Leden van de chirurgijnsgilde in Delft (1701-1799)
Als je voorouders hebt in Delft die een medisch beroep hadden, onderzoek dan eens of ze voorkomen in het register van de Chirurgijnsgilde.
Het chirurgijnsgilde had een centrale rol in de dagelijkse zorg van de Delftse burgerij, en het is zeer bijzonder dat dit register bewaard is gebleven én online toegankelijk is gemaakt.
Een chirurgijn, ook wel heelmeester genoemd, was een medisch behandelaar die zich richtte op de ‘buitenkant’ van het lichaam. In tegenstelling tot de universitair geschoolde doctores medicinae, die zich bogen over interne geneeskunde en de theorie van ziekten, was de chirurgijn een vakman die handelingen verrichtte waarbij vaak bloed vloeide. Het beroep was nauw verbonden met dat van de barbier; je kon namelijk bij dezelfde persoon terecht voor zowel een scheerbeurt als het verzorgen van een diepe wond of het trekken van kiezen en tanden.
Want de werkzaamheden van een chirurgijn waren zeer divers. Je kon bij hem aankloppen voor het zetten van botbreuken, het opensnijden van abcessen en het behandelen van diverse kwetsuren. Een van de meest uitgevoerde handelingen was het aderlaten. Men geloofde destijds dat ziektes ontstonden door een onbalans in de vier ‘humoren’ of lichaamssappen: bloed, slijm, gele gal en zwarte gal. Door een incisie te maken en bloed af te nemen, probeerde de chirurgijn deze balans te herstellen.
Opleiding van de chirurgijn en het Delftse gildewezen
In de 18e eeuw werd je niet via de universiteit, maar door middel van een leerwerktraject chirurgijn. Je begon als leerling bij een meester, werd vervolgens gezel en mocht pas na een geslaagde meesterproef zelfstandig werken. In Delft was dit proces streng gereguleerd door het chirurgijnsgilde, dat toezicht hield op de kwaliteit van de zorg.
‘De chirurgijn moet een hart van een leeuw hebben, de ogen van een valk en de handen van een vrouw.‘
Delft bood haar gildeleden uitstekende faciliteiten voor onderwijs; al sinds 1614 beschikte de stad over een eigen anatomiekamer, die vanaf 1656 gevestigd was in de voormalige kapel van het Maria Magdalenaconvent aan de Verwersdijk. Hier kregen chirurgijns aanschouwelijk onderwijs door de ontleding van lichamen van terechtgestelde misdadigers of gevonden lijken van onbekende personen. Het stadsbestuur stimuleerde de samenwerking tussen theorie en praktijk door ook academische medici en vroedvrouwen bij het gilde te betrekken.
Een zwaar beroep met grote risico’s
Hoewel het aanzien van een chirurgijn lager was dan dat van een arts, was hun werk onmisbaar en vaak ook gevaarlijk. Chirurgijns werkten niet alleen in de stad, maar waren ook essentieel op de schepen van de VOC. Aan boord moesten zij onder erbarmelijke omstandigheden opereren en amputaties uitvoeren, vaak met slechts alcohol of laudanum als verdoving. Het sterftecijfer onder deze medici was hoog door infecties en tropische ziekten.
Bronnen voor onderzoek
Het register bevat het kasboek van inkomsten en uitgaven voor knechten en leerjongens, wat een interessante inzage geeft in de manier waarop de administratie werd bijgehouden.
Afbeelding boven: Anatomische les van Cornelis ‘s-Gravesande – Cornelis de Man (1681)
In 1681 kreeg schilder Cornelis de Man van het Delftse chirurgijnsgilde de opdracht om de genees- en heelmeesters van de stad te vereeuwigen, samen met de beroemde natuurkundige en filosoof Antoni van Leeuwenhoek. Het resulteerde in een schilderij van de anatomische les van dokter Cornelis ’s‑Gravesande, uitgevoerd in het Theatrum Anatomicum aan de Verwersdijk. De Man liet zich duidelijk inspireren door de compositie van Michiel van Mierevelt: opnieuw ligt het lijk in de lengterichting van het doek, omringd door de medici die toekijken. In het midden staat ’s‑Gravesande, bezig met een sectie op een man die aan een verwonding aan de borst is overleden. De borstkas is geopend. Met een aanwijsstok geeft hij de plek van het hart aan, terwijl hij met zijn vrije hand de positie van zijn eigen hart aanwijst. Rechts naast hem staat Antoni van Leeuwenhoek die les kreeg van ’s‑Gravesande. Ook hij had op ditzelfde lichaam sectie verricht. Links van ’s‑Gravesande staat Johan de Geus, herkenbaar aan zijn blonde krullen. In zijn hand houdt hij een spons waarmee hij het bloed uit de borstholte wegzuigt. Bron: Museum Prinsenhof Delft

Lees ook
Leden van de chirurgijnsgilde in Delft (1701-1799)























































