurders van de Vennootschap op de terugkeer van het schip tot aan het hoofdkantoor. De supercarga kreeg een boete voor elke dag dat de boeken werden vertraagd. Het helpen van hem in dit alles, hij had een staf van assistenten: een schrijver, een conciërge, een kok, een lakei, alles bij elkaar bestaande uit zeven personen. De koopman had ook te onderhouden en uit te voeren alle regels, als opgesteld, van het bedrijf in de fabriek bij de handelspartners van bestemming.

Uit de historische geschriften van: BRAAM HOUCKGEEST, Geb. 1 November 1739

In zijn jeugd diende hij bij de zeemacht, doch verliet dien dienst in 1758, om als supercarga der O.I.C. een reis naar China te doen. Hij woonde aldaar te Macao en te Canton tot 1773 en maakte in den tusschentijd drie reizen naar Europa. Na terugkeer vestigde hij zich in Zutphen tot 1783, toen hij, na de erkenning der onafhankelijkheid der Vereen. Staten, zich derwaarts begaf en koopman en houder van een rijstplantage in Charlestown (Zuid-Carolina) werd, zich aldus onttrekkende aan de partijwoelingen in zijn vaderland. Hier leefde hij gezond en gelukkig als amerikaansch burger, tot hij in een enkele maand vier zijner kinderen verloor. Dit verlies en tevens dat van een deel van zijn vermogen, ten gevolge van verkeerd geplaatst vertrouwen, deed hem den voorslag aannemen, door zijn broeder Jacob Pieter gedaan, om de zaken der O.I.C. te Canton als directeur van den handel aldaar te gaan waarnemen en hij deed de reis derwaarts over Nederland in het najaar van 1788.

Een sweelster was een vrouw die hielp bij het oogsten van het hooi. Ze gooiden het hooi met hun harken om zodat dit beter kon drogen, en verzamelde het op een baal zodat het makkelijk op de wagen geworpen kon worden.

Mis je een beroep in de lijst?

Laat me dit dan weten, bij voorkeur met de beschrijving van het beroep.

Contact
Schrijf mij in voor de nieuwsbrief (iedere 2 maanden)
Bezig met versturen

Vergeten beroepen met de letter S

Wel eens van een saffraanman gehoord, of wat dacht je van een sagomaker? Of een spilgiljewerker, staniolwerker, stapelaar, snuifmolenaar of stroopkoker. Sommige beroepen lijken logisch, zoals een strontschepper, maar daar kan je je flink in vergissen. Veel beroepen omvatte meer taken en verantwoordelijkheden dan je zou denken, maar het tegenovergestelde kwam ook vaak voor.

Zware omstandigheden

Tegenwoordig komen de meeste oude beroepen gelukkig niet meer voor. Ten eerste omdat ze door de tijd zijn opgeheven, maar ook omdat de zware omstandigheden voor arbeiders zo belastend waren, dat zij er vaak ernstige ziektes aan overhielden of zelfs uiteindelijk jong kwamen te overlijden.

Mannen en vrouwen

Het valt op dat de meeste beroepen door mannen werden uitgevoerd. Als vrouwen hetzelfde werk uitoefenden dan een man, kregen zij veel minder betaald (wat overigens tot de dag van vandaag een strijd is). Daarbij mochten vrouwen uit de ‘hogere stand’ niet werken, zij kwamen de dag door met b.v. schrijven, de dienstbode de dienst uitmaken, flaneren met vriendinnen, of handwerken. 

Lees ook

Download hier gratis de Family Tree Builder
Registers van de Nijmeegse Hulpbank 1870-1928
Word wegwijs in de Duitse archiefterminologie
Protestantse archieven in België
Vergelijk jezelf met Compare-a-Face van FamilySearch
Stamboomonderzoek in het buitenland

Oude en vergeten beroepen van vroeger (S)

Reageer op dit artikel
Opmerkingen over artikel
Schrijf mij in voor de nieuwsbrief (iedere 2 maanden)
Bezig met versturen

Wil je een donatie doen?

Yory is non-profit, maar de kosten zijn zeker € 750 per jaar. Met donaties kan dit platform blijven bestaan.

Yory donatie banner
Yory donatie banner vierkant
ZOEK